Waarom moestde Christus lijden?
1998-06-26
In zijn veelbesproken boek Verzoening1 is dr. C.J. den Heijer vorig jaar ingegaan op de betekenis van het lijden en sterven van Jezus Christus. Bekend zal zijn dat volgens hem de gedachte dat Jezus van Godswege moest sterven voor onze zonden een laatkomertje in de tradities van het Nieuwe Testament is.- Jaargang 42
- nummer 13
Deze interpretatie van Jezus’ kruisdood is niet afkomstig van de Meester zelf, maar van zijn volgelingen. Jezus zag – volgens Den Heijer – zijn lijden niet als een goddelijke noodzaak en al helemaal niet als een offer dat Hij bracht voor de menselijke zonde. Nee, als staat geschreven dat Jezus begon te leren, „dat de Zoon des Mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden en na drie dagen opstaan” (Mc. 8:31), betekent dat alleen dat Jezus – zo Hij dit gezegd heeft – zijn sterven – gelet op de ontwikkelingen – onvermijdelijk vond.2 En als Jezus zijn lijden al een bepaalde betekenis heeft gegeven, dan deze, dat Hij, in de lijn van Psalm 22, „zijn eigen levenslot heeft geïnterpreteerd in het licht van de oudtestamentisch-
joodse traditie over het lijden van de rechtvaardigen”. 3
Op de discussie die dit boekje heeft losgemaakt, wil ik in enkele artikelen nog eens terugkomen. Het is niet mijn bedoeling die discussie over te doen, laat staan de vele goede argumenten die tegen de opvattingen van Den Heijer zijn ingebracht4 te herhalen. Het punt waarop ik dieper wil ingaan, heeft tot nu toe namelijk niet zo heel veel aandacht gehad.5 Mijn indruk is namelijk dat het vele weerwerk dat tegen het boek van Den Heijer geleverd moest worden tot een wat eenzijdige reactie heeft geleid. En het gevolg daarvan is dat een voor ons heel belangrijk aspect van het lijden van Jezus Christus onderbelicht is gebleven, te weten dat zijn lijden dat van de lijdende rechtvaardige is.
Meer dan één laag
Binnen de traditie waarin wij staan, is het antwoord op de vraag waarom de Christus moest lijden altijd heel nauw verbonden met zijn plaatsbekleding, het offer dat Hij bracht voor onze zonden.
Calvijn schrijft bij Lc. 24:27 („En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften betrekking op Hem had.”): „Zoo heeft Hij dan niet met korte woorden aangeroerd dat de Christus lijden moest, maar zeer uitvoerig besproken, hoe Hij gezonden was, om door de offerande des doods verzoening voor de zonde der wereld te doen; een vloek te worden tot wegneming van onze vervloeking; de vloek op zich te nemen tot wegwissing van andermans onreinheid.” 6 K. Schilder hoort Jezus in zijn eerste lijdensaankondiging van Mc. 8:31 de ’hemelse wet van verzoening door voldoening afkondigen’7. Geheel in de lijn van deze traditie bewegen zich de gedachten van degenen die recentelijk Den Heijer bestreden hebben.8 Nu is dat volstrekt legitiem. Ook ik geloof dat de HERE Jezus moest lijden, omdat Hij de beker van Gods toorn tot op de laatste druppel moest leegdrinken om voor ons de weg tot de heilige God te openen.
Een andere weg was werkelijk onmogelijk zo is de uitkomst van zijn strijd te Getsemane. Naar ook ik diep geloof staat of valt het christelijk geloof met de belijdenis dat „God in Christus de wereld met zichzelf verzoenende was” (2 Kor. 5:19). Toch zit er in het van Godswege moeten lijden van de Here Jezus nog een andere laag. De Here Jezus moest namelijk ook in de weg van de lijdende rechtvaardigen uit het Oude Testament gaan. In enkele artikelen hoop ik dit te laten zien en de betekenis hiervan verder uit te werken en uit te diepen.
Om te beginnen wil ik echter laten zien dat het lijden van onze Heiland inderdaad in rechtstreeks verband gebracht moet worden met die psalm die zich heel intens met zowel het lijden van de rechtvaardige als zijn rehabilitatie bezighoudt, Psalm 22.
Naar de Schriften
Eén van de opmerkelijke trekken binnen de teksten die het móéten lijden van de Messias naar voren brengen, is de verwijzing naar hetgeen geschreven staat in de Schriften. In Mc. 9:12 lezen we: „... maar hoe staat er dan geschreven van de Zoon des mensen, dat Hij veel moet lijden en dat Hij veracht zal worden?” (verg. Lc. 18:31-34; 24:26,27; 26:43-47).
Hoewel Van Bruggen ongetwijfeld gelijk heeft als hij schrijft, dat bij het moeten lijden allereerst verankerd is in Gods eigen wil9, neemt dit niet weg dat het antwoord op de vraag waarom de Christus moest lijden toch wel degelijk in de Schriften van het oude verbond gezocht moet worden. Zoeken we vervolgens verder en vragen we ons af op welke schriftdelen de Heiland gedoeld kan hebben, dan worden we heel direct op het spoor van Psalm 22 gezet. Allereerst, omdat geen andere psalm in het Nieuwe Testament zo vaak in verband wordt gebracht met het lijden en sterven van Jezus Christus.10 Maar met name, omdat Jezus in zijn verwijzing naar de Schriften rechtstreeks op deze psalm teruggrijpt. In Mc. 9:12 lezen we, dat van de Zoon des mensen geschreven staat „dat Hij veel moet lijden, en dat Hij veracht zal worden”. Opmerkelijk is het Griekse werkwoord dat hier voor ’veracht worden’ gebruikt wordt, exoudeneoo. Het komt alleen hier in het Nieuwe Testament voor.
H. Ridderbos meent, dat hier sprake is van een verwijzing naar Js. 53:2, waar staat geschreven „Hij was veracht en van mensen verlaten ... hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.”11 Nu mag ook daaraan gedacht worden, maar uitgerekend dit werkwoord vinden we ook terug in de Griekse vertaling van Psalm 22. In Ps. 22:7 staat: „Ik ben veracht door het volk.” Juist omdat in Mc. 9:12 sprake is van een beroep op hetgeen geschreven staat, mogen we dus stellen dat de Heiland bewust de lijn van Psalm 22 heeft doorgetrokken.
De stap naar de bekende woorden van de Here Jezus aan ’de Emmaüsgangers’ is nu nog maar klein. „Móést de Christus dit niet lijden om zijn heerlijkheid in te gaan?
En Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Lc. 24:27) Van lijden tot heerlijkheid en dat uiteengezet aan de hand van de Schriften. Deze levensgang stemt geheel overeen met de structuur van Ps. 22, zodat het niet te betwijfelen valt dat Jezus ook Ps. 22 aangehaald heeft als onderstreping van de onontkoombare noodzaak van zijn lijdensweg.
Vervolgens echter mogen we verder vragen. Waarover gaat het in deze psalm? En wat kan het verstaan van deze psalm helpen om door te dringen tot een antwoord op de vraag waarom de Christus móést lijden? Teveel vragen om in één keer te beantwoorden. Op de eerste vraag wil ik deze keer ingaan.12
Homo homini lupus
Psalm 22 bestaat uit twee delen. Het eerste deel (:2-22) bevat een klacht, het tweede deel een danklied. In het eerste deel van de psalm horen we een noodkreet, zo wanhopig, als we er in het Oude Testament maar weinig kunnen vinden. Aan het woord is een man die er in elk opzicht ellendig aan toe is. Allereerst vormen zijn medemensen een enorme bedreiging voor zijn leven. Ze zijn hem tot beesten geworden. Als dreigende stieren zijn ze, brullende leeuwen, honden. Ze hebben hem in het nauw gedreven, grijpen naar hem met hun klauwen, dreigen toe te happen, toe te stoten (zie :13,14,17,21 en 22). Zo zeker is de meute van haar zaak, dat zijn kleding al verdeeld wordt (:19).
Terzijde, dat is dus een verschrikkelijke mogelijkheid, dat wij mensen elkaar tot beesten kunnen worden. In het verlengde van deze ’sociale’ nood ligt een bittere psychische nood. De dichter tekent zijn situatie door zichzelf met een ander dier te vergelijken (:15): „Een worm ben ik en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk.”
Ook lichamelijk is hij gebroken. „Als water ben ik uitgestort, en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste; verdroogd als een scherf is mijn kracht; mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer.” (:15,16)
De religieuze angel
Zo tekent Ps. 22:2-22 een samenballing van onmenselijke ellende, maar de angel van dit lijden zit ’m in de geestelijke dimensie. De dichter kan niet anders dan uit alle ellende de conclusie trekken, dat ook God hem verlaten heeft. Alles wijst daar op en daarom schreeuwt hij het uit: „Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten?!” (:22) Dit doet meer pijn dan alle martelingen bij elkaar, omdat hiermee de bodem die sinds zijn geboorte onder zijn bestaan was gelegd, lijkt weggeslagen (:11-13). Hierop pakken de omstanders hem ook: „Wentel het op de HERE, zeggen ze spottend, laat die hem verlossen.” (:9) Zout in de wonden.
Het zeer bijzondere, het ontroerende van deze psalm echter is, dat de dichter het werkelijk van God alleen blijft verwachten. Het blijkt alleen al uit de persoonlijke manier waarop hij God aanspreekt: Mijn God, mijn God! Het blijkt ook uit die betuiging van diep vertrouwen in vers 4-6: „Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen van Israël ...” Het beeld dat Psalm 22:1-22 dus oproept, is dat van een totaal vertwijfeld mens, die desondanks niet twijfelt aan God, maar in zijn uiterste nood een beroep blijft doen op God. Hoewel hij met zijn rug tegen de muur staat, blijft hij rugdekking zoeken bij de Allerhoogste.
Klemmende vraag
Iemand die zó op God blijft vertrouwen noemt de Bijbel een anaw, een ootmoedige. De anaw is de door zijn medemensen in het nauw gebrachte, bedreigde, geschoffeerde mens, die een beroep blijft doen op God. Die blijft roepen: God, mijn God. Maar wat maakt juist dat terugvallen op God een mens ook enorm kwetsbaar.
Kwetsbaar omdat het terugvallen op God bij de ootmoedige gepaard gaat met een hardnekkig verzet tegen elk goddeloos geweld.
De goddelozen worden door de ootmoedige met andere wapens dan die van geweld bestreden. Psalm 37:1-11 – waarin één van de helderste tekeningen van ootmoed in het Oude Testament te vinden is – spreekt daarvan.
„Vertrouw op de HERE en doe het goede, woon in het land en betracht getrouwheid. ... Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken; Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht, en uw recht als de middag. Wees stil voor de HERE en verbeid Hem; wees niet afgunstig op wie zijn weg voorspoedig máákt, op de man die boze plannen smeedt.
Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen, wees niet afgunstig, dat sticht louter kwaad.” Ootmoed maakt kwetsbaar; door God immers wordt de ootmoedige ervan weerhouden om naar het wapen van het geweld en het onrecht te grijpen om zichzelf te redden. Tegelijk overigens maakt ootmoed onkwetsbaar: de ootmoedige bergt zich in God en zijn beloften.
Maar dan dringt zich gaande dat eerste deel van Psalm 22 steeds sterker een vraag op, de klemmende vraag waarmee de dichter de psalm begonnen is: God, God van verre, hier sta ik, volstrekt ontredderd, door goddelozen bedreigd, hoort U mij? Dit is de problematiek waarvoor het eerste deel van de psalm plaats: Wordt God door de noodkreet van de ootmoedige tot ingrijpen bewogen?
Redt Hij hem uit de klauwen van de goddeloze?13
„Ja!!”
Het antwoord luidt: „Ja!!”
God hoort het.
God ziet het.
God verlost.
Met in het Hebreeuws slechts één samengesteld woord wordt de grote omslag aangeduid: „U hebt mij geantwoord.” En vervolgens worden we in het tweede deel van de psalm van de diepste diepte op de hoogste hoogte geplaatst, maar daarover hoop ik het volgende artikel kort nog wat te schrijven.
Wat ik dit artikel heb willen laten zien is 1. dat het moeten lijden van Jezus Christus in direct verband met Psalm 22 gebracht moet worden en 2. wat de problematiek van de lijdende rechtvaardige is. Hoort God naar degene die tot het alleruiterste vasthoudt aan Hem?
Een volgende keer verder.
Noten
1 Voluit: Verzoening. Bijbelse notities bij een omstreden thema, Kampen 1997
2 a.w. pg. 25
3 a.w. pg. 28
4 Eén van de meest degelijke en deskundige bestrijdingen van Den Heijer vind ik Het evangelie van de verzoening van dr. H. Baarlink, Kampen 1998
5 Mijn artikel pakt op wat drs. H. de Jong in zijn reactie op Den Heijer heeft aangestipt, namelijk, dat Jezus behalve de gezegende Middelaar ook de lijdende Rechtvaardige is, Opbouw, 42e jrg.
nr. 1, pg. 8
6 Zie De evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas (vertaald o.l.v. A. Brummelkamp), Utrecht 19712, pg. 589
7 Zie Christus aan den ingang van Zijn lijden, Kampen 1930, pg. 11
8 Ook Baarlink verbindt de lijdensaankonigingen direct met de plaatsbekleding, zie a.w. pg. 54-61
9 Zie Marcus. Het evangelie volgens Petrus, Kampen 1988, pg. 188vv
10 Maar liefst vier verschillende verzen van de psalm worden in het lijdensevangelie geciteerd, t.w. de verzen 2a (Mat. 27:46 en Mark. 15:34), 8c (Mat. 27:29,39 en Mark. 15:29), 9 (Mat. 27:43) en 19 (Mat. 27:35 en parallelle teksten). Ook Christus’ verheerlijking wordt herleid op Ps. 22, zie Hebr. 2:10-12.
11 Zie Mattheüs II, Korte Verklaring, Kampen 1946, pg. 17 noot 1
12 Dit deel van mijn artikel gaat rechtstreeks terug op een eerder door mij geschreven studie, zie ’Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?’ – Het messiaans karakter van Psalm 22, in Verkenningen in de oudtestamentische mesiasverwachting, red. A.G. Knevel, M.J. Paul, pg. 58-69
13 Vanuit een wat bredere belezenheid van de individuele klaagpsalmen valt dit eigen karakter van Ps. 22 des te meer op. Enkele componenten die elders voorkomen, ontbreken in Ps. 22 geheel, zoals betuigingen van onschuld (bijv. Ps. 7:4-6,9), erkenning van schuld/bede om vergeving (bijv. Ps. 38:4-5,19), een roep om Gods richtend ingrijpen (bijv. Ps. 35:1-8,23vv), of geloften (bijv. Ps. 35:18). Slechts dat ene punt dringt zich in de psalm op, en dat met grote kracht.