Het vierde kruiswoord
1999-04-02
Toen Christus’ kruis was opgericht,- Jaargang 43
- nummer 7
de Zoon van God ontluisterd,
verborg de zon haar aangezicht:
de wereld werd verduisterd.
’Mijn God, mijn God!’ zo schreeuwde Hij,
’mijn God, waarom verlaat Gij Mij?’
Een angstschreeuw uit de Psalmen.
Ik weet dat geen opstandigheid
de Heiland heeft gedreven:
de Zoon dronk in gehoorzaamheid
de beker, Hem gegeven.
Hij droeg zijn lijden met geduld -
maar onze mateloze schuld
heeft het Hem uit doen schreeuwen!
De zon verborg haar aangezicht:
zij zag haar Schepper kwijnen
in ’t volle licht - en schaamde zich
haar licht te laten schijnen.
Haar treft geen schuld - hoeveel te meer
moest ik mij schamen, lieve Heer,
en mijn gezicht verbergen.
Mijn Meester, schuldeloos en gaaf,
die voor mijn ontrouw boette,
zou ik mij als een bange slaaf
voor U verschuilen moeten?
Laat mij, geen slaaf der zonde meer,
maar door U gerechtvaardigd, Heer,
neerknielen aan uw voeten,
ver van de plaats waar duisternis
de zondaars houdt omsloten,
waar het geknars van tanden is -
en elk van God verstoten.
Daar zou mijn plaats zijn, indien Gij
mijn schuld niet had geboet en mij
niet met uw licht omstraalde.
Heer Jezus, toen uw droeve klacht
de duisternis doorboorde,
toen riept Gij mij - en in de nacht
verlichtten mij uw woorden.
Gij riept mij naar uw stralend rijk
om, aan uw engelen gelijk,
te zingen van uw liefde.
Als nu nog zonde of verdriet
mijn leven heeft ontluisterd,
dan zie ik soms uw stralen niet
en blijft mijn hart verduisterd.
Hoor Gij dan naar mijn droeve klacht
en voer mijn leven uit de nacht
opnieuw uw lichtkring binnen.
Eens zal mij in het paradijs
het volle licht omringen:
dan zal ik op een lichte wijs
U eeuwig liederen zingen.
Ik zal in ’t nieuw Jeruzalem
uitroepen met een heldere stem
de lof van uw genade!
Naar het IJslands van Hallgrímur (1614-
1674)
Herdichting: Johan Klein
Uit: In de schaduw van uw kruis. Uitg.:
Groen, Heerenveen.