God leren kennen

2010-01-22
  • Jaargang 54
  • nummer 2
‘De hele hoofdinhoud van onze wijsheid, voorzover die althans als ware en deugdelijke wijsheid aangemerkt mag worden, bestaat eigenlijk maar uit twee delen: kennis van God en kennis van onszelf.’ Het is de eerste, beroemde zin uit de Institutie (zie kader).
Calvijn voegt er aan toe dat dat kennen van God en van onszelf alles met elkaar te maken.
Het gaat dus van meet af om aan de relatie tussen God en mens!

In de nieuwste uitgave van de Institutie moet je eerst wel een vijftig pagina’s door om bij deze mooie eerste zin te belanden. De opening is aan de kerkhistoricus prof. Van ’t Spijker, die op een heel inhoudelijke manier de uitgroei van de Institutie volgt (in 1536 verscheen de eerste editie, in 1559 de laatste).

Een feest!
Daarna komt de vertaler van deze nieuwste Nederlandse uitgave (dr. C.A. de Niet) aan het woord met een korte, boeiende verantwoording van zijn aanpak. Kees de Groot typeerde de vertaling (in analogie met de NBV) als ‘doeltaalgericht’ - ‘De Niet vertaalt in mooi Nederlands. Ook de bladspiegel, lettergrootte en de annotaties maken het lezen voor mij tot een feest! Na allerlei dingen gedaan te hebben die “moeten”, gun ik mezelf als toetje van de dag vaak een stukje Institutie.’ De Niet zou er waarschijnlijk aan toevoegen dat hij ook echt ‘brontekstgetrouw’ heeft willen vertalen.
Vervolgens duik je met het korte ‘woord vooraf’ van Calvijn echt de 16e eeuw in. Je voelt de dreiging van die tijd, leest over de zwakte van Calvijns gezondheid en vooral zijn passie om dit grote boek de door hem gewenste vorm en inhoud mee te geven. Na deze drie intro’s ben je er nog niet, want ook in deze laatste en daarin definitieve uitgave van de Institutie liet Calvijn zijn pleidooi richting de Franse koning Frans I opnemen, waarmee hij ruim 20 jaar eerder ook al de dunne eerste versie van zijn boekwerk opende. Ook al was de vorst al in 1547 overleden!

Advocaat
Je hoort in dat persoonlijk gerichte ‘woord vooraf’ de jurist Calvijn als een advocaat pleiten voor zijn verdrukte geloofsgenoten. Daarin zit een sterk pastorale trek. Ik vond verder het aardige dat je in dat pleidooi al op door en door reformatorische gedachten stuit. Bijvoorbeeld op p.38 waar Calvijn de koning inhoudelijk wil prikkelen met de volgende passage: ’Wat past immers meer en beter bij het geloof dan te erkennen dat … wij slaven van de zonde zijn, zodat wij door Hem in vrijheid gesteld moeten worden? …Dat wij zwak zijn, zodat we door Hem ondersteund moeten worden? Dat we onszelf alle stof tot roemen benemen, zodat Hij alleen alle roem verkrijgt en wij in Hem zouden roemen?’ Naast zulke inhoudelijke momenten laat Calvijn de koning weten dat bij de ‘nieuwe leer’ onverdund uit de Schrift wordt geput en dat bovendien gewerkt wordt in hartelijke verbondenheid met de kerkvaders (zoals bijvoorbeeld Ireneüs en Augustinus). Verder benadrukt Calvijn dat de gereformeerden in politiek opzicht allerminst opruiend zijn. ‘Ook nu wij van huis en haard verdreven zijn, laten wij toch niet na om voor u en uw koninkrijk te bidden dat alles wel mag gaan’, zo schrijft balling Calvijn in de laatste regels van zijn traktaat.

Confronterend
Een van de eerste kanttekeningen, die ik maakte was dat ik Calvijn’s schrijven aan koning Frans de eerste toch vaak als confronterend en maar zelden als bruggenbouwend ervoer. Dat blijft de toon, ook als je doorleest in Boek 1. Calvijn wil overtuigen en pakt vaak flink uit, waarbij hij van de intellectuele vermogens van zijn opponenten geregeld niet te hoog opgeeft. Calvijn zegt ergens dat het ‘verspilde moeite is om zulke walgelijke aantijgingen nog uitvoeriger te weerleggen’ (p.100) en op andere plaatsen zet hij zijn opponenten in de hoek als ‘neuswijze critici’ en zelfs ‘honden met hun gifmuilen’. Tineke Plooy liet weten dat ze Calvijn’s manier van schrijven en van het bestrijden van tegenstanders vaak erg stellig vindt overkomen. Ze schrijft: ‘Ik werk onder andere als e-coach bij de EO; daar werken we met vraaggestuurde coaching: we stellen vragen aan de cursisten, om te ontdekken waar ze zich bevinden op hun levensweg; en dan proberen we vanaf dat punt hen een stukje verder te helpen in hun zoektocht wat betreft het geloof.’ Die aanpak is Calvijn inderdaad vreemd – als ik afga op de eerste 200 pagina’s.
Herman Schaeffer kon wel genieten van de pittige aanpak van Calvijn en vond het een verademing ‘om een ongegeneerde felle hartstocht te proeven voor Gods eer en een militante passie voor ons zuivere denken over Hem.’ Dat schrijft Schaeffer dan tegen de achtergrond van ‘het huidige kerkelijke en maatschappelijke klimaat, met zijn angsten voor al te grote zekerheden en zijn obligate belijdenissen van eigen twijfel en tolerantie’. Ook Agnes Beuving vond gedeeltes, waar Calvijn zijn tegenstanders er welbespraakt van langs geeft, ‘smeuïg leesvoer’, al had ze wel het idee dat ‘Calvijn extra hard sneerde, als het hem aan argumenten ontbrak’.
Blijft de vraag of Calvijn in de omgang met zijn tegenstanders niet meer bereikt zou hebben als hij in zijn benadering iets meer een e-coach was geweest.
En bij dat alles: we moeten ook niet doen of we in de 21e eeuw watjes zijn geworden – denk alleen maar aan de arena, die de Tweede Kamer bij vlagen is. En dan heb ik het nog niet eens over de ‘echte’ Arena!

Kennen van God
Dan naar dat gedeelte over het kennen van God en van onszelf, waarbij Calvijn inzet bij het eerste - ‘Zonder kennis van God is er geen kennis van onszelf’. Het gaat dan over de twee wegen waarlangs we God kunnen leren kennen. Dat zal voor de meeste Opbouwlezers geen onbekende kost zijn, want Psalm 19 komt al met die tweeslag en menig Nederlands Gereformeerde zal het vroeger geleerd hebben uit de Nederlandse geloofsbelijdenis: ‘Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek … Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door zijn heilig en goddelijk Woord …’
Er zijn allerlei lagen in dat kennen van God. Het besef ‘dat er ergens wel iets is’ zou Calvijn veel te weinig zijn geweest. Het gaat hem om het kennen van God in vertrouwen en eerbied, maar ook daarbinnen onderscheidt hij. God als je Maker ervaren is één ding, maar dieper is het ‘om de genade van de verzoening te omhelzen die ons in Christus voorgesteld wordt.’ (p.58) Hoe zit het bij ons met de liederen die in onze doopdiensten gezongen worden, zo dacht ik even in een flits.

Complicaties
Belangrijk (en herkenbaar) is dat de weg om God te leren kennen niet zonder voetangels en klemmen blijkt te zijn. De zondeval heeft onze antenne om signalen van God op te vangen, danig beschadigd. Komt er nog wel iets door denk je soms al lezend in dat eerste Boek?
Toch benadrukt Calvijn dat we uit de schepping de grootheid van de Maker kunnen aflezen -
waarbij je van de reformator heel dicht bij jezelf mag blijven om je te verwonderen over wat God aan gaven aan jou als mens heeft meegegeven. Zowel Agnes als Tineke vroegen zich trouwens af of de natuur bij veel van onze tijdgenoten wel zoveel gevoelens richting God losmaakt.

Schrift
Maar zelfs wie bij de schepping religieuze gevoelens krijgt, kan niet zonder de Schrift om God werkelijk te leren kennen. Het is aardig om te zien dat Calvijn stevig in de weer is om de betrouwbaarheid van de Schrift te onderbouwen – Hans Burger had die aanpak liever minder formeel en meer inhoudelijk gezien – toch is diepste laag dat ‘niet het menselijk gezag, maar het verborgen getuigenis van de Geest zekerheid geeft’ zoals Kees de Groot ergens schreef.
En dan moet ik stoppen vanwege de ruimte. Volgende keer onder andere over Gods voorzienigheid of ook de vraag – waarom zo’n verkrot eiland als Haïti ook nog eens door een aardbeving wordt getroffen!

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK van Amersfoort-noord en is redacteur van Opbouw.

Lezen met de club van tien

In de komende maanden lezen we met een aantal mensen de nieuw vertaalde Institutie van Calvijn door (zie www.institutiecalvijn.nl/). Onze oproep in november bleef dus niet zonder respons, al moet wel worden gezegd dat vooral predikanten zich hebben aangemeld voor deze exercitie. Het aardige is wel weer dat behalve de Nederlands Gereformeerde voorgangers Kees de Groot (Zeelwolde), Herman Schaeffer (Heerenveen), Richard Vervoorn (Maastricht) en Gerrit Zwarts (Breukelen) ook twee Gereformeerd Vrijgemaakte predikanten met ons meelezen: Hans Burger (Franeker) en Roel Prins (Buitenpost). Minstens zo aardig is ook dat de twee niet predikanten vrouwen zijn, te weten Agnes Beuving-Amelink en Tineke Plooij-Van Wageningen. U hoort ze niet alle tien in deze eerste aflevering, maar gaandeweg komen ze wel aan het woord.
Wie trouwens af en toe een etappe meeleest - zie de Opbouw van 4 december 2009 (54-24 voor een overzichtje) - kan zijn of haar leeservaringen natuurlijk ook opsturen. En reacties op de artikelen stellen we ook zeer op prijs. Het kan allemaal naar: calvijnlezen@opbouwonline.nl.

De opbouw van de Institutie is eenvoudig. Het werk bestaat uit vier Boeken, die opgezet zijn volgens het Credo. Boek één gaat over God de Vader (schepping), Boek twee over God de Zoon (verlossing), Boek drie over de God de Heilige Geest (vernieuwing) en het vierde over kerk en sacramenten.

Daniel Timmerman (Breukelen)
Freddy Gerkema (Amersfoort)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief