Uit de donkere toren van Olmütz

1999-01-08
  • Jaargang 43
  • nummer 1
Twee weken geleden lieten we Paul Sprett achter in de donkere gevangentoren van de bisschopsstad Olmütz in Moravië, waar hij, op water en brood, bezig was met het dichten van een troostlied voor zijn gemeente. Nog eenmaal onderwijst hij hen, maar nu in liedvorm, in het evangelie van Gods vrije genade, nog eenmaal spoort hij hen aan God op zijn woord te vertrouwen. Hij weet dat hem de brandstapel te wachten staat, maar hij zingt: „Lieber Herre mein, dein Tod wird das Leben sein, du hast für mich bezahlet.”

Goede werken
Speratus zet in met de kern van de boodschap van de reformatoren, zoals Paulus het verwoordde (Efeze 2:8,9): „Door genade zijt ge behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.” En daar had hij het bij kunnen laten.
Maar dat deed hij niet, daarvoor was hij kennelijk te zeer een pastor. Hij had vermoedelijk wel dóór dat een karikatuur van dit evangelie bij mensen kan ontaarden in wereld- en wezensvreemde theorieën, waarbij het geloof als vervanging, als placebo, van het doen van gerechtigheid wordt gezien.
Ook Paulus zag die bui misschien al hangen, toen hij onmiddellijk op de hierboven geciteerde woorden liet volgen: „Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (cursivering van mij, niet van Paulus).
In het zesde couplet van zijn lied zingt Speratus: „Alleen hij is rechtvaardig voor God, die (de betekenis van) dit geloof verstaat; het geloof verspreidt een glans om zich heen, indien het de werken niet nalaat; het geloof maakt het goed met God, de liefde doet de naaste goed, wanneer je uit God bent geboren.” Prachtig gezegd; hoe vertaal je zoiets in een Nederlandstalig lied?
Ad den Besten geeft het in gezang 344 als volgt weer (4e couplet):

Want wie hier leeft op Gods gezag,
die is voor God rechtvaardig,
hij vindt zijn handen elke dag
tot goede werken vaardig;
als nieuw wordt rond hem het bestaan
en in hem vangt het voorjaar aan
van ’s Heren nieuwe aarde.

Den Besten vat hiermee ook de achtste strofe samen, waar Speratus schrijft: „Uit een waar geloof komen de werken gewillig tevoorschijn, want als de werken zouden ontbreken, zou het geen waar geloof zijn. Toch maakt alleen het geloof rechtvaardig; de werken zijn de knecht van de naaste: daaraan kun je merken dat iemand gelooft.” De goede werken als knechtje van de naaste: je kunt merken dat Sprett goed naar Luther heeft geluisterd, maar diens aversie tegen de ’strooien’ Jakobusbrief niet deelt: Jakobus (2:14-26) laat hij in dit couplet uitvoerig aan het woord. Zó uitvoerig, dat het nauwelijks meer poëzie kan heten; ik moet Den Besten toegeven dat dit op berijmde dogmatiek gaat lijken. Toch was het me lief geweest als hij, op poëtische wijze verwoord, wat meer van het gedachtengoed van Speratus in zijn vertaling had overgeleverd.

Gods woord zekerder
Dat geldt nog sterker voor het derde hoofdthema van Speratus’ lied. Zijn drie hoofdthema’s zijn:
1. Een mens wordt alleen gerechtvaardigd door geloof
2. Alleen een geloof dat in goede werken zichtbaar wordt, is echt
3. Alleen God en zijn woord zijn betrouwbaar
De vorige keer zagen we hoe Speratus zijn parochianen bemoedigde en inscheprte: „Gods woord kan niet bedriegen, God kan niet liegen!” „Daarom twijfel ik niet”, zong hij in strofe 5. In strofe 8 en 9 pakt hij dat thema weer op en werkt het verder uit:

Die Hoffnung wart’ der rechten Zeit,
was Gottes Wort zusage;
wann das geschehen soll zur Freud,
setzt Gott kein gwisse Tage.
Er weiss wohl, wanns am besten ist,
und braucht an uns kein arge List;
des solln wir ihm vertrauen.

Ob sichs anliess, als wollt er nicht,
lass dich es nicht erschrecken,
denn wo er ist am besten mit,
da will ers nicht entdecken.
Sein Wort lass dir gewisser sein,
und ob dein Fleisch spräch lauter Nein,
so lass doch dir nicht grauen.

Voor mij zijn dit gouden strofen! Maar dit Duits is nogal compact, dus laat ik eerst een poging tot vertaling wagen:

„De hoop wacht het goede moment af: (het moment dat God doet) wat zijn woord ons toezegt.
God zet niet in onze agenda op welke dag Hij het zal doen tot onze vreugde.
Hij weet wel welk tijdstip voor ons het beste is, Hij houdt ons niet voor de gek.
Daarom moeten we Hem vertrouwen.

Ook als het er de schijn van heeft, dat Hij níet wil,
schrik daar dan niet van!
Want Hij maakt ons niet bekend waarméé Hij het voor ons ten besten keert.
Laat zijn woord voor u zékerder zijn (dan de omstandigheden).
En ook al zou uw vlees alleen maar ’nee’ kunnen zeggen, laat het u dan niet doen huiveren.”

Bij dat laatste woord (huiver, afgrijzen) moet Speratus de brandstapel hebben gezien die hem te wachten stond, maar tussen dat beeld en zijn netvlies plaatst hij de Heilige Schrift met Gods beloften: daarmee slaat hij de rook en de vlammen in zijn hoofd van zich af. Ds. Eikelboom zei laatst in een preek: „God spreekt niet met dubbele bodem”. Speratus liet zich vallen op de ondubbelzinnige bodem van Gods woord. De laatste twee strofen van zijn lied bevatten een lofverheffing op God, die door zijn genade gaat vervullen wat Hij in ons begonnen is, waarna een berijming volgt van het Onze Vader, want Sprett wil zijn gemeente zoveel mogelijk meegeven.
„Telkens breekt in dit lied uit de gevangenis het krachtig geloofsvertrouwen door het didactische heen,” schrijft prof. dr. G. van der Leeuw1.

Reformator van Oost-Pruisen
Speratus hoefde voor ’vreugde’ niet tot de jongste dag te wachten. De Here had iets anders met hem voor dan een vroege dood. „Hij ontkwam ternauwernood aan de brandstapel, doordat machtige vrienden voor hem in de bres sprongen,” schrijft Ad den Besten2.
Twaalf weken (evenveel als zijn lied strofen telt!) na zijn gevangenneming is hij op weg naar zijn leermeester Luther in Wittenberg. Hij wordt Luthers eerst medewerker bij het dichten van reformatorische gezangen3. Als in 1523 de eerste reformatorische gezangenbundel, het Achtliederbuch, verschijnt, bevat het drie liederen van Speratus’ hand. Eén van de drie is natuurlijk: ’Es ist das heil uns kommen her’.
Twaalf weken water en brood hebben het evangelisch vuur bij Speratus niet gedoofd. Hij vat het plan op Oost-Pruisen voor de ’nieuwe leer’ te winnen: een plan dat Luthers goedkeuring verwerft.
De aanleiding hiertoe vormt de ontmoeting te Wittenberg met de grootmeester van de Duitse Orde, prins Albrecht uit het huis Hohenzollern, die twee jaar later de hertog van Pruisen zou worden. Ook deze prins was een leerling van Luther, werd in 1523 protestant en ook hij ontwikkelde zich tot dichter van reformatorische liederen.
Toen in 1547 zijn vrouw Dorothea stierf, nam hij Luthers uitleg van de derde bede van het Onze Vader ter hand en bewerkte die tot een lied dat tot vandaag toe algemeen bekend is: Wat mijn God wil, geschied’ altijd (Liedboek, gez. 403). Daarin treffen we dezelfde toon aan als bij Speratus: „Ja, ik beveel / mij Hem geheel / die met mij is begonnen. / Die mij geleidt / door dood en strijd, / Hij heeft al overwonnen.” Onder het beschermheerschap van deze machtige hertog zal Paul Speratus de reformator van Oost-Pruisen worden. Tot zijn dood in 1551 is hij de Lutherse bisschop van Pomesanië.

Gezang 344 (Den Besten)
In de Duitse gezangboeken kwam boven het lied van Speratus te staan: „Ein lied vom gesetz und glauben, gewaltiglich mit götlicher schrift verlegt.” Van der Leeuw schrijft: „Zoals de titel reeds aanduidt, heeft het een sterk dogmatische inhoud, de leer van de zaligheid uit het geloof zonder de werken wordt in extenso uiteengezet. Niettemin is het een echt kerklied, sterk, klaar en vol bezieling.” Ad den Besten is veel zuiniger in zijn beoordeling: „Speratus’ lied heeft niet het persoonlijke karakter en daardoor ook niet de innerlijke gloed van Luthers lied (402), – met andere woorden: het maakt een veel leerstelliger indruk. Dat is dan ook de reden, waarom ik besloot, géén min of meer getrouwe vertaling van alle veertien strofen te maken, maar een vrije weergave van Speratus’ thematiek in veel gecomprimeerder vorm. Dat zodoende min of meer onverhoeds mijn eigen thematiek met die van de zestiende-eeuwse dichter vervlochten raakte, wil ik niet ontkennen.
Met name de vierde strofe en het slot van de laatste vinden bij Speratus maar weinig steun. Desondanks heb ik niet het gevoel, dat ik Paul Speratus geweld heb aangedaan. Het is me, alsof het slot van mijn lied toch eigenlijk alleen maar de ontvouwing betekent van wat in kiem al bij hem aanwezig was.”4 Dat brengt ons tot de vraag: heeft Den Besten in zijn vertaling (Gez. 344 in het Liedboek) aan de drie bovengenoemde hoofdthema’s van Speratus’ lied recht gedaan? En is zijn eigen thematiek een „ontvouwing van wat bij Speratus in de kiem aanwezig was”? Het eerste en voornaamste hoofdthema bij Speratus is: een mens wordt alleen zalig door het geloof. Den Besten geeft dat weer in de eerste strofe: „’t Geloof ziet Jezus Christus aan.” De persoonlijke verbondenheid die door het geloof ontstaat tussen Christus en de christen, valt bij Den Besten weg: „Lieber Herre mein, / dein Tod wird mir das Leben sein, / du hast für mich bezahlet.” Wat naar mijn opvatting de kern van Speratus’ lied is, wordt door Den Besten (die het lied nota bene niet persóónlijk genoeg achtte) dus niet gehonoreerd. Jammer.
Speratus legt, net als de apostel Paulus, een direct verband tussen geloof en rechtvaardiging: „Er ist gerecht für Gott allein, / der diesen Glauben fasset.” Het woordje ’geloof ’, dat in Speratus’ lied het telkens terugkerende slagwoord is, raakt bij Den Besten wat ondergeschoven: „Om Hem rechtvaardigt nu de Heer / het leven van ons allen.” Ook als het om de goede werken (het tweede hoofdthema van Speratus) gaat, speelt het woord ’geloof’ de hoofdrol: ,,Die `Werk die kommen gwillich her / aus einem rechtem Glauben.” Bij Den Besten wordt dat: „Want wie hier leeft op zijn gezag, die is voor God rechtvaardig.” Terwijl Speratus de persoonlijke band met Christus als bron voor het doen van goede werken aangeeft, klinkt het bij Den Besten meer als een mandaat dat men ontvangen heeft van een afwezige Heer: ’leven op Gods gezag’.
Ook bij het derde hoofdthema wekt Speratus zijn gemeente op tot geloof: namelijk geloof in de betrouwbaarheid van Gods woord en zijn beloften daarin – tegen alle omstandigheden in! Ik vind het bijzonder jammer dat dit thema in Den Bestens vertaling geheel en al verdwenen is. Terwijl we deze notie in een tijd van wat men noemt godsverduistering zo bitter hard nodig hebben! Het was me een lief ding waard geweest als Den Besten zijn ’eigen thematiek’ voor een eigen lied bewaard had en Speratus op dit punt had laten uitzingen.
De eigen thematiek van Den Besten is dat van de menselijkheid, datgene wat de mens tot werkelijk mens maakt, wanneer deze zich niet laat leiden door de stem van de mythe (zoals onze Germaanse voorouders in de Edda), van de natuur, de bodem en het bloed, – kortom niet door zijn primitieve driften, maar door datgene in hem wat hoger is, namelijk zijn geest, zijn rede. Ik hoop dat ik zijn thematiek hiermee juist en eerlijk heb weergegeven: een thematiek die te maken heeft met Den Bestens ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, toen de oude Germaanse mythen, die van bloed en bodem, wraak en het recht van de sterkste, zich hoog oprichtten en de menselijkheid schonden en probeerden te doden. Maar wat moet deze thematiek in een lied uit de zestiende eeuw over de rechtvaardigmaking door het geloof? Wat zou Speratus zich hebben voorgesteld bij een zin als: „Onze menslijkheid (wordt) onthuld” (strofe 5)? En wat stellen wij ons voor bij zo’n zin? „Zij is in God voleindigd”, dicht Den Besten, en daarmee laat hij een echo horen op het slot van zijn tweede strofe, waar hij Christus „de mens van den beginne” noemt. Is de tweede Adam werkelijk de mens van den beginne, of gaat Hij daar door zijn goddelijkheid (waardoor hij niet kón zondigen) juist ver boven uit?
Deze thematiek is in ieder geval vreemd aan die van Speratus, bij wie de menselijkheid faalt en alle nadruk op Gods kwaliteiten valt.

Gezang 519 (Aanvullende bundel)
In het Evangelisch-Lutherse Gezangboek uit 1955 was reeds een vertaling van Speratus’ gezang te vinden (gez. 177). Het is van de hand van prof. Peter Boendermaker (1893-1977).
Over het algemeen zijn Boendermakers herdichtingen van gezangen uit de Duitse Reformatie van geringere kwaliteit dan die van Ad den Besten, maar Boendermakers gezang 177 vormt m.i. hierop een uitzondering. Niet in poëtisch opzicht (hoewel ook in dat opzicht zeer acceptabel), maar inhoudelijk en als vertaling. Bij Boendermaker zijn de drie hoofdthema’s van Speratus’ lied veilig. Hij geeft heel duidelijk het verband aan tussen geloof en rechtvaardiging en noemt het geloof als bron van de goede werken. Hij benadrukt, net als Speratus, de waarachtigheid van Gods woord. Waar Ad den Besten in zijn vierde strofe de nieuwe mens nogal idyllisch beschrijft, zingt Boendermaker van God die „de krachten rijklijk geeft die aan de mens ontbreken”, in de laatste regel nog eens onderstreept: „Gods kracht vernieuwt het leven”. De laatste strofe erkent de realiteit van verzoekingen van buitenaf en van binnenuit en daarom besluit hij, net als Speratus, met een gebed in de geest van het Onze Vader.
Als lid van de Nederlands Gereformeerde Gezangencommissie heb ik indertijd voorgesteld deze vertaling op te nemen in de Aanvullende Gezangenbundel 5 van onze kerken. Tot mijn verrassing reageerden de andere commissieleden onmiddellijk positief: „Dit is veel beter!” Gezang 344 werd alsnog uit de selectielijst geschrapt: wat mij betreft een te drastische maatregel, daar lang niet alle Nederlands gereformeerde kerken de Aanvullende bundel gebruiken. Bij ons in Rijswijk functioneert de bundel pas zo’n anderhalf jaar: in die tijd hebben we Speratus’ lied (gez. 519) al een aantal malen gezongen. Dat laatste is te danken aan het feit dat er weinig liederen zijn die zózeer de kern van ons geloof bezingen als dit gezang uit de donkere gevangentoren van Olmütz. Vooral na een catechismuspreek, waarin het onderwijs in de leer van het evangelie centraal staat, komt het lied vaak te pas, als antwoord van de gemeente.
Voor diegenen die de Aanvullende Gezangenbundel (nog?) niet in huis hebben (bij ons ligt het flinterdikke boekje achter in de kerk), is de tekst van het lied bij dit artikel afgedrukt. Ik wens u veel zegen als u het zingt!

Noten:
1. Dr. G. van der Leeuw: Beknopte geschiedenis van het kerklied, Wolters 1939, blz. 153. Citaat hieronder: blz. 152.
2. Compendium bij het Liedboek voor de kerken, blz. 778.
3. Dr. Cornelis P. van Andel: Tussen de regels, blz. 73.
4. Compendium, blz. 779.
5. Aanvullende gezangenbundel voor gebruik in de Nederlands Gereformeerde Kerken, samengesteld in opdracht van de Landelijke Vergadering, uitgegeven bij Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1994 (prijs: ± ƒ 7,–). De bundel bevat 40 gezangen: om verwarring met het Liedboek te voorkomen, is gekozen voor de nummering 501-540.

519 Het heil kwam van de hemel neer
naar: Es ist das Heil uns kommen her
Wijze: Liedboek 344 (15e eeuw)


1. Het heil kwam van de hemel neer
alleen door Gods genade;
de werken komen nimmermeer
ons menslijk heil te stade.
’t Geloof ziet Jezus Christus aan,
Hij heeft voor onze schuld voldaan
de Middelaar der zijnen.


2. God gaf aan ons zijn hoog gebod,
dat wij niet houden konden.
De mens verdient de toorn van God
en ’t oordeel om de zonde.
Maar God schonk van zijn hemeltroon
vergeving in zijn een’ge Zoon
aan wie zijn wetten schonden.

3. Nu kan geen twijfel meer bestaan;
zijn woord kan niet bedriegen.
God spreekt in onze nood ons aan, –
en Hij kan toch niet liegen – :
„Wie in zijn doopverbond gelooft,
hem is de zaligheid beloofd.
Hij is opnieuw geboren.”

4. Wie dit geloof ontvangen heeft,
diens leven wordt een teken,
dat God de krachten rijk’lijk geeft,
die aan de mens ontbreken.
Gehoorzaam gaat hij op Gods pad,
dat Christus vóór hem eens betrad.
Gods kracht vernieuwt het leven.

5. Wij weten, dat verzoeking wacht
en ons wil overwinnen;
de zonde loert bij dag en nacht
van buiten en van binnen.
O kom, Heer Jezus, maak ons vrij;
wij wachten op uw heerschappij.
Ons hart zegt daarop: Amen.

Paul Speratus (1484-1551)
Vertaling P. Boendermaker (1893-1977)
Uit : Aanvullende Gezangenbundel van de Ned. Geref. Kerken, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief