Snippers uit Afrika
1999-03-19
Een voorzichtig stapje elenctiek in Afrika met Telder- Jaargang 43
- nummer 6
Niemand late zich door het wat suggestieve kopje misleiden alsof ik in mijn zendingswerk een complete Telder-leer zou hebben uitgedragen.
Maar wel heeft deze eerbiedwaardige broeder mij geholpen in de Afrikawereld met zijn levend-doden die om en in de hut actief blijven toezien op wat er onder ons, de levenden, alles plaatsvindt.
Door zijn boek (en al eerder door A. Janse) kreeg ik oog voor een bijbels aspect waarmee ik in Afrika uit de voeten kon. De eenheid van het mens-zijn naar lichaam en ziel. Dat noodzaakt je om na de dood naar het graf te kijken. Daar is de dode. Daar hebben we hem immers begraven. De Bijbel spreekt over in de grafkuil neergedaald, ontbonden zijn, ontkleed worden, bij de doden zijn, rusten in het stof des doods, in het graf zijn. Ik kon Telder op het vervolg van zijn reis niet volgen toen hij bij al deze uitdrukkingen bleef staan en het ”heen te gaan en met Christus te zijn” daarmee naar de toekomst verwees.
Nee, ik dacht dat het mijn eerste taak was om die griezelige lichaamloze doden van Afrika opnieuw te begraven, terug te brengen naar waar ze zijn, en dat is het graf. De mens is niet lichaamloos verdwenen of van zijn lichaam ontdaan.
Daar in het graf is mijn gebeente. Dat is in bijbelse taal heel wat meer dan wat botten (Karl Bornhäuser, die Gebeine der Toten).
Dat ben ik zelf. Dat plekje kent God.
Mijn identiteit is bij God veilig. En van dat vergeten plekje uit zal ik de stem van de Zoon van God horen.
Men vergete niet dat de fundamentele bijbelse hoofdstukken allemaal aan het lichaam gekoppeld zijn. De vleeswording, de kruisiging, de opstanding, de doop en het avondmaal. Probeer maar eens er iets zinnigs van te zeggen met uitsluiting van het menselijk lichaam! De Bijbel laat geen ruimte aan spiritualisten. Maar men verbinde de menselijke identiteit niet exclusief met de in het graf slapende mens, zoals Telder deed. Alsof er niets meer te zeggen zou zijn. Het meer-dan-hetgraf noemt de Catechismus naar oude wijsgerige terminologie de ziel die ”terstond na dit leven tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden”(Zd 22). Bij het woordje terstond moet je wel even nadenken. Dat is een tijdscategorie die op onze leefwereld van tijd wordt toegepast. Ik heb daarmee geen probleem omdat ik als mens niet anders dan in die categorie van tijd kan denken. Maar ben ik ”na dit leven” daaraan nog onderworpen? C.S. Lewis schrijft ergens dat tijd een mechanisme van God is om te verhoeden dat alle dingen tegelijk gebeuren.
Buiten onze tijd is er geen vroeger of later meer. Voor wie iets van K. Schilder gelezen heeft, klinkt dat niet onbekend. Is dat waar mag je dan voor na de dood als de mens uit de tijd gestapt is, naast terstond ook wel belijden straks?
”Waar zijn onze doden?”, zo luidde de titel van een door G.C. van Niftrik geschreven boek. Een bijbels antwoord kan alleen veel-zijdig zijn, zo laat hij de lezer horen. Zij zijn in het graf, met Christus, in de hemel, in het Paradijs, voor het aangezicht Gods.
Allemaal verschillende antwoorden die wij moeilijk bij elkaar kunnen brengen, maar die wel allemaal bijbels even waar zijn. Met welk pastoraal antwoord je in je bediening begint, hangt af van de situatie waarin je werkt. In Afrika met zijn wat spiritualistische geloof van levend-doden, nog geholpen door een Angelsaksische leer van de onsterfelijke ziel en de Roomse heiligen (zie mijn vorige Snipper), dacht ik bij het bijbels begin van het graf te moeten beginnen. In het graf èn geborgen in de Heer. Dat was wat mij betreft een voorzichtig stapje practische elenctiek in Afrika dat met Telder begon. Maar wel verder ging. In het graf en bij de Heer. Tot in het Paradijs.