Huisdieren

1998-02-06
  • Jaargang 42
  • nummer 3
Ruim twintig jaar hebben wij het volgehouden om 'het huisdier' buiten de deur te houden. Mensen met honden en katten bekeek ik in het verleden toegeeflijk. Met een snufje neerbuigendheid hoorde ik de verhalen over intelligente beesten aan. "Nee mevrouw. Vijf kinderen is zat genoeg, daar moet geen huisdier bij", was mijn commentaar op: moeten jullie geen schattig katje of zo? Reinier, onze jongste, bracht de verandering.
Hij houdt van beesten en zei toen er nog twee andere kinderen in huis waren al: straks ben ik alleen met jullie. Als ik nou nog een beest had ..."
Hoewel ik reageerde met: "Dat is het lot van een jongste", had die opmerking invloed. Zes jaar geleden arriveerde het eerste beest. Het was een konijn dat zoet haar dagen in een ren doorbracht en krabde als je haar vastpakte.
Af en toe lieten we haar los in de tuin. Ze was niet bar slim, want ze vloog meteen naar de buren om boerenkool te halen terwijl we zelf groente in de tuin kweekten! Buurmans gras is altijd groener ... dat gold kennelijk ook voor een konijn. De buren vonden het niet erg, maar ze bleef in het vervolg toch maar in de ren.
"Een konijn heb je niet voor lang. Die worden niet ouder dan een jaar of vier", had iemand ons verzekerd voor we haar kochten. We hebben zeker een sterk exemplaar want ze leeft nog!
Daarna kwam de goudvis erbij. Een verjaardagskado van een vriendje van Reinier. Die vis viel ook wat tegen.
Niet echt een aaibaar type. Zwom wat in z'n kom en hapte eens naar z'n voer. Ik vond er niet veel aan. Maar die vis leeft ook al weer vier jaar (stond een half jaar voor).
Nu hebben we sinds een jaar een kleine kat. Weer was Reinier verantwoordelijk: Toen het laatste 'grote kind' het huis verliet, zei hij peinzend: "Sneu voor mij hè, helemaal alleen.
Als ik nou een kat had ..." Daarna lachte hij breed, dus met de sneuïgheid viel het wel mee. "Dat is het lot van de jongste", zei ik weer. Maar ...
de opmerking had invloed. De kat is een meisje geworden en we noemden haar (nee, niet Elsje): 'Roetje'. We zijn allemaal dol op het beest. Tot de uitwonende kinderen toe.
's Morgens geeft ze trouwhartig kopjes en ze is dol op melk. Volgens kenners mag ze dat niet hebben. Er is veel veranderd voor katten in de loop van de jaren. Melk mag niet, brood niet. Het voer zit in brok en blik. Je moet naar de dierenarts. Prikken halen tegen kattenziekte, hepatitis en nog iets. Ik ben al vergeten wat het was. Bij kinderen heette zoiets altijd een vierde ziekte. Ik kreeg bij de dierenarts zelfs een inentingsboekje waarop 'Roetje' stond. Ik voelde me meteen 'Roetjes moeder' en tamelijk belachelijk. Het merkwaardige was dat ik me in die wachtkamer vol bazen en beesten ook net zo ongemakkelijk voelde als vroeger bij het consultatiebureau voor de kinderen. Ik hield de kat op schoot in een soort plastic korf en maakte sussende geluiden tegen haar toen een lammeling van een hond tegen haar blafte.
De man tegenover me vertelde hoe slim zijn kat wel was en bijna ... bijna liet ik me verleiden om uitvoerig te vertellen hoe pienter onze kat zich van lekkere hapjes verzekerde.
Net op tijd sloot ik mijn mond. Het gevoel van trots toen de dierenarts mij vertelde dat de kat zich prima hield onder de injectie en dat ze er zo mooi uitzag, verraadde me aan mezelf. Even herinnerde ik me mijn vroegere, superieure gevoel tegen mensen die zo mal deden over beesten. Hoogmoed komt voor de val. Bij het leger van dierengekken heeft zich iemand aangesloten. Een deemoedige hekkensluitster groet u.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief