Boekbespreking

1999-03-19
  • Jaargang 43
  • nummer 6
Rondom de evangelieprediking (1)
Wij willen nader ingaan op bepaalde dingen, die op de evangelieprediking betrekking hebben. Het is duidelijk, dat in de verkondiging van het rijke evangelie van Christus in de kerk de grootste beslissingen vallen. Dat zijn wij ons niet altijd bewust, noch op de kansel, noch in de kerkbank. Maar de kerkdienst is niet een knus onderonsje van mensen, die het nu eenmaal naar het heet zo uitnemend met elkaar kunnen vinden. O zeker, wij weten als het goed is ons op elkaar betrokken. En via de prediking van het evangelie, elke zondag weer opnieuw, aanvaarden wij ook onze verantwoordelijkheid voor elkaar. Maar dan is dat een zaak van de laatste ernst! Het gaat om dood en leven! Het draait om de keus voor of tegen de Christus!
De verantwoordelijkheid van de prediker Vanwege die laatste ernst kan de predikant het op de maandag wel eens benauwd krijgen. Hij kan zich afvragen: Heb ik het wel goed gedaan of had ik het eigenlijk hier en daar anders moeten zeggen? Een Gereformeerde Bonder heeft eens scherp opgemerkt, dat DE BEDIENING DER VERZOENING GESCHIEDT VOOR DE RECHTERSTOEL VAN CHRISTUS. Is de dominee niet een zwak en zondig mens? Heeft hij niet regelmatig last van vlees en wereld hoezeer hij zich soms verliezen mag in zijn ambtsdienst? Plaagt de hoogmoed hem niet? Heeft hij geen last van jaloezie als de gemeente in doorsnee vindt, dat zijn collega het er beter afbrengt? Geen zonde is hem vreemd.
Ook hij is vanuit zichzelf onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. In het leven van de prediker vervult de wandel, die het woord versiert, een onmisbare functie. In dat opzicht is de voorganger, de bedienaar van het heilig evangelie, wel bijzonder kwetsbaar! Calvijn hekelt de leraars, die met hun gepachte dogmatiek hooghartig menen, dat heel de wereld om hun preekstoel draait. Hij merkt op: „Die op de stoel van het gericht zitten: Het dunkt hun haast, dat de wereld om hen geschapen is, zo God hen niet weerhoudt door de Heilige Geest en laat zien, dat zij in alle zachtmoedigheid moeten wandelen. Want het zou beter zijn, dat zij bij het opgaan van de preekstoel de nek braken, als zij geen moeite doen de eersten te zijn in het wandelen naar Gods wil en in vrede te leven met hun naaste en te tonen, dat zij schapen zijn der kudde van onze Here Jezus Christus”.

Geen engelen
Toch heeft het God behaagd zwakke menselijke wezens te gebruiken voor de voortgang van zijn werk in deze wereld. De HERE had ook engelen kunnen gebruiken voor de hoge taak van de permanente verbreiding van de goede boodschap. En Hij heeft dat in het verleden ook gedaan.
Denk maar aan Kerst en Pasen terwijl de engelen ook bij de Hemelvaart van de Heiland een bepaalde functie hadden. Zij corrigeerden de blikrichting van de discipelen.
In de verwachting van Christus’ grote dag moesten zij hun taak hier beneden op aarde vervullen, biddend om de komst van de Heilige Geest als de beloofde Trooster.
De engelen zijn dus niet uit het patroon van de genoemde heilsfeiten weg te denken.
Maar op Pinksteren zoekt men tevergeefs naar een engel als bedienaar van het goddelijke Woord. Dan staat daar een eenvoudige visser zonder enige theologische opleiding de Schriften te verklaren.
Hij houdt een Pinksterpreek waarin niemand wordt gespaard, maar waarin tegelijkertijd iedereen wordt opgeroepen zijn hele leven te investeren in het gekomen en komende koninkrijk. En later wordt Paulus aangewezen om met zijn theologische kennis zich in te zetten voor de evangelieverkondiging in wereldperspectief.
Maar hij verbeeldt zich niets. Hij kan het feit, dat hij een vervolger van de gemeente van Christus is geweest maar niet vergeten en betitelt zichzelf in zijn eerste brief aan de gemeente te Corinthe als een misgeboorte.
Toch noemt hij zichzelf ook ergens EEN DIENAAR VAN DE HEILIGE GEEST! Niet, dat de Geest in hem opgesloten zit. Integendeel. De Heilige Geest hanteert Paulus als een uitgezocht instrument om velen te winnen voor Christus en zijn kerk. Zo werkt het Woord uit wat het verklaart. Wanneer God door de mond van zijn dienaar vergeving der zonden aanbiedt, ontvangt hij, die in het geloof naar dat Woord luistert, ook werkelijk vergeving van zijn zonden. Zo bezitten wij in de evangelieprediking een onvergelijkbare schat. Want dat evangelie is een zaad van het onsterfelijke leven.

O. Mooiweer, Enschede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief