Een kwestie van temperament

1999-03-19
  • Jaargang 43
  • nummer 6
Om kwart over 8 fietst Marieke het schoolplein op. Ze zet haar fiets in de stalling, pakt haar tas en loopt naar haar vriendinnen toe. Om half negen fietst haar broer Tiemen het schoolplein op. Hij parkeert zijn fiets ’illegaal’ tegen de muur en rent de school in. Bijna te laat.....

Zo gaat het iedere schooldag. De moeder van Marieke en Tiemen heeft zich er bij neergelegd. ”Ik verander het toch niet. Tiemen komt altijd en overal bijna of helemaal te laat. Zijn kamer is altijd één grote puinhoop. Als ik er wat van zeg heb ik een probleem. Marieke heeft altijd haar werk af, ze is overal ruim op tijd, ze houdt haar kamer prima bij. Ze zijn gewoon verschillend en daar moet ik rekening mee houden.”

Wie is dit kind?
De ’gedragsstijl’ is al bij heel jonge kinderen goed te zien. De ene baby reageert ’voorzichtig’ op zijn omgeving, de ander reageert veel feller. De moeder van Marieke en Tiemen herkent dit gegeven. Ze voelt ook goed aan dat je een kind niet volledig kunt vormen zoals jij dat wilt. Opvoeden begint niet met sturen, maar met luisteren.
De meeste ouders voelen intuïtief al aan dat hun kinderen verschillend zijn. Al voor de geboorte kunnen sommige moeders het gedrag van hun kind min of meer voorspellen. Na de geboorte wordt dit nog duidelijker. In alle culturen zijn ouders ook geïnteresseerd in het toekomstige gedrag van hun kind. Soms krijgt het kind zelfs een naam die te maken heeft met de eerste indruk die de ouders van hun kind hebben.

Geschiedenis van het temperament
De belangstelling voor verschillen tussen kinderen heeft te maken met het temperament van het kind. Geen wonder dat dit begrip al heel oud is. De oude Grieken (Hippocrates) ontleenden het temperamentsbegrip aan vier lichaamssappen: bloed, gal, etter en zwarte gal. Daar komt ons begrip zwartgallig bijvoorbeeld vandaan. In de Middeleeuwen zag men het temperament als iets onveranderlijks: het is door God van tevoren bepaald hoe iemand ’in elkaar zit’. Rond 1700 dacht men dat het temperament te maken zou hebben met de samenstelling van het bloed (dun of dik bloed).
Mensen in warme landen zouden dunner bloed hebben en daardoor opvliegender van aard zijn.
In onze eeuw legde Kretschmer een verband tussen de lichaamsbouw van mensen en hun temperament. Hij maakte onderscheid tussen korte, dikke mensen (pycnisch), gespierde mensen (athletisch), en lange dunne mensen (leptosoom). Aan de hand van het uiterlijk van de persoon zou je dan zijn temperament kunnen bepalen.
Tot dan toe werd het denken over het temperament gekoppeld aan de lichamelijke ontwikkeling van mensen. In de loop van onze eeuw stapte men van dit lichamelijke gegeven af.
Bekend werd Heymans, die de eigenschappen ’emotionaliteit’ en ’activiteit’ en ’primair en secondair reageren’ met elkaar in verband bracht. Grote invloed had ook het onderzoek van Eysenck (1965), die onderscheid maakte tussen introverte en extraverte mensen. In de combinatie met stabiliteit/ instabiliteit zou dan het temperament bepaald kunnen worden.

Wat is temperament?
Uit de geschiedenis van het temperamentsbegrip kunnen we afleiden dat mensen steeds weer op zoek zijn geweest naar vastliggende eigenschappen van kinderen. Men wilde de ervaring die ouders hebben wetenschappelijk onderbouwen. Aan het doen en laten van mensen kunnen we 3 aspecten onderscheiden:
1) de capaciteiten: wat kan iemand en hoe goed doet hij het?
2) de motivatie: waaróm doet hij het?
3) het temperament: de manier waarop hij iets doet.
Als twee broertjes naar school fietsen, kunnen ze dezelfde motivatie en capaciteiten hebben, maar de manier waarop kan hemelsbreed verschillen.
Dat laatste heeft met temperament te maken.

Thomas en Chess
Baanbrekend voor het temperamentsonderzoek werd het werk van Alexander Thomas en Stella Chess. Vanaf 1956 volgden ze een groot aantal kinderen van de babytijd tot de volwassenheid.
Op die manier dachten ze te weten te kunnen komen wat in aanleg het hele leven een vast gegeven is, en welke eigenschappen van kinderen plooibaar zijn onder invloed van de omgeving.
Het boek De poppen aan het dansen van de hand van Eberhard Mühlan is op dit onderzoek gebaseerd (Kok Voorhoeve, 1998). Claudia en Eberhard Mühlan hebben 7 eigen en 6 aangenomen kinderen. Ze constateerden dat deze kinderen heel verschillende eigenschappen hebben. Het onderzoek van Thomas en Chess gaf hen inzicht in het temperament van hun kind en in de gewenste manier van reageren op ieder individueel kind.

Een eerste indruk
Thomas en Chess hebben op basis van hun onderzoek een uitgebreide vragenlijst ontworpen. Mühlan heeft, aan de hand van de temperamentseigenschappen die Thomas en Chess beschrijven, een -ook voor ouders gemakkelijk te hanteren- schema gemaakt. Daarop kunnen ouders aankruisen in hoeverre hun kinderen van elkaar verschillen. Ook kunnen opvoeders zien in hoeverre ze verschillend naar dit ene kind kijken. Het gaat om de volgende kenmerken, met daar achter een kenmerkende uitspraak:
1. Activiteitsniveau: ’als hij in bad is geweest is de hele badkamer nat’
2. Dagritme: ’ze wordt iedere ochtend op dezelfde tijd wakker’ 3. Contactueel gedrag: ’hij lacht altijd tegen vreemden’
4. Aanpassingsvermogen: ’ook in een vreemd bedje slaapt ze altijd direct’
5. Gevoelsdrempels:’zodra er een klontje in het eten zit, gaat hij kokhalzen’
6. Stemming: ’ze is overal tevreden en prettig gestemd’
7. Reactiesterkte: ’als het niet lukt, gooit hij direct de puzzel op de grond’
8. Afleidbaarheid: ’als het spelletje niet doorgaat, kun je haar gemakkelijk afleiden met iets anders’
9. Uithoudingsvermogen: ’hij kan maar een paar minuten met iets bezig zijn’.

Interactie
Thomas en Chess gaan uit van een interactionistische benadering. Daarmee wordt bedoeld dat het gedrag zich altijd ontwikkelt in een samenspel van erfelijke eigenschappen en factoren in de omgevingsfactoren. Mühlan schrijft dat het voor hem heel belangrijk was om tot dit inzicht te komen.
Een kind wordt erfelijk met bepaalde temperamentseigenschappen geboren, maar die eigenschappen kunnen door de opvoeding versterkt, maar ook afgezwakt worden. Wanneer je niet goed in de gaten hebt hoe je kind ’in elkaar zit’, hou je met die gegevenheid, aldus Mühlan, onvoldoende rekening. ”En zo ontdekten we dat we van een moeilijk op gang te brengen kind teveel verwacht hebben. Van een ander kind dachten we steeds dat ze ongehoorzaam was, maar nu moeten we onszelf corrigeren en erkennen dat het meisje een heel korte tijdsspanne van aandacht heeft.”

Temperament en gedragsstijl
Op basis van hun onderzoek kwamen Thomas en Chess tot 3 groepen kinderen.
Het zijn het gemakkelijke kind (regelmatig slaap- en eetpatroon, opgewekt, went gemakkelijk aan veranderingen), het moeilijke kind (krampachtig, logeren gaat moeilijk, eet-en slaapproblemen, went moeilijk aan vreemden) en het kind dat langzaam op gang komt (het kind is niet uitbundig in zijn reacties, past zich uiteindelijk wel aan). Een bezwaar tegen deze indeling is dat kinderen natuurlijk zelden helemaal in één van deze categorieën onder te brengen zijn. Daarnaast is de interpretatie van het temperament vooral een kwestie van de kijk van de opvoeder. Een gemakkelijk kind kan boordevol initiatief zitten, altijd opgewekt en bezig, maar daardoor juist moeilijk te hanteren voor sommige ouders.
Is de pasvorm van de opvoeding per definitie goed als het kind meegaand is? Vaak gaat het goed omdat het kind gewoon lekker in zijn vel zit. Maar er zijn ook valkuilen. Soms zijn kinderen meegaand, omdat ze bang zijn om de liefde van de ouders kwijt te raken (onveilige hechting). Helaas gaat Mühlan aan dit aspect voorbij. Waar hij terecht wel voor waarschuwt is dat een gemakkelijk kind eerder in de vergetelheid raakt omdat andere kinderen de aandacht opeisen. Daarmee doe je zo’n kind dus uiteindelijk toch tekort.

Schuldgevoelens
Als het niet goed gaat met de opvoeding, roept dat schuldgevoelens op.
Moeders van huilbaby’s kunnen daarover mee praten.... Maar ook later, als kinderen groter worden, gaan veel ouders gebukt onder schuldgevoelens.
Wat heb ik verkeerd gedaan? Maar, schrijft Mühlan, ”veel ouders gaan ten onrechte gebukt onder onnodige schuldgevoelens.” Noch de ouders, noch invloeden van de omgeving alleen bepalen de persoonlijkheidsstructuur van het kind. Kinderen zijn van jongs af aan verschillend. Het is veel gemakkelijker om een goed contact op te bouwen met een vriendelijke goedlachse baby dan met een huilbaby.
Met andere woorden: de start is al verschillend, de ene ouder moet veel meer moeite doen om met dit kind een goed contact op te bouwen dan de andere ouder met dat kind. Als jouw kinderen tot in de puberteit altijd gemakkelijk zijn, is dat nóg geen reden om te denken dat je beter opvoedt dan iemand in een gezin waar de kinderen altijd dwars zijn.

Beoordeling
Claudia en Eberhard Mühlan hebben inmiddels een groot aantal publicaties op hun naam staan. Al deze boeken bevatten een groot aantal opvoedingsadviezen.
De auteurs slagen er daarbij in om voor ouders goed leesbaar en praktisch te schrijven. Ze baseren zich o.a. op wetenschappelijk onderzoek.
Wie meer thuis is in pedagogische- en psychologische theorieën zal af en toe de wenkbrauwen fronsen: is het niet een beetje té populair? Baseert het echtpaar Mühlan zich niet teveel op één theorie? Waarom geen uitleg over de vraag wat temperament is? Het begrip komt nu zomaar uit de lucht vallen (de geschiedenis van het temperament en de vraag wat het temperament ongeveer inhoudt zijn in deze bijdrage uit andere literatuur toegevoegd aan de boekbespreking). Jammer is ook dat er in het boek geen literatuurlijst of verantwoording is opgenomen.
Helaas worden er soms voorbeelden genoemd die niet bij een leeftijd passen.
Baby’s en peuters rijgen zelden kralen en een kind op de basisschool kiest nog niet of hij ’s middags danwel ’s avonds brood of warm eet.
Eberhard Mühlan geeft aan dat hij een bijbels georiënteerd ouderschap nastreeft. Helaas laat hij in De poppen aan het dansen kansen liggen. De bijbelse oriëntatie omvat niet meer dan de uitgangspunten die het echtpaar ook al elders heeft verwoord. Juist in dit boekje zou hij nog een aantal bijbelse lijnen kunnen uitwerken. Denk eens aan Jacob en Esau: een tweeling met een heel verschillend temperament.
Lag dat aan de opvoeding?
Werden de twee jongens heel verschillend opgevoed? Of was er iets anders aan de hand? Ook de uniciteit van ieder kind had juist in deze publicatie een steviger fundering kunnen krijgen.
Jammer dat het taalgebruik af en toe aan de slordige kant is. ”Als een kind misbruikt wordt” heeft bijvoorbeeld in onze tijd een heel andere lading dan de vertaler en de auteur bedoelen (blz. 41).
Ondanks deze kritiek is De poppen aan het dansen een aardige publicatie geworden. Het boekje is voor de meeste ouders prima toegankelijk. Het laat zien dat opvoeden samenspel is.
Je moet als ouder niet alleen je kind kennen, je moet vooral ook jezelf kennen.

Naar aanleiding van: Eberhard Mühlan, De poppen aan het dansen!
Omgaan met verschillende karakters in het gezin. Kok Voorhoeve, 1998; 64 blz., ƒ 17,50.

Pasvorm
Thomas en Chess introduceerden binnen de opvoeding de term ’goodness of fit’. Iemand die een brede voet heeft, maar smalle schoenen koopt, omdat die nu eenmaal in de mode zijn, zal op die schoenen nooit lekker lopen.
Zo is het ook met de opvoeding.
Als een kind langzaam op gang komt, terwijl de ouders altijd haast hebben is er geen ’goodness of fit’: de pasvorm klopt niet. Het gevolg is dat het kind steeds dwarser zal reageren, terwijl de ouders steeds meer geïrriteerd raken. Zolang de ouders hun tempo niet aanpassen in de richting van het kind zal de opvoeding ’niet lekker lopen’.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief