Spinsels
1999-03-19
Geloofsmoed- Jaargang 43
- nummer 6
Jacco is vaker en erger bang is dan anderen. Dat blijkt overduidelijk als hij onderweg van school naar huis door een ’grote’ jongen in zijn gezicht wordt gespuwd. Jacco is zo bang dat dit nog eens gebeurd, en misschien nog wel iets ergers dat hij niet meer naar school wil.
Iedere ochtend hetzelfde drama: Eerst doet hij alsof hij nog slaapt, dan voelt hij zich niet lekker. Als hij dan eindelijk uit bed is, vindt hij dat hij best een keer thuis kan blijven. Waarom moet hij eigenlijk naar die school? Hij weet toch al genoeg? Als ook die argumenten niet het beoogde resultaat boeken, vraagt hij of ik hem dan weg wil brengen.
Natuurlijk zou ik dat graag willen, maar ik doe het niet. Het zou niet goed voor hem zijn. En het probleem wordt er niet door opgelost. Hij moet zelf gaan.
Na twee weken wordt het te gek, te meer daar de angst waarmee hij overdag leeft er ’s avonds uitkomt in de vorm van woedeuitbarstingen. Aarzelend doe ik hem een voorstel: ’Zullen we vlak voor je weggaat nog even samen bidden, om bescherming en durf?’ Het werkt beter dan ik had gehoopt.
Natuurlijk was mijn geloof weer te klein. Hoewel Jacco nog steeds bang is, gaat hij nu met veel minder problemen naar school. Hij zegt zelf met een zucht: ’Ik moet het er maar op wagen.’ Na een paar dagen vergeet ik het extra gebed. Ik kom daar pas achter als ik voor op straat sta om iedereen uit te zwaaien. Het is nogal druk want de riolering in de straat wordt vernieuwd, overal lopen mannen in oranje overalls.
Ineens staat Jacco pal voor mijn neus.
’Nog bidden’, zegt hij. En direct vouwt hij zijn handen en doet hij zijn ogen dicht. Terwijl de graafmachine achter ons gromt en we bijna ondersteboven worden gereden door een klasgenootje, bidt hij: ’God, wilt U mij helpen, dat er niets gebeurt en dat ik niet bang ben, Amen.’ Als hij wegfietst kijk ik hem na.
Dit kind dat zo ongelooflijk dapper is, in meerder opzichten.
Guurtje Leguijt, Alphen aan den Rijn