Kerk...aan het werk! (2)
1998-06-26
Door een redactionele fout wordt nu pas het tweede deel van de toespraak van ds. A.W. Vos, zoals hij die gehouden heeft op de laatste landelijke ontmoetingsdag te Barneveld, gepubliceerd. Met verontschuldigingen aan zowel de schrijver als de lezers. Het eerste deel stond in het nummer van 15 mei (nr. 10, blz. 193).- Jaargang 42
- nummer 13
4. Wij en de grote boze wereld...
Haggaï 2:6c-10
Als je al die beelden van de wereld van vandaag op je afkrijgt, dan wil je toch wel wegkruipen achter dikke muren en gesloten deuren. Ook de wereld ten tijde van Haggaï was in rep en roer.
Bedreigend. Met zorg, angst en minderwaardigheidsgevoelens keek Israël naar de omringende wereld.
Dan biedt de profeet een nieuwe visie. Kijk niet langer bang en gefrustreerd naar dat alles, maar zie daarin God aan het werk; aan het werk NB ten dienste van de herbouw van de tempel.
God is het die hemel en aarde beweegt om zijn Huis af te krijgen.
Hetgeen ook gebeurd is. Mogen we deze bemoediging naar ons toe halen en zeggen dat God ook vandaag hemel en aarde beweegt om Zijn huis vol te krijgen? Dat Hij alles doet wankelen, opdat mensen een onwankelbaar koninkrijk gaan zoeken? (Heb.12:26-28).
En dat wij opnieuw het goud van de volken mogen verwachten? Johannes profeteerde: „Hun heerlijkheid en eer zullen in haar gebracht worden” (Openb. 22). Dat betekent dat wij niet enkel kwaad uit de wereld te duchten hebben, maar dat God ons ook vanuit die wereld Zijn heil wil schenken Goud uit de wereld: Concreet: voor de opbouw van de kerk en voor een vitaal gemeente-zijn hebben wij dringend behoefte aan nieuwe mensen die vanuit de wereld tot geloof gekomen de gemeente komen sterken en verfrissen. .
Om de relevantie van het Evangelie vandaag te kunnen communiceren, ja misschien wel: om voor onszelf die relevantie te verstaan, hebben daar bekeerlingen uit de wereld niet een essentiële bijdrage te leveren?
Een eeuwenoude gevestigde kerk zonder overtuigende groei van buitenaf, loopt het risico om zichzelf op te sluiten in tradities en gebruiken. Loopt het gevaar de Bijbel te verlagen vàn het zwaard des Geestes tòt een boekje om zich daarmee in een hoekje terug te trekken. Hoe verfrissend, sanerend, bevrijdend kan dan de instroom van nieuwe gelovigen van buitenaf werken.
Dat ervaren we toch ook. Dat het gesprek met de buitenstaander jezelf dwingt om terug te keren naar de wortels van je geloof, dat is: terug te keren naar de voet van het kruis en dan echt.
En óók dat die beginnende gelovigen soms veel scherper aanvoelen en aangeven waar het vandaag om draait en ons als gevestigde kerk kunnen verlossen van dat vermoeiende antwoord geven op de vragen van gisteren?
Goud uit de wereld, ook in die zin dat we kunnen leren wat een adequate verpakking, communicatie, is van de boodschap voor de mens van vandaag? In de workshops kunt u daarvan treffende staaltjes zien straks.
Goud uit de wereld: gezien in het machtige perspectief van Gods voornemen om al wat in de hemel en op de aarde is onder één hoofd, Christus, samen te vatten (Efese 1). Om met Abraham Kuyper te spreken: „Er is geen terrein of Christus zegt: Mijn!” Er is nog zoveel in de wereld, op aarde èn in de hemel, dat onder Christus gebracht moet worden, waardoor onze kennis van Hem en de verlossing in Hem alleen nog maar kan toenemen.
Waardoor de Geest ons verder leidt tot de volle waarheid, tot de openbaring van alle schatten der wijsheid en kennis die in Christus zijn. Als Paulus in Efese 3 uitroept dat wij alleen samen met alle heiligen in staat zijn te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat, om vervuld te worden tot alle volheid Gods - dan moeten daarbij toch ook al die heiligen gerekend moeten worden die de Here er nog uit de wereld bij wil roepen.
Goud uit de wereld: heeft het wellicht ook te maken met de wonderlijke gang die God gegaan is met zijn oude verbondsvolk Israël? Zij ontvangen Gods ontferming via de ontferming aan de heidenen bewezen. Zij moeten weer leren wat genade is door het heil uit handen van de heidenen aangereikt te krijgen.
Zou dat ook voor ons kunnen gelden? Een heidenkerk die al ruim tien eeuwen in Gods verbond is opgenomen en die het risico loopt terug te vallen op een OT-isch niveau? Dat wij de waarachtige kennis van de genade niet hebben zonder hen die van buiten komen? Omdat wij – God zij geprezen – de waarheid niet bezitten, maar ertoe geleid moeten worden. Opdat wij met de apostel van harte uitroepen: „O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods!” Een kerk als bunker versteent; een kerk die niet werft, sterft. Maar als we met geloofsdurf en verwachting en bewogenheid voor verloren zielen de ramen en deuren opengooien, mogen we dan niet ontdekken hoezeer het Evangelie ook anno 1998 een kracht tot behoud is? En Zijn gemeente waarlijk een huis Gods dat de tijd trotseert: Gods reddingspost in een wereld die vergaat. Gij die gelooft, verheugt u samen!
5. Jagen naar heiliging
Haggaï 2:15; 18.
’Er was bij u geen gedachte aan Mij’. Dat zinnetje blijft haken. „Er was bij u geen gedachte aan Mij”.
Dat heeft de Here de priesters en het volk ernstig kwalijk genomen. Er werd geofferd, volgens voorschrift, zo goed en zo kwaad als dat ging in een kapotte tempel. Maar het hart was er niet bij. De dingen gebeuren routinematig. Maar er wordt niet gezocht, gesmeekt, geklopt en geknokt.
Gebroken harten – om eigen zonden en tekorten. Brandende harten – om zo ontstellend veel liefde en ontferming. Bewogen harten – om zoveel nood en verlorenheid. Vurige harten – om door een heilig leven de leer van God onze Heiland in alles tot sieraad te strekken.
Bevende harten – om het besef dat wij Gods tempel zijn en dat wie Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Wat hebben wij als voorgangers, als ouders, als jeugdleiders, als christenen juist vandaag op dit punt intens strijd te leveren. In onze tijd van algehele vervlakking en geestelijke afstomping. Van versnippering en verstrooiing. Van zoveel onreinheid.
Van toenemende wetteloosheid en verkilling. Gaat het ons echt om God en Zijn eer?
Zijn onze samenkomsten vervuld met een intens verlangen naar God, met een verwachten van Zijn heerlijkheid.
„Mijn Geest stond in uw midden toen gij uit Egypte uittoogt”. De wolk- en vuurkolom. Waarneembaar in hun midden. Kunnen wij dat zeggen van onze samenkomsten? ’De Here is waarneembaar in ons midden’. Kunnen gasten dat opmerken – een geest van aanbidding en verwachting, ja zelfs dat zij huiverend moeten erkennen dat God inderdaad in ons midden is? (1 Kor. 14). En zo niet, is ons dat dan een nood en behoefte?
Realiseren wij ons dat God ook bij ons zijn zegen kan inhouden – omdat wij zijn Heilige Geest bedroeven. Omdat er wel degelijk zoiets bestaat als collectieve schuld, waardoor het gemeentezijn verschraalt en de erediensten vervlakken? Waardoor – om Paulus te citeren (1 Kor. 11:30-32) – zelfs velen ziek en zwak kunnen worden en niet weinigen ontslapen...
Kennen wij als voorgangers die houding van Paulus die zichzelf duchtig onder handen neemt, om niet na anderen gepredikt te hebben, zelf afgewezen te worden? (1 Kor. 9:27).
Kortom: Jagen wij naar heiliging – niet wettisch en krampachtig – maar een jagen omdat wij werkelijk door Jezus gegrépen zijn? (Filip. 3:12-14).
Bij alle vragen over kerk-zijn vandaag is dit voor mij de meest prangende: hebben wij werkelijk besef van de levende God? Zijn we echt gegrepen? Laten wij ons voor God verootmoedigen en Zijn aangezicht zoeken.
6. Ultieme troost en bemoediging: uitverkoren!
Haggaï 2:22-24
Een dag als vandaag doet ons goed. Met zo velen samen zijn, samen zingen, bidden, leren, delen, toegerust worden. Toegerust worden vandaag in het bijzonder om in, met, als kerk aan het werk te gaan.
Maar thuisgekomen kan het je overvallen, kan het allemaal zo op je afkomen.
Zorgen, aanvechtingen, twijfels, teleurstellingen. Het soms eenzame en moeizame ploeteren.
Om terug te keren tot ons eerste item vanmorgen: „Maar de realiteit...” Ook Israël ging een periode binnen van grote onzekerheid en felle aanvechting. De vijfhonderd lege jaren tot aan de geboorte van Jezus Christus.
Haggaï voorzegt een tijd van grote ontreddering. Om bang van te worden.
Gods zaak lijkt in ’Nacht und Nebel’ te verdwijnen. Maar Gods werk gaat door. En juist hier blijkt waar we het tenslotte moeten zoeken. Niet in eigen kracht, in uiterlijkheden, maar in God Zelf die Zijn hart aan zijn Uitverkoren Knecht heeft verpand. Zijn innige, hartelijke, zeer persoonlijke liefde. Aan de Perzische overheids-
ambtenaar en grijze muis Zerubbabel, Davidszoon met de naam ’Babelskind’, vernieuwt God Zijn belofte van verkiezende liefde: „Ik zal u tot een zegelring maken!”. En via hem mag het hele volk zich toch weer uitverkoren weten. Zelfs als de uitverkoren Davidszoon niet eens meer te traceren valt en hij bijvoorbeeld een timmerman in een achteraf stadje is – God kent hem en Gods zeer persoonlijke liefde voor ons allen blijft via hem vast en zeker.
Via Hem die zich niet schaamt ons Zijn broeders en zusters te noemen. Gods eniggeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus. Wie bij Hem hoort, deelt in Zijn uitverkiezing en mag weten: God heeft Zijn hart óók aan mìj verpand. Hij heeft mij zeer persoonlijk en voor altijd lief. Daarom kom ik erdoor. Het oergereformeerde adagium van de uitverkiezing. De onbreekbare lijn van eeuwigheid tot eeuwigheid, waaraan wij door het geloof in Jezus vast gekoppeld worden. Tot een levendige troost Zijns volks.
Die maakt warm in de vrieskou van het ongeloof. Die maakt sterk in alle aanvechting en kritiek.
Ja, de uitverkiezing maakt vrij om een getuigende en dienende gemeente te zijn.
Want ik hoef me niet te rechtvaardigen als ik de mensen met Jezus confronteer als de enige Naam waardoor we gered zullen worden. Ik hoef me niet af te vragen of ik wel geschikt ben. Alle verantwoordelijkheid ligt bij Hem die gezegd heeft: „Niet jullie hebben Mij, maar Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven eropuit te gaan en vrucht te dragen, vruchten die blijvend zijn” (Joh. 15).
Wij mogen gaan voor rekening van de Heer. En, o ja, Hij voegde ook dit er nog aan toe: „Wat je de Vader ook vraagt in Mijn Naam, Hij zal het je geven”. Een God om naar te verlangen en alles van te verwachten...
* * *