Oud-Israël tussen feit en fictie (1)
2000-10-13
Eind vorig jaar trok de Israëlische archeoloog Herzog de aandacht met zijn publicaties die erop neerkwamen dat volgens hem het Oude Testament tegen het licht van de archeologische vondsten goeddeels als vrome verzinsels moest worden beschouwd.We vroegen dr. H.G.L. Peels, hoogleraar Oude Testament te Apeldoorn, om hier zijn licht over te laten schijnen.- Jaargang 44
- nummer 21
De redactie is hem erkentelijk, dat hij bereid was hierover te schrijven voor De Wekker en Opbouw samen.
Een probleem, hoezo? Natúúrlijk is het allemaal waar wat er in de Bijbel staat: feit, en geen fictie. Bijbeltekst, geschiedenis en feitelijkheid liggen voor ons doorgaans op één lijn.
Daarom doet het ons ook een groot genoegen, wanneer we door de pers worden geïnformeerd over opgravingsresultaten die de waarheid van de Bijbel lijken te bevestigen. Maar als het tegendeel het geval is, wat dan...?
Spannende vondsten
Met de regelmaat van de klok verschijnen in de krant berichten over archeologische vondsten. Interessant en soms zelfs spannend. Als deze vondsten ook nog eens op een of andere manier met de Bijbel in verband gebracht worden, is onze aandacht helemaal gegarandeerd. Laten we iets weergeven van de oogst van het afgelopen halfjaar (bron: dagblad en/of internet):
- 28 maart: ‘De Amerikaanse Egyptoloog Kent Weeks heeft recent ontdekkingen gedaan in de Vallei der Koningen in het zuiden van Egypte, die een mogelijk bewijs vormen voor de bijbelse geschiedenis van de tien plagen’.
- 29 maart: ‘De resten van de bijbelse plaatsen Sodom en Gomorra liggen op de bodem van de Dode Zee. Dat is althans het sterke vermoeden van enkele wetenschappers op grond van recent onderzoek. Met een speciaal onderwatervaartuig daalden ze af naar de bodem van de Dode zee.
Daar vonden ze enkele heuvels, die naar hun mening de restanten van oude nederzettingen moeten herbergen'.
- 13 september: ‘Onderzoekers van de universiteit van de Canadese stad Calgary denken dat zij in het noorden van Jemen de resten van de tempel van de koningin van Sheba hebben blootgelegd. Het gaat om de Mahram Bilqis of Tempel van de Maangod’.
- 15 september: ‘Onderzoekers hebben voor de kust van Turkije overblijfselen gevonden van een 7500 jaar oude beschaving die door een grote overstroming is vernietigd. De vondst zou het bewijs leveren voor de geschiedenis van Noach die in het bijbelboek Genesis wordt beschreven’.
De Bijbel 'bewezen'?
Kijk, zulke berichten in de krant doen ons goed, want wij zijn gehecht aan de feitelijkheid en de historiciteit van wat de Bijbel ons vertelt. Toch moeten we nogal eens dit soort ‘ontdekkingen’ met een korreltje zout nemen, zo blijkt achteraf.
‘Ontdekkersvreugde’ kan wetenschappers parten spelen. Voorbeelden te over van al te gretige conclusies op het terrein van opgravingen! Bij heel wat kerkmensen staat thuis in de boekenkast het boek van Werner Keller, De Bijbel heeft toch gelijk, dat indertijd een verkoopsucces was. Maar het boek wemelt van al te snelle conclusies die archeologische en bijbelse gegevens rechtstreeks combineren.
Bovendien, heeft de Bijbel het echt nodig om door ons en onze wetenschappelijke inzichten ‘bewezen’ te worden? Maar goed: als de archeologie de historiciteit van de bijbelverhalen ondersteunt, kunnen we daar alleen maar blij mee zijn.
Een schokkend artikel
Daarom was het voor veel kerkmensen wel even schrikken, toen ze eind vorig jaar kennis namen van het artikel dat de Israëlische archeoloog Ze'ev Herzog in het Israëlische nieuwsblad Ha'aretz Daily had gepubliceerd.
Meer nog: het veroorzaakte in Israël een kleine aardbeving, met naschokken in Nederland. Het stof is weer gaan liggen, die professor Herzog heeft immers ook niet het laatste woord. Maar veel vragen staan nog steeds open. Wat beweerde Herzog, en hoe moeten wij als (gereformeerde) christenen over zijn visie oordelen?
Geen feit maar fictie
Het dagblad Trouw was er snel bij om het geruchtmakende artikel van Herzog in vertaling over te nemen, onder de titel ‘Archeologen ondergraven fundamenten van volk Israël’ (29 oktober 1999). Een pakkende titel, want hier komt het wel op neer.
Herzog beschrijft hoe een oudere fase in de Palestijnse archeologie, waaraan een beroemde naam als die van de Amerikaan W.F. Albright verbonden is, definitief voorbij is. Albright was er nog vast van overtuigd dat de opgravingen het onbetwistbare bewijs zouden leveren voor de historische juistheid van de geschiedenis van het Joodse volk en zijn land. Dit is inmiddels passé.
Na zeventig jaar intensief graven zijn de meeste Israëlische archeologen tot opzienbarende conclusies gekomen: de Israëlieten waren geen slaven in Egypte, zij hebben niet door de woestijn gezworven en ze hebben niet het land Kanaän veroverd. Berichten hierover in het Oude Testament zijnzo hadden kritische oudtestamentici al in de vorige eeuw beweerd - pas honderden jaren later, tijdens de Babylonische ballingschap, op schrift gesteld, en eigenlijk waren ze grotendeels verzonnen. Een ideologisch gekleurde rechtvaardiging van eigen aanspraken of wensen, dus. En wat betreft de in het Oude Testament zo hoog geroemde periode van het Davidisch-Salomonische vrederijk: hier is archeologisch gezien in feite niets van terug gevonden. Het Oude Testament biedt de theologisch-
ideologische reconstructie van een gedroomd rijk dat alleen in de fantasie van later tijden een werkelijkheid was. In feite hebben David en Salomo, zo ze al ooit bestonden, de scepter gezwaaid over een klein stamgebied van geen enkele internationale betekenis.
Ook het beeld dat het Oude Testament van Israëls godsdienst geeft is geflatteerd. Het monotheïsme is pas in veel later tijd opgekomen, zo blijkt o.a. uit oude Hebreeuwse inscripties over het godenpaar Jahweh en zijn Asherah - men was in Israël blijkbaar vertrouwd met dit godenpaar.
Al met al is Herzogs visie helder: de archeologie toont almeer aan dat de historische ontwikkelingen en de organisatie van oud-Israël anders waren dan wat ons in de Bijbel wordt verteld - grosso modo geen feit, maar fictie.
Fabeltjesland?
Al met al, aldus dagblad Trouw, ‘bekende feiten in het wereldje van de archeologen, maar politiek en maatschappij in Israël willen er liever niet van weten’. Dit is waar. Voor ieder die enige kennis heeft van de wetenschappelijke literatuur op het terrein van de archeologie en de oudtestamentische wetenschap, kwam dit alles niet als een verrassing. Zo timmert bijvoorbeeld al jaren lang een aantal lieden aan de weg met de mening dat de oudtestamentische geschiedenis grotendeels het product is van laat-hellenistische historiografen, die o.a. Herodotus als lichtend voorbeeld hebben gehad. Men noemt deze geleerden wel ‘minimalisten’ of ‘revisionisten’. Enkele namen: P.R. Davies, T.L. Thompson, K.W. Whitelam, P. Lemche, e.a. Het grootste deel van de geschiedenis van Israël zoals die in het Oude Testament tot ons komt, wordt door hen ontmanteld als fantasie en ideologie. Zo bont maakt Herzog het nog niet. Maar ik heb wel begrip voor de journalist van de Apeldoornse Courant, die over deze zelfde zaak een artikel schreef (29/10/1999) onder de titel ‘Israëlische prof verwijst bijbel naar fabeltjesland’.
Laten we ons ondertussen niet vergissen.
Professor Herzog is geen fantast, geen hyperkritisch figuur, maar een gerenommeerd geleerde die zijn sporen op het terrein van de archeologie zeker verdiend heeft. Zijn publicaties hebben gezag. Hij is een integer en bekwaam wetenschapper die veel navolging krijgt. We mogen gerust aannemen dat het merendeel van de archeologen dezelfde lijn van denken is toegedaan. Al met al voldoende om stevig verontrust te raken.
Of niet?
Daarover de volgende keer.