Liggen in de zon van Gods liefde
1999-04-02
Wim Jansen (geb. 1947, getrouwd en vader van vier kinderen) is sinds 1994 predikant van een Samen-op-Weggemeente te Enschede. Kort na zijn komst naar Enschede raakte hij door overwerktheid en zorg om een van zijn kinderen in een diepe crisis. Vorig jaar schreef hij daarover een aangrijpend boek, dat als volgt begint: „Wat ik wil vertellen is de noodzaak en rijkdom van de omgang met God. Ik heb ervoor gekozen dat te doen aan de hand van mijn persoonlijk verhaal: het verhaal van mijn crisis.” Hoewel het zijn verhaal is, gaat het niet om de schrijver.- Jaargang 43
- nummer 7
Het gaat werkelijk om God. Al met al maakte het boek zoveel indruk op me, dat ik besloot bij Wim Jansen op bezoek te gaan om er wat over door te praten.
Wim, uit je boek blijkt, dat je een gedeprimeerde trek hebt in je karakter.
Wat is dat?
Een gedeprimeerde trek hebben ...., het heeft bij mij met nostalgie te maken, blijven hangen in het verleden.
Rusteloze gedrevenheid ook: ’Dort ist das Gluck, wo du nicht bist’. Tegelijk een bepaalde overgevoeligheid, de onafheden van het leven heel sterk naar je toetrekken. Dat zit in mijn genen, maar tegelijk moet ik zeggen dat gedeprimeerd zijn volgens mij ook gewoon bij het leven hoort. Het leven biedt aanleiding tot gedeprimeerdheid, nu en dan. Is het niet normaal dat een puber in de losmaking van zijn jeugd en de dingen die hij achter zich moeten laten een tijdlang gedeprimeerd is? Een stukje rouw om wat geweest is. Zulke momenten keren in het leven terug. Zoals bij mij, in je midlife, als je beseft er is iets voorbij, er is een stukje dood en je komt iets dichter bij de dood. Dat is een fase van het leven, wals daar maar niet overheen.
Je bent ook een tijdlang depressief geweest ...
Ja, dat was tijdens mijn crisis, toen ik ziek was van overspannenheid. Ben je gezond, dan ben je in staat je gedeprimeerde gevoelens te analyseren en min of meer in de hand te houden.
Ben je overspannen, dan zijn je negatieve gevoelens losgeslagen. Ze komen met golven over je heen. Een gevoel van radeloosheid, reddeloosheid, een isolement dat met geen pen te beschrijven is.
Een in jouw geval ook niet geheel ongevaarlijk ziektebeeld ...
Een niet ongevaarlijk ziektebeeld, omdat het je werkelijkheid verschrikkelijk verkleurt. Je bent niets, je hebt voor je gevoel werkelijk alles verkeerd gedaan. Je gevoel van eigenwaarde wordt tot niets gereduceerd. En dat is zo uitzichtloos, dat je denkt ’Hier kom ik nooit meer uit.’ Ik zeg wel eens tegen mensen die mij -soms verwijtend, of niet begrijpendaanspreken op mijn verandering, mijn verdieping van geloof: ’Ik verwacht niet van je dat je overneemt wat ik zeg, maar neem het wel serieus, want ik ben dood geweest.’ Dat klinkt nogal dramatisch, maar ik kan het echt niets anders zeggen.
Jij verloor op een gegeven moment ook de greep op het leven door een enorme zorg om een van de kinderen.
Had je tot op dat moment dan greep op je leven?
Er waren voor mijn gevoel meer dingen maakbaar dan in werkelijkheid het geval is. Zeker ook in de opvoeding van de kinderen. Ik had al wel wat grip op mijn leven verloren door die depressie, liep in het pastoraat ook steeds sterker tegen mijn machteloosheid op, maar toen viel alles wat je onder controle dacht te hebben weg.
Je moest het gewoon allemaal loslaten.
Dat is een vreselijk angstig gevoel. Voor mij ook confronterend.
Theologisch leefde het bij mij: Het Koninkrijk Gods is voor een groot deel ’makeable’. De enige hand die God heeft zijn de mensen. Tijdens mijn crisis begon ik heel sterk aan mijn vader terug te denken, aan zijn geloof. Hij stond midden in het maatschappelijke en politieke leven en toch, de kern van zijn leven was: rusten in God. Hij had een piëtistische inslag. Wat je ook in de psalmen vindt: leven met de HERE. En Jacqueline van der Waals: ’Wat de toekomst brenge moge’.
Dat ben je een hele tijd kwijt geweest.
Ik ben het kwijtgeraakt tijdens mijn studie. Toen heb ik me dat activistische, rationele, analyserende geloof aangewend. Maar dat werd bevestigd doordat ik in de levensfase van de maakbaarheid zat. Tussen je dertigste en veertigste ben je ontzettend productief.
M’n studie gedaan naast m’n werk als hoofd van de school, benoeming op benoeming. M’n ster-race.
Een tijd dat je ook sterk bezig bent jezelf te bewijzen. Want behalve met God, was ik ook wel heel erg met mezelf bezig; iets van carrière maken in God. Ook ’ter rechterzijde’ komt dat voor .... Ik was zo bezig met mezelf uit te rekken naar mogelijkheden om de kerk aantrekkelijk te maken, het geloof aannemelijk te maken, dat ik mezelf helemaal uitgerekt heb naar de cultuur toe, aanknopingspunten zoekend voor dat oude verhaal. Maar dat oude verhaal was voor mij inmiddels toch wel gereduceerd tot een wat dunne, humanitaire theologie. Dat stukje waar het net om gaat, de relevantie van God en de nabijheid van God, was ik kwijt. Ik was wel serieus met God bezig, maar tegelijk nam ik Hem niet serieus. Kon nooit iets loslaten, overlaten, uit handen geven.
Mag je zeggen dat jouw geloof in de crisis geen bodem bleek te hebben?
Ik herkende me op een gegeven moment heel sterk in psalm 131.
Iemand die schrijft: ’Ik wandel niet in grootse dingen’, heeft een fase achter de rug waarin hij dat wel deed! De dichter moet terug naar de bron. God.
Hij moet leren rusten in God, ’als een pas gespeend kind bij zijn moeder’.
...
Door die impasse in je leven, ga je weer dingen ontdekken die je was kwijtgeraakt. Je hebt afgerekend met die ’oude waarheden’, bent een verlicht theoloog geworden, verafschuwt vastigheid als die van ’vaste rots van mijn behoud’. Geloven is tasten, meer niet. Huub Oosterhuis. En dan heb je daaraan niet meer genoeg. Zodra je werkelijk het onontkoombare, het structurele en algemeengeldige van de menselijke impasse ervaart, sta je voor de keuze: of je verwijst God definitief naar het land der projecties of je laat Hem werkelijk toe in je leven.
Maar dan ook als de levende, broodnodige God, van wiens ingrijpen jij afhankelijk bent. Je berust in de menselijke onmacht of je maakt ernst met God. En als je dit laatste doet, dan gaat Hij Zich ook aan je openbaren.
Dan komt Hij in je leven en haalt Hij je uit de impasse.
...
Een diepe betekenis heeft het ’leerstuk’ van de verzoening op Golgotha voor mij gekregen. Niet als leerstuk, maar als pastorale kracht. Toen ik Jezus’ woorden las van de balk en de splinter, voelde ik die balk van schuld overal, dwars door m’n hele leven heen. En dan kom je van die balk in je oog ’vanzelf’ bij de balk van Christus kruis: verzoening, vergeving, nieuw begin. Ik heb me er op rationele gronden zolang tegen verzet, maar het leven dwong mij om de noodzaak ervan in te zien. Als ergens sprake is van het menselijke bankroet, dan is het op Golgotha. Daar komt de menselijke onverzoenlijkheid radicaal aan het licht. En nergens anders wordt duidelijker dat we God nodig hebben.
God moet ingrijpen om deze failliete boedel van de mensheid te redden: Pasen.
Dat is de essentie van de orthodoxie; daarvan zou je jou een heel existentiele getuige kunnen noemen.
Als je het hebt over orthodoxie en vrijzinnigheid, moet je die termen eigenlijk eerst benoemen. Ik zal mezelf niet snel orthodox noemen, omdat aan die term ook iets kleeft van op puur rationele wijze aan leerstelligheden vasthouden.
Zelf vertaal ik het zo: God is groter geworden in mijn leven. De onontkoombare noodzaak van Gods ingrijpen in kruis en opstanding ben ik gaan beseffen en de realiteit daarvan.
Een realiteit die nog steeds doorgaat.
In die zin zou je me orthodox kunnen noemen, al ben ik bang voor het woord en zullen veel orthodoxen mij nog behoorlijk ’vrijzinnig’ vinden, bijvoorbeeld in mijn lezen van de Bijbel.
Terug naar de essentie van je boek: anderen iets te laten zien van de betekenis en rijkdom van de stille omgang met God, psalm 27. Je bent nu een paar jaar verder, hoe heeft het zich ontwikkeld?
Het heeft mij heel veel gegeven, voor mezelf, in het pastoraat vooral en in de verkondiging. Ik ben de Bijbel anders gaan lezen. Wat je eerst nooit zag, dat zie je nu voortdurend: de vele plaatsen van gebed en aanbidding en omgang met God. De dichters, profeten en ook Jezus leefden uit het gebed. Ik had het wel gezien, maar niet gepeild. Dat is een rode draad in de Bijbel.
Maar m’n dagelijkse leven is ook heel anders geworden. Het klinkt wat onbescheiden, maar ik kan veel meer aan.
Ik moet zelfs uitkijken dat ik niet in dezelfde val stap als vroeger, meer doen dan je aankunt, dat blijft een valkuil voor me ... Maar als ik me houd aan het ritme van de stille tijd, dan kan ik dingen toch veel beter hanteren. Ik begin met ’s morgens in de stilte te gaan, tot God. En dan ga ik eerst eens voelen hoe ik in m’n lijf zit.
Gespannen of niet. Wat heb je gisteren gedaan, wat staat er vandaag te doen.
Heb je daar een vaste plek voor?
Hier op de bank. De hond naast me.
M’n dagboek bij me en m’n Bijbel. Ik mediteer aan de hand van de psalmen.
Maar ik begin te voelen wat er door me heengaat. Ik laat gisteren en vandaag een beetje door me heengaan en schrijf dat vaak op in gebedsvorm.
Als ik dat gedaan heb, dan ben ik alweer een half uur verder. Dan grijp ik de Bijbel en lees totdat me een bepaald woord raakt. Vandaag was dat in psalm 78 de uitdrukking ’brood der engelen’. Ja, ik heb het brood der engelen nodig, vandaag, in alles wat ik doe. Dat woord gaat zwerven door m’n gedachten en dan ga ik bidden. Ik laat de dingen los en leg ze in Gods hand. En zo laat ik de hele dag filteren door Gods Geest. Alles. Ook de mooie dingen, de vreugdemomenten, want ook die kunnen tussen God en ons in gaan staan.
Het is geen veredelde vorm van yoga?
Er zullen elementen van yoga inzitten, in die zin, dat je let op je ademhaling.
Dat soort dingetjes zullen er in meespelen, al doe ik dat niet eens bewust.
Maar nee, het is gebed. Lectio, meditatio, oratio, contemplatio. Lezen, mediteren, bidden en het verzinken in Gods heerlijkheid. Heel mooi staat ergens van Jezus geschreven: ’Jezus zijnde in het gebed.’ Hij vertoeft in het gebed. Dat probeer ik elke morgen te vinden.
Herhaaldelijk schrijf je, dat jouw weg door de crisis een bedoeling heeft gehad: God heeft alles doen meewerken ten goede. Werk je daarmee in het pastoraat? Durf je dat aan?
Ja. ’Ermee werken’ dat klinkt bijna alsof je een keuze maakt, maar voor mij is het een natuurlijke wijze van zijn. Als mensen in een crisis zitten, zou het wel eens kunnen zijn dat iemand een weg moet gaan, dat God iets met hem of haar wil. Niet dat ik dat meteen zo zeg. Als iemand wanhopig is, moet je daar niet mee aankomen.
Maar het is wel zo, dat ik dat voor mezelf als positie inneem. Ik durf niet te zeggen ’God brengt je in een crisis.’ Dat narekenen van God heb ik afgeleerd. Maar wel: hoe jij in een crisis bent gekomen, weet ik niet, misschien zijn het omstandigheden, of ligt het aan jezelf, of is het de macht der duisternis, maar God kan je hierin iets laten zien en je er sterker uit te voorschijn brengen.
Voor ik wegga vertelt Wim Jansen me nog wat over enkele van zijn tekeningen aan de wand. Op een daarvan zien we iemand relaxed liggen op een grote hand. Hij ligt zomaar te liggen in de zon. ’Dat is een essentie van wat ik vertellen wil’, zegt Wim. Die mens ben ik, liggend op Gods Hand. Ik, vastgelopen in mezelf, mag me ontspannen.
Ik mag me laten koesteren door de zon van Gods liefde. En zo ontvang ik, en kan ik gaan geven. Dat is het geheim van het leven met God.
Noot:
1. Wim Jansen, Het geheim van de lieflijkheid; Dichter bij God; Kampen, 1998