Historiciteit en geloofwaardigheid (3)
1998-02-20
Het afgelopen jaar heeft in Opbouw een discussie plaatsgevonden, die met name over de aard van de bijbelse geschiedschrijving ging. In mijn vorige artikel liet ik zien, dat een belangrijk uitgangspunt door alle deelnemers aan de bezinning in Opbouw gedeeld wordt, te weten, dat er een levende God is. Die zich aan Israël geopenbaard heeft en die nog tot ons spreekt door de Bijbel! Dit artikel wil ik nog eens op het belang van deze geloofsveronderstelling terugkomen, en wel vanwege de betekenis daarvan voor het lezen van de Bijbel, de bijbelse geschiedenissen incluis.- Jaargang 42
- nummer 4
Zuiver wetenschappelijk
Wie deze geloofsvooronderstelling heeft, benadert de Bijbel vanuit een principieel andere houding, dan wie deze geloofsovertuiging nfet heeft. Wie de Bijbel als een enkel menselijk boek beschouwt, van mening is dat de historische partijen 'zuiver wetenschappelijk' gelezen moeten worden, 'etsi Deus non daretur', d.w.z. 'alsof er geen God bestaat', kán niet anders dan voor al het handelen van God in de geschiedenis en voor overigens alles wat hem of haar te wonderlijk is, verklaringen zoeken, die de toets der historische kritiek kunnen doorstaan.
Psychologische, sociologische, politieke, godsdienstwetenschappelijke etc. benaderingen moeten te hulp geroepen worden om de Schrift te verklaren. Ook tegenover het historische gehalte van de bijbelse geschiedschrijving moet een houding van permanente scepsis aangenomen worden. Dat laatste heeft te maken met hetgeen ons bekend is over de geschiedschrijving in de oudheid. 1) Aan geschiedschrijving in de moderne zin van het woord werd in de oudheid immers niet gedaan. Met de geschiedenis werd dikwijls net zo omgegaan als Goebbels' propaganda-apparaat het in Nazi-Duitsland deed: geschiedschrijving diende ideologische en politieke doelen. Ze was een middel om de regerende macht te legitimeren en te verheerlijken, of om de heerschappij over andere volken te rechtvaardigen.
De geslachtsregisters en koningslijsten in de oudheid bedoelden aan te tonen dat de aan de macht gekomen koning die positie volstrekt rechtmatig bekleedde; zo nodig manipuleerde men de gegevens om het gewenste doel te bereiken. Tegen deze achtergrond leest de moderne bijbelwetenschap ook de historische stof van de Bijbel. Stamt Jezus volgens Mattheüs via zijn vader af van het huis van David? 't Zou in theorie natuurlijk kunnen, maar ook is het mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat Mattheüs een stamboom geconstrueerd heeft, met de opzet Jezus als nazaat van het huis van David te tekenen ...
Andere basishouding
Vanuit de geloofsvooronderstelling die ik net formuleerde, wordt de basishouding tegenover de Bijbel en de bijbelse geschiedenissen een wezenlijk andere. Ik kan het niet anders zien, dan dat die houding iets houdt van die van een kind dat - zittend op moeders of vaders schoot - luistert naar de verhalen uit de kinderbijbel. Zo'n kind neemt die gewoon voor waar aan, ontvankelijk als het is. Als er in de Bijbel staat 'En God sprak ...', dan wordt daar niet in één ruk achteraan gedacht '...
bij wijze van spreken.' En hoe onmogelijk wonderen op zich ook lijken, vanuit het geloof in God is er geen enkele reden om aan de mogelijkheid daarvan te twijfelen. In principe kost het me daarom geen enkele moeite om te geloven dat de bijbelse geschiedschrijving net zo feitelijk is, als ds. Koers veronderstelt.
Geen blind geloof
Wie nu mocht menen dat hiermee wat mij betreft het laatste woord over de aard van de bijbelse geschiedschrijving gezegd is, vergist zich. Wel het beslissende, maar niet het laatste. Is gezegd. Je moet jezelf namelijk ook recht in de ogen kunnen blijven kijken. Ik zeg dat laatste niet tegen ds. Koers, maar tegen mezelf. Ik bedoel, het geloof mag niet blind maken voor 'feiten' - wanneer echter zijn feiten werkelijk feiten? - die een ander licht op de aard van de bijbelse geschiedschrijving werpen, dan je krachtens je geloofsovertuiging verwachten zou.
M'n vorige artikel schreef ik niet aan de conclusie te kunnen ontkomen, dat aan de Bijbel het stof der eeuwen kleeft. Dat blijkt alleen al uit het feit - en dat fs een feit -, dat de tekst van de Bijbel niet ongeschonden de tijden is doorgekomen. Het blijkt onder andere ook uit de aantoonbaar complexe ontstaansgeschiedenis van sommige bijbelboeken en uit het gegeven, dat de evangelisten elkaar wel eens tegenspreken. Ook aan de historische berichtgeving van de Bijbel kleeft het stof der eeuwen. Daarmee bedoel ik niet, dat die zich - net als de geschiedschrijving van de omliggende volkenkenmerkt door zelfverheerlijking; integendeel, er is geen volk ter aarde, dat in de weergave van het eigen verleden zó aan nestvervuiling doet!! Ik denk wel, dat we rekening moeten houden met de mogelijkheid, dat de bronnen die door de bijbelschrijvers gebruikt werden om over bijvoorbeeld de koningentijd te schrijven niet altijd betrouwbaar zijn geweest. Ook kan het zijn, dat de ooggetuigen, die Lukas gehoord heeft, bij het schrijven van zijn evangelie sommige details niet meer helder voor de geest hadden en hem daardoor van informatie voorzagen die niet altijd nauwkeurig was.
Evenals in het vorige artikel wil ik door deze voorbeelden aangeven, dat een belijdende basishouding niet tot een dusdanig bevooroordeelde houding hoeft te leiden, dat open schriftonderzoek onmogelijk wordt. Opnieuw wil ik daaraan echter iets toevoegen. Mijn vertrouwen in de Auteur van de Bijbel is zo groot, dat dat er niet door beschaamd wordt, indien een vergelijking van 'de feiten' en hetgeen in de Bijbel geschreven staat, in het nadeel van de Bijbel uitvalt. De geloofwaardigheid van de Bijbel hangt wat mij betreft niet af van de vraag of aan alle feiten recht wordt gedaan. Gesteld bijvoorbeeld dat ooit aangetoond zou kunnen worden - hetgeen met een zekerheid van 99,99% nóóit gebeuren zal! - dat Jozef geen directe afstammeling van David was, dan zou mijn vertrouwen in de hemelse Vader daarmee niet geschokt zijn. Ik zou - ik geef toe, het is ontzettend simpel - denken, dat deze geslachtslijn blijkbaar de bril is, die Hij op onze neus wil zetten om daardoor naar Jezus te kijken. Zo IS Jezus.
Samenvattend: aan de relatie tot de Heilige Schrift ligt een relatie tot God de Vader ten grondslag, en op die vertrouwensrelatie is het lezen en luisteren naar de Heilige Schrift gefundeerd, méér dan op de historiciteit van de Bijbel.
De betekenis van archeologie
Wat nu kunnen we zeggen over de aard van de bijbelse geschiedschrijving? Hoe betrouwbaar is ze, ... naar de maatstaf van onze tijd?! Wat is het eigene daarvan? Pieter van Kampen legde - als enige - de nadruk op de betekenis van de archeologie voor dit vraagstuk. Hij was van mening .dat de vondsten van Archeologie, Assyriologie en studie van andere Semitische talen dan het Hebreeuws zeker niet 'verpletterend' zijn voor gelovigen' (Opbouw, 41 e jrg. nr. 11, pg. 208).
Omdat verder niemand hierop is ingegaan, lijkt het me wel billijk, dat ik daarop toch reageer. Net als Van Kampen, ben ik echter absoluut geen specialist op dit vakgebied en moet ik geheel op gezag van anderen spreken.
Desondanks deel ik zijn algemene indruk wel. Het is onmogelijk om van alles wat uit de bodem van het Oude Oosten wordt opgegraven te beweren, dat het tegen de betrouwbaarheid van de Bijbel pleit. Sterker, de grootse hypotheses omtrent het wordingsproces van de Bijbel, die op basis van literaire argumenten waren opgebouwd, kwamen vanwege de archeologische vondsten op losse schroeven te staan. Het evolutionistische geschiedenisbeeld dat bijvoorbeeld Julius Wellhausen(1844-1918), één van de grondleggers van de bronnentheorie (J,E,D en P), zich van de geschiedenis van Israëls godsdienst gevormd had, moest onontkoombaar herzien worden. 2) Boeiend is ook, dat enkele (stukken van) gedenkzuilen, die deze en de vorige eeuw gevonden zijn goed passen in het beeld dat in 1 en 2 Koningen van de koningentijd gegeven wordt. Zo meldt de beroemde Mesa-stèle 3), een gedenksteen, die koning Mesa van Moab vermoedelijk tussen 850 en 835 v. Chr. voor zichzelf heeft opgericht, dat hij Moab heroverd heeft op Omri en zijn zoon (vermoedelijk te interpreteren als kleinzoon).
Hier ligt een overtuigende en directe link met 2 Kon.3:5 en het is niet teveel gezegd, dat in de stèle van Mesa een direct bewijs van de betrouwbaarheid van dit stukje bijbelse geschiedschrijving gezien magworden. Van bijzonder belang is ook de zeer recente opgraving van een inscriptie in Tel Dan 4), die daar door een Arameese koning geplaatst is. Op de steen staat, dat de betreffende Arameese koning de koning van Israël gedood heeft; ook komt de bekende Arameese konings naam Hadad erop voor. Over wie het in de tekst van deze steen precies gaat, kan nog niet gezegd worden, maar de inscriptie zelf past goed in de tijd dat er tussen Juda, Israël en Aram permanente spanningen waren (zie 1 Kon.15: 18-20; 20:1-34; 1 Kon.22:1-40; 2 Kon.5-8). Het buitengewoon boeiende echter is, dat op deze steen vrijwel zeker ook van 'het huis van David' gesproken wordt. Dit is van belang, omdat niet eerder andere buiten-bijbelse bronnen gevonden zijn, die het bestaan van koningen als David en Salomo bevestigden. Het gevolg: sommige geleerden meenden, dat David en Salomo en hun rijk niet anders waren dan theologische fictie ... Opnieuw een bevestiging dat van de archeologie zeker niet gezegd kan worden, dat die tégen de betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedschrijving pleit.
Keuze voor een literaire benadering
Toch denk ik om verschillende redenen, dat we voor het bepalen van de aard van de bijbelse geschiedschrijving aan dergelijke gegevens wel iets, maar lang niet alles hebben. De hoeveelheid archeologisch materiaal die rechtstreeks en aantoonbaar in verband gebracht kan worden met bijbelse gegevens is uiterst schaars.
Schriftelijke buiten-bijbelse bronnen die bijvoorbeeld de Uittocht uit Egypte en de Intocht in het land Kanaän bevestigen zijn er niet. Het materiaal dat er is, is dikwijls zeer fragmentarisch, hetgeen tot gevolg heeft dat de interpretaties van de gegevens onontkoombaar uiteenlopen. Tellen we al deze onzekerheden bij elkaar op, dan is het niet goed mogelijk om op grond van de archeologie tot algemene uitspraken te komen over de aard van de bijbelse geschiedschrijving. Het middel van de archeologie is te onscherp om het eigene van de bijbelse geschiedschrijving duidelijk te krijgen. Dé bron waarop we aangewezen zijn en blijven om iets werkelijk zinnigs over de aard van de bijbelse geschiedschrijving te kunnen zeggen is daarom de Bijbel zelf. En omdat buiten-bijbels vergelijkingsmateriaal in verreweg de meeste gevallen ontbreekt, zullen we moeten proberen achter de aard van de bijbelse geschiedschrijving te komen door Schrift met Schrift te vergelijken. Vanuit het zekere kunnen we dan suggesties doen voor het onzekere. In een laatste artikel hoop ik dit te doen.
Noten:
1. Zie K.R. veenhof. Geschiedenis van het oude nabije Oosten tot de tijd van Alexander de Grote. in Bijbels Handboek Deel 1. Kampen 1981. pg. 281- 285
2. Zie Hans-Joachim Kraus. Geschichte der historisch-kritischen Erforschung des Alten Testaments. Neukirchen-
Vluyn 19823. 298
3. Over deze tekst: C.H.J. de Geus. Koningsinscripties uit Moab uit de ge eeuw v. Chr .. SchriJvend Verleden.
Documenten uit het oude nabije Oosten vertaald en toegelicht. Leiden 1983. pg.25-31
4. Over deze inscriptie hield dr. K.R. Veenhof onlangs een verhandeling op een biJeenkomst die de kring. Oude Testament.
in de Chr. en Ned. Geref. Kerken onlangs had samen met het werkgezelschap Oude Testament van de GereJ Kerk (vriJg.). Meer informatie hierover in: C.H. J. de Geus. Een belangriJke stèle uit Tel Dan. Israël. Phoenix 41jrg. no.3. pg.119-130.