Een nieuwe roman van Milan Kundera
1998-06-26
Wie ben ik eigenlijk? Wie is hij, wie is zij? Wat is nou echt de werkelijkheid en wat is verbeelding? Kiezen wij zelf of worden we meegesleurd? Wat is onze, heel eigen en unieke plaats in deze wereld?- Jaargang 42
- nummer 13
Het is allemaal postmodernistische onzekerheid in het nieuwe boek van Milan Kundera. Er zijn twee hoofdfiguren: Chantal en haar vriend Jean-Marc; zij leven al jaren samen. Het verhaal begint ermee dat zij elkaar zullen ontmoeten in een hotel; Chantal maakt in haar eentje een wandeling langs het strand en merkt dan opeens: de mannen kijken niet meer naar haar. Als ze terugkomt in het hotel, hoort ze dat Jean-Marc is aangekomen en dat hij haar is gaan zoeken. Aan het strand heeft J.M. ook een ervaring: hij meent Chantal te zien, hij is zelfs doodsbang dat haar een ongeluk zal overkomen, maar als het goed afloopt, ziet hij ineens dat het iemand anders is. „Naarmate hij dichterbij kwam, werd die vrouw van wie hij had gedacht dat het Chantal was, oud, lelijk en belachelijk anders.” Vanaf dat moment groeien de problemen.
Als lezer krijgen we met een wisselend perspectief te maken. De ene keer gaat het over wat Chantal beleeft, denkt en voelt, de andere keer is J.M. de hoofdpersoon. Chantal krijgt brieven van een bewonderaar en ze vraagt zich lange tijd af wie dat kan zijn. Verschillende keren meent ze het zeker te weten, maar telkens blijkt het mis te zijn. Tenslotte gaat ze, net als de lezer, beseffen dat de brieven van J.M. komen. Hij heeft haar willen troosten: je bent echt nog mooi, er zijn echt nog mannen die naar je kijken.
Maar via allerlei misverstanden loopt het uit op een steeds grotere onzekerheid en verwijdering waarbij het toeval (noodlot?) een beheersende factor is.
Aan het einde neemt de schrijver het woord: „Ik vraag me af: wie heeft er gedroomd? Wie heeft dit verhaal gedroomd? Wie heeft het bedacht?
Zij? Hij? Allebei?” En even verder: „Wat was precies het moment waarop de werkelijkheid veranderde in onwerkelijkheid, de realiteit in een droom?” Die onzekerheid wordt mijns inziens versterkt door een merkwaardige vermenging van tegenwoordige en verleden tijd. Ik noem maar twee van de vele voorbeelden die ik heb genoteerd. Blz. 127: „Een minuut eerder wilde J.M. alles nog uitleggen, maar... Hij heeft niets meer te zeggen ... Ze stonden tegenover elkaar ... Hij denkt terug aan ...” Blz. 139: „Op dat moment drong het tot hem door hoe absurd zijn gedrag was. Hij zit in een trein ...” Het is een bijzonder boek, het is ook een knap boek; van Kundera was dat trouwens te verwachten. Ik geloof niet dat het zijn beste boek is, maar even goed zal menige lezer er genoegen aan kunnen beleven. Dat genoegen kan wel wat bedorven worden door de niet bepaald kiese manier waarop over seksualiteit gesproken wordt.
Uitgever: Ambo, Amsterdam. Omvang 172 bladzijden. Prijs ƒ 34,90.