Hopen tegen de klippen op

2010-01-22
  • Jaargang 54
  • nummer 2
Er is een mythe die vertelt dat Zeus, de Griekse oppergod, aan de mensheid een vat schonk dat gevuld was met allerlei rampen. Als deze doos gesloten bleef, zouden deze ongelukken de mensheid bespaard worden. Maar een vrouw, Pandora, kon haar nieuwsgierigheid niet beheersen en ze opende het vat. Alle rampen kwamen eruit en verspreiden zich over de mensheid. Geschrokken deed Pandora het vat dicht. Het enige wat in het vat bleef was de hoop.

Dit verhaal wordt gebruikt om moed uit te putten. Wat er ook gebeurt, ergens zal er toch nog wel hoop zijn. En hoop doet leven, nietwaar? Toch is dat een schrale troost, want niemand kan weten of de hoop die we voor de toekomst hebben een gegronde hoop is of een ijdele hoop.

Bedrog
De Bijbel vertelt ons van mensen die hoop hebben. Hoop, dat de toekomst beter zal zijn dan het heden. De oude vader Jakob, waarvan we lazen, is er één van. Hij had in zijn leven wel gemerkt dat het leven op aarde bepaald niet via de Koninklijke weg ging. Van alles ging er mis: samen met zijn moeder bedroog hij zijn vader en broer. Daarop moest hij vluchten voor de dreiging van zijn broer. Vervolgens werd Jakob zelf door zijn schoonvader bedrogen - in zijn huwelijksnacht. En heel veel jaren later misleidden zijn zoons hem toen ze met de bebloede mantel van Jozef aan kwamen zetten. Kortom, zijn leven was gestempeld door leugen en bedrog.

Toch hoop
Toch was zijn leven niet zonder hoop. Dat merk je als Jakob naar Egypte is getrokken, omdat Jozef toch nog leefde en zelfs de macht had om zijn hele familie te redden van de hongersdood. Als daar Jakobs levenseinde nadert wil hij zijn zoons toespreken. Dat alleen al is bijzonder. Een man die mee heeft gemaakt wat hij meemaakte kan ook verbitterd zijn tot de dood; of cynisch door wat het leven hem had aangedaan. Maar dat is bij Jakob niet het geval. Realistisch, dat is hij zeker. Want hij windt er geen doekjes om dat sommige wegen van zijn kinderen doodlopende wegen zijn. Dat ze geen mooie toekomst tegemoet zullen gaan.

Vloek en zegen
Het gedeelte dat we hebben gelezen staat bekend als de zegeningen van Jakob aan zijn zonen. Maar het lijken soms meer vervloekingen. ‘Ruben, je hebt je vaders bed beslapen. Jij zal, hoewel je de oudste bent, de voornaamste niet zijn.’ Simeon en Levi krijgen het helemaal voor de kiezen: ‘met jullie plannen wil ik niets te maken hebben, vervloekt is jullie woede, vervloekt jullie razernij.’ Vergezichten houden blijkbaar niet altijd een zegen in.
Is hij dan toch cynisch en wrang geworden? Nee, als zijn leven langzaam uitdooft, zien we dat er een lamp van hoop in zijn binnenste brandt. Dat horen we in wat hij over Juda zegt:
‘Juda, jou zullen je broers bejubelen, sterk als een jonge leeuw ben jij.’ En hij spreekt over de toekomst van Juda in messiaanse termen. Je wijnstok zal zoveel opbrengen dat je gerust je ezel ervan laat eten. Het is één en al overvloed wat Jakob uitspreekt over Juda.

Beloofd
Hoe komt hij daar nu bij om dat te hopen? Het lijkt op de doos van Pandora, waar alle ellende zich lijkt te hebben uitgestort over een aantal zoons, maar dat Juda nog de enige is die hem hoop geeft. Is het een ijdele hoop van Jakob, is het hopen tegen beter weten in? Is het te vergelijken met de hoop van ouders, die soms, teleurgesteld door het leven, hopen dat hun kinderen wel waar kunnen gaan maken waar ze zelf niet geslaagd zijn?
De Bijbel is heel eerlijk en geeft ons aan wanneer hoop inderdaad ijdele hoop is. Je hoop vestigen op rijkdom, dat is tevergeefs, zegt Gods Woord. Je hoop vestigen op politieke machten - ook al zo’n vergeefs iets. Aan de andere kant zien we ook voorbeelden van gegronde hoop. De hoop van Jakob was daar een voorbeeld van. Het was niet hopen tegen de klippen op, maar hopen op grond van wat God beloofd had.
Er waren grote beloften gegeven aan Jakob, aan zijn vader Isaäk en zijn opa Abraham. Die beloften waren steeds betrouwbaar gebleken, dwars door alle ellende die Jakob had meegemaakt heen. En op die beloften van God vestigt hij nu zijn hoop. De Koning komt, en het zal er ééntje van Juda zijn. De scepter zal in zijn handen blijven, de heersersstaf tussen zijn voeten.
Hoe wist hij nu dat het via Juda zou gaan gebeuren? Dat is het wonder van profetie. Dat God soms zijn perspectieven aan mensen laat zien, die daarvan gaan vertellen. Dat God tegen Jakob zegt: nu heb ik je zoveel beloofd, maar er is maar een deel van uitgekomen. Maar kijk eens, ik laat je even verder kijken dan je leven lang is. Kijk eens wat er nog komt! En de oude man zegt, terwijl hij zijn kinderen toespreekt: ‘Op uw hulp hoop ik, Heer!’ U moet het wel zelf doen, want ik kan het niet meer.

Leeuw contra cynisme
Wij zien nog niet zoveel van de Koning die koninklijk komt. Het Griekse godenverhaal met de doos van Pandora, waarmee allerlei ongeluk over de mensheid is uitgestort, lijkt soms meer waar te zijn dan de woorden van Jezus, de Zoon van Juda, dat het Koninkrijk is aangebroken met zijn komst.
Maar laat u hetzelfde gebeuren als Jakob. Hij werd niet cynisch en de hoop bleef in hem leven. Het was gegronde hoop, gebaseerd op de beloften van God en op het profetische uitzicht dat God hem gaf.
Wij weten dat de zoon van Juda inderdaad het koningschap heeft ontvangen. En dat hij sterk is als een Leeuw. Je mag blijven hopen op Hem in de grootste nood en de moeilijkste omstandigheden. Gegronde hoop, want we richten ons niet op een utopie, maar op Jezus Christus. De Leeuw van Juda.

Bovenstaande meditatie over Genesis 49:1-12,18 werd op 6 december voor de NCRV-radio gehouden en is in licht gewijzigde vorm opgenomen in deze Opschrift.

Drs. Dick Lagewaard is predikant van de NGK Veenendaal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief