Boekbespreking

1999-03-19
  • Jaargang 43
  • nummer 6
Een zeer aansprekend boek
Ds.Gert van den Brink uit Veenendaal is een graag geziene en gehoorde gastspreker bij de Evangelische Omroep.
Mijn collega Pim vd Hoff, met wie ik veel radioprogramma’s maak, heeft een en andermaal de loftrompet gestoken over series Bijbelstudies die hij met de emeritus-
predikant van Rotterdam gemaakt heeft. Zowel de serie over Mattheüs, die resulteerde in drie boekjes, die bij Buyten en Schipperheyn verschenen zijn alsook de recentere serie over de Brieven van Johannes werden door hem zeer positief beoordeeld. Ik ben geneigd het met hem eens te zijn. De eerstgenoemde serie van drie wat dunnere deeltjes heb ik al eens uitermate lovend besproken (Opbouw, 19 april 1996).
Over de Bijbelstudies n.a.v. De Brieven van Johannes, vorig jaar bij Kok-Voorhoeve, verschenen, in een wat groter een dikker boek, moeten we het nu hebben.
Een van de eerste dingen die ik lees in ds.Van den Brinks ”Ten Geleide” is een ontboezeming:”Ik moet tenslotte bekennen dat ik tot nu toe dacht, dat de Johannesbrieven enigszins eentonig waren. Nu ik erdoorheen gekropen ben, moet ik erkennen dat ik me daarin schromelijk vergiste.” Ook is naar de mening van de schrijver studie van die Brieven uitermate nuttig in onze tijd.
”De sterke opkomst van de zogenaamde neognostiek enerzijds en het gemis aan praktische en wederzijdse liefde van orthodoxe christenen (vooral blijkend uit de gebroken avondmaalstafels) anderzijds geven deze brieven naar mijn mening een enorme actualiteit.” (9,10) Zegt hij dat in het voorwoord, in de vastgelegde tekst van de radiolezingen gaat hij ook meteen daar beginnen. Wat betreft het al of niet eentonige karakter van de brieven, lees ik haast als eerste woorden de volgende:”We maken een begin met de bespreking van de Johannesbrieven.
Dat wordt een zware opgave. Niet omdat Johannes zo moeilijk schrijft. Zijn taal is simpel. Zijn woordenschat is smal. De drie brieven bevatten slechts 303 verschillende woorden, terwijl het hele Nieuwe Testament er 5437 telt. Maar wat Johannes in zijn eenvoud zegt, gaat zo hoog dat het bijna niet te bevatten is. Neem bijvoorbeeld de overbekende belijdenis: God is liefde, 4,16. Wie kan de diepte ervan peilen?” (11) Ik vind die eerste alinea van het boek kenmerkend voor zijn combinatie van informatie (”weetjes” zelfs) en warmte die voortkomt uit een diepe geloofsernst en -vreugde. Keer op keer wordt de lezer meegenomen naar de diepte van de woorden in deze brieven.
Niet per se naar hoogten die ons intellect moet zien te beklimmen, maar de diepten van goddelijke liefde en mededogen waarin ons hart rust mag vinden, zelfs ”ondergaan”.
De weergave van het andere genoemde punt, dat van dwalingen, is m.i. ook bijzonder zinnig. In slechts enkele bladzijden (13-19) weet Van den Brink aan te geven wat het huidige New Age-denken kenmerkt. Hij laat zich voor z’n analyse leiden door een aantal uitstekende gidsen (onze landgenoot Stefan Van Wersch & Douglas Groothuis, kind van naar de VS geëmigreerde Nederlanders), maar de geestelijke doorlichting en het plaatsen in het kader van de Brieven is weer helemaal zijn eigen bijdarge.
Alleen dat stuk wettigt m.i. al aanschaf van ’t boek, maar er komen nadien nog 200 bladzijden die we met profijt kunnen lezen. Steeds opnieuw laat de schrijver zich kennen als een kind van God die niet alleen de taalkundige of theologische aspecten van de tekst laat zien, maar al die kennis (die geregeld naar voren komt) ondergeschikt wil laten zijn aan het grote doel: dat de lezers begrijpen waar het Johannes om te doen is: de kennis van God in Christus! Waar de oorspronkelijke doelgroep die van luisteraars is, garandeert dat helderheid van stijl en bevattelijkheid van informatie. Dat er heel wat studie aan vastzit blijkt, zo al niet uit de tekst zelf, dan toch zeker uit de (veelvuldige) noten. Ik geef daarvan een paar voorbeelden: een citaat uit Van Wersch’ boek:”In de moderne gnostisch geïnspireerde literatuur, of het nu Hermann Hesse’s Naerziss und Golsmund is, of Gerard van het Reve’s privé-versie van de Maria verering, moet de Vader-God (en het begrip autoriteit waar hij voor staat) het afleggen, hetzij tegen het autonoom geachte menselijke Zelf hetzij tegen de Moedergodin hetzij tegen een combinatie van beide.” Twee vrij lange citaten uit ’t werk van de Duitse theologen Schlatter en De Boor, niet vertaald (allemaal op p.65 van het boek) geven aan hoe gedegen gestudeerd is. Tegelijkertijd ”draagt Van den Brink zijn kennis luchtig”. Lezers worden niet gedwongen zich door moeilijke stof heen te wringen om zicht op Johannes’ bedoelingen te houden. Zo hoort het ook.
De schrijver heeft zoveel in huis dat vakgenoten niet meteen de mening hoeven te hebben: er staat voor me toch niets nieuws in! Tegelijkertijd is de stof zo bevattelijk, indringend en integer weergegeven dat nagenoeg iedere lezer, van welke kennisniveau en inzicht dan ook, met profijt dit boek kan lezen.
Geen gering compliment voor de schrijver.
Ik hoop dat het boek met vrucht zal worden gebruikt door de vele lezers die ik het toewens.
G.van den Brink. De Brieven van Johannes. Kok-Voorhoeve Kampen ism de Evangelische Omroep te Hilversum.
1998. 215 pp.

P.J.van Kampen, Ede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief