Gast en gastheer
1998-06-12
Vertalingen die stuivertje wisselen- Jaargang 42
- nummer 12
Toen ik in het kader van het project ’vertaling van de bijbel in het Gronings’ gekomen was bij Op. 3, 20, deed ik een merkwaardige ontdekking. De laatste woorden van dit vers, dat ik hierboven in de NBG-vertaling liet afdrukken, („en maaltijd met hem houden en hij met Mij”) bleken in de oorspronkelijke Groot-Nieuwsbijbel als volgt te zijn weergegeven: „... en we zullen samen eten”. Men heeft daar dus de twee zinnen ’Ik zal bij hem eten’ en ’hij (zal) bij Mij (eten)’ samengesmolten. Maar in de nieuwe bewerking van deze vertaling (1996) is men op die weergave teruggekomen. Dáár lezen we weer – in overeenstemming met oudere vertalingen1 – „en we zullen eten, Ik met hem en hij met Mij”. Toen werd ik nieuwsgierig: wat zou de Willibrord, van welke vertaling we nu ook een eerste èn een tweede versie hebben, met dit vers hebben gedaan? Opmerkelijk genoeg bleek daar de gang van zaken precies omgekeerd te zijn geweest: Willibrord I heeft: „... zal Ik ... maaltijd met hem houden en hij met Mij”, Willibrord II daarentegen: „...en we zullen met elkaar aan tafel gaan”.
Verkorting in de weergave
Groot Nieuws I en Willibrordus II hebben kennelijk gemeend iets korter door de bocht te kunnen dan Johannes in de Griekse tekst heeft gedaan. Nu zijn er zonder twijfel plaatsen waar dat kan. Als voorbeeld zou ik willen noemen een plaats uit Paulus’ brieven waar deze apostel zélf in tweeder instantie zich korter uitdrukt dan de eerste maal, t.w. 2 Cor. 12. Daar lezen we in v. 2 (NBG): „of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het”. Maar in v. 3 heet het: „of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het”. In v. 2 zijn beide mogelijkheden, „in het lichaam” en „buiten het lichaam”, door Paulus afzonderlijk, in v. 3 daarentegen zijn beide mogelijkheden gecombineerd afhankelijk gemaakt van „weet ik niet”. Inhoudelijk maakt het echter geen verschil, of Paulus zich op de ene of op de andere manier uitdrukt.
Maar hoe ligt dat in ónze tekst? Als ik wel zie, kan men hier niet straffeloos ’inkorten’, en heeft Groot Nieuws er goed aan gedaan op zijn schreden terug te keren.
Rollenwisseling
Weliswaar proef ik hier niet zozeer wat Keulers2 schrijft: „De wederzijdse intimiteit wordt sterk uitgedrukt door het schijnbaar overtollige ’en hij met Mij’.”(Cursivering van mij, D.H.) Evenmin zou ik onderschrijven wat Greijdanus3 over de woorden ’en hij met Mij’ opmerkt: „Dat spreekt van het wederkeerige, en duidt de hooge eere aan, welke de Heere verleent aan degenen, die naar Hem hooren en Hem bij zich binnenlaten: in vrijen omgang, als op zekeren voet van gelijkheid, mogen zij met Hem verkeeren”. (Cursivering opnieuw van mij, D.H.).
Mijns inziens worden in deze toevoeging veeleer de rollen omgekeerd: van gast wordt Christus nu gastheer. Als wij Hem als gast aan onze tafel laten, worden wij op onze beurt als gast aan zijn tafel genodigd: nu reeds (bij wijze van voorproefje) aan de avondmaalsdis, straks aan het bruiloftsmaal van het Lam.
Deze opvatting vind ik bevestigd in de belofte die onmiddellijk daarop volgt (v. 21): „Wie overwint, hem zal Ik het voorrecht verlenen met Mij plaats te nemen op mijn troon”. Zoals Christus voor ons een plaats inruimt op zijn troon, zo reserveert Hij voor ons ook een plaats aan zijn tafel. De bedoeling van het ’schijnbaar overtollige’ slotzinnetje uit onze tekst zouden we m.i. kunnen omschrijven met een variant op een regel uit dat prachtige lied van Jaap Zijlstra (nr. 73 uit het Liedboek): „Dié Gast – Hij zal de Gastheer zijn”. En ik zou geneigd zijn het verrassende dat in deze wisseling van rollen schuilt, te markeren door stippels: „Ik zal met hem de maaltijd gebruiken ... en hij met Mij!”.
Noten:
1 Van de zes Nederlandse vertalingen, door prof. Grosheide in 1950 gebundeld uitgegeven, heeft niet één hier een verkorting toegepast. Evenmin heeft Anne de Vries dat gedaan.
2 Dr. Jos Keulers, De katholieke brieven en het boek der Openbaring, Roermond en Maaseik 1956.
3 Dr. S. Greijdanus, De Openbaring des Heeren aan Johannes, Amsterdam 1925.