Gods recht zal zegevieren
1998-07-10
Waarom móést de Christus lijden? Uit de wijze waarop de Heiland Psalm 22 op zichzelf betrekt, spreekt dat Hij in de lijn van de lijdende rechtvaardigen van het Oude Testament heeft willen gaan, zo viel ik m’n vorige artikel prof. Den Heijer bij. Op de betekenis hiervan wil ik in dit artikel dieper ingaan, maar eerst wil ik bij de relatie die Den Heijer tussen de Heiland en Psalm 22 legt nog een kritische kanttekening maken.- Jaargang 42
- nummer 14
Wat hij hierover schrijft doet namelijk noch aan Psalm 22, noch aan de Heiland recht.
Den Heijer schrijft: „Jezus heeft zijn eigen levenslot geïnterpreteerd in het licht van de oudtestamentisch-joodse traditie over het lijden van de rechtvaardige.” 1 Uit de door mij cursief weergegeven bepaalde lidwoorden maak ik op, dat Den Heijer die traditie als een vaste grootheid beschouwt die op eigenlijk elke rechtvaardige, waaronder Jezus, toegepast kon worden.2 Dat is uiteíndelijk ook zo, maar wezenlijk anders dan Den Heijer het stelt.
Van persoonlijk tot collectief
Leg je het eerste en het tweede deel van Psalm 22 naast elkaar, dan gaat je iets opvallen.
Tot en met vers 22 ligt er een heel persoonlijke klacht voor ons. In het danklied – dat opklinkt na de uitredding – vervaagt dat persoonlijke. Het opmerkelijke van Ps. 22:23-32 is de reikwijdte ervan. Aanvankelijk treedt de dichter nog op de voorgrond, maar meteen al in verbondenheid met anderen, zijn broeders, de gemeente (vers 23).
Vervolgens blijft de kring die wordt betrokken bij de verlossing van deze mens maar uitdijen en uitdijen. „Die de Here vrezen” moeten Hem loven, „het ganse nageslacht van Jakob”. Van bijzondere betekenis is vers 25. Op grond van de klacht van vers 2-22 zou je verwachten: „De HERE heeft niet veracht mijn ellende”, maar er staat: „de HERE heeft niet veracht de ellende van de ellendige”. De reikwijdte van deze verlossing overstijgt het lot van de enkeling. Wat aan deze anaw gebeurd is, gaat alle anawim, alle ootmoedigen aan.
Zij allen kunnen zich aan zijn uitredding optrekken. Er zit dus iets representatiefs in hetgeen deze mens overkomen is. Waar Den Heijer vanuit o.a Psalm 22 een traditiestroom op gang ziet komen, waarin óók de Here Jezus zich geplaatst heeft, is de boodschap van Psalm 22 – hieraan geheel omgekeerd – dat de verlossing van deze, ene ootmoedige betekenis heeft voor álle ootmoedigen. „De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden ...” (:27) Uiteindelijk is er zelfs sprake van een wereldwijd perspectief. In vers 28 lezen we dat de einden der aarde het zullen gedenken en zich tot de HERE bekeren. En zelfs komt aan het slot van de psalm de toekomst zelfs in het blikveld van de dichter: „De komende geslachten zullen het horen en verkondigen!” Oftewel, wat in deze psalm begonnen is als de klacht van een enkeling, mondt uit in een bijna grens- en tijdloze feestroes.
Herkenning, verdieping, vervulling
Het is deze dimensie die Den Heijer in zijn toepassing van Psalm 22 op Jezus Christus helemaal over het hoofd ziet en het gevolg daarvan is, dat de relatie die hij tussen Psalm 22 en de Christus legt niet dieper gaat dan het niveau van herkenning. Zeker, die laag is er. De Christus heeft alle in de psalm beschreven ellende tot in de finesses doorgemaakt: het beschaamd staan, medemensen die tot beesten worden, het volstrekt psychisch en lichamelijk kapot zijn, het besef van God verlaten te zijn. Maar in de relatie tussen Psalm 22 en Jezus Christus zitten ook andere lagen. Wanneer je Psalm 22 leest in het licht van Jezus’ leven, dan gebeurt er iets met je verstaan van deze psalm. Je gaat hem begrijpen zoals je hem zonder Jezus nooit begrepen had. Ja, de diepste diepte en de hoogste hoogte van de psalm worden door Jezus’ levensgang zichtbaar gemaakt.
Niemand is zo de duisternis van de Godverlatenheid binnengegaan als Jezus Christus, toen Hij aan het kruis hing. Dat God antwoordt, is eveneens op nooit eerder vertoonde wijze zichtbaar geworden.
M.a.w., er is niet alleen sprake van herkenning, maar ook van verdieping. Zelfs mogen we spreken van een vervulling van deze psalm in Jezus Christus. Het tweede deel van de psalm heeft iets van een profetisch vergezicht, zo zagen we. Wat begint als de klacht van een enkeling, mondt uit in een bijna grens- en tijdloze feestroes. Dat ongelooflijke perspectief stelt voor een vraag: Over wie gaat het in deze psalm eigenlijk? Over David? Maar is dit jasje niet een aantal maten te groot voor hem? Nee, in de psalm ligt een raadsel, dat eeuwenlang moest wachten op een ’oplossing’, te weten de vervulling in Jezus Christus. Hij is één van en één met de lijdende rechtvaardigen, en tegelijk is Hij meer dan één van hen: Hij is de Rechtvaardige bij uitstek. Hij is de lijdende en de verloste rechtvaardige bij uitstek. Hij is degene wiens lijden en verheerlijking het scharnierpunt vormt in de geschiedenis.
„Waarom moest de Christus lijden?” Het aangedragen materiaal laat zien, dat die vraag ook uitgelegd mag worden als „Waarom moest de Christus in de weg van de lijdende rechtvaardigen gaan?” In dit en het komende artikel wil ik naar een antwoord op die vraag zoeken, ook al ben ik hierover zelf nog lang niet uitgedacht, laat staan dat ik meen de diepte van dit lijden gepeild te hebben. Toch meen ik dat er in de Schrift aanknopingspunten voor een antwoord te vinden zijn.
Twee grondhoudingen
Het eerste waar we via deze invalshoek bij bepaald worden, is een lijn die zowel door de Schriften als door het leven loopt, namelijk dat er mensen zijn, die andere mensen kleineren, tiranniseren en ’t koste wat het kost het zwijgen opleggen.
De Bijbel openbaart en tekent, dat er in de mensheid twee grondhoudingen zijn. Twee grondhoudingen die beide in íeder menselijk hart aanwezig zijn, uitgezonderd dat van de Heiland, maar wel degelijk ook twee grondhoudingen die de mensheid als gehéél in tweeën uiteen doen gaan.
Het is die van gerechtigheid aan de ene, en van goddeloosheid aan de andere kant. De goddeloze is de mens die denkt dat deze wereld voor alles zíjn wereld is. Het is de mens die leeft in eigen kracht. Niet dat hij niet religieus is, maar middels het religieuze dient hij zijn eigen belang.
Teruggeworpen als hij is op zichzelf moet hij het vooral hebben van zijn harde hand en zijn scherpe tong. Diep heeft hij zich in deze wereld genesteld en een ieder die naar zijn idee een bedreiging voor hem vormt, werkt hij daaruit weg. Hij máákt ook wat van deze wereld, zo nodig over andermans rug heen. Op deze lijn vinden we een Kaïn, een Lamech, de inwoners van Sodom, een Saul, een Achab, een Herodes, maar ook een Stalin, een Hitler en een Mao.
Een fundamenteel andere grondhouding heeft de rechtvaardige. Hij beseft allereerst dat deze wereld niet zíjn wereld is, maar Gods wereld. En hij weet, is er diep van doordrongen, dat elk schepsel een schepsel van God is en daarom kostbaar. Wie een schepsel schendt, of het nu is met daden, woorden of gedachten schendt ook God.
Op deze lijn vinden we een Abel, een Noach, een Abram, een Lot, een David, een Job, maar, kijk je goed, dan blijft er uiteindelijk maar Eén over ...
Terwijl de rechtvaardige woekert als onkruid (Ps. 37:35), komt rond de rechtvaardige de wereld tot bloei (Ps. 72:6,7). En omdat de mens pas werkelijk tot bloei komt waar Gods recht regeert (Ps. 1:3), houdt de rechtvaardige dat recht hoog.
Bittere strijd
Ook openbaart en tekent de Schrift dat er tussen de goddeloosheid en de gerechtigheid een zeer bittere strijd is in deze wereld. Kaïn gaat met geweld Abel te lijf, Sodom staat tegenover Lot, Saul tegenover David, Herodes Antipas tegenover Johannes de Doper enz. enz.. Het is de grondhouding van de goddeloze die oorzaak is van dit geweld. Allereerst, omdat tirannie en terreur – in het klein of in het groot – direct uit zijn zelfhandhaving voortvloeien. Maar vooral, omdat de gerechtigheid van de rechtvaardige bij de goddeloze een enorm verzet oproept. Waarom? Omdat rechtvaardigen eigenlijk altijd ook profeten zijn.3 De rechtvaardigen en de profeten zijn de luizen in de pels – vergeef me deze uitdrukking – van de onrechtvaardigen, hun tegenstem, de tekens aan de wand. Zo hinderlijk en bedreigend is die stem, dat ze wel tot zwijgen gebracht móét worden.
Climax
Het is binnen deze tweestrijd dat de Here Jezus ingaat. Het Mattheüsevangelie legt hiervan m.i. het meest bewust en expliciet getuigenis af. Vanaf het begin tot het eind staat het evangelie naar Mattheüs in het teken van een diep en nietsontziend verzet van de goddelozen tegen de gerechtigheid.
Het begint met de kindermoord te Bethlehem en eindigt met het Sanhedrin dat de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt. Nog directer dan in de andere evangeliën plaatst de Heiland zich ook in de rij van de lijdende rechtvaardigen en profeten (Mt. 23:29vv).
In die gerichtswoorden van Mt. 23 voorzegt Hij ook dat het moorddadig verzet van de Farizeeën en schriftgeleerden tegen de profeten en de rechtvaardigen tot een beslissende climax gekomen is. „Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!” (23:32) En: „Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en anderen kruisigen en van hen zult gij sommigen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad opdat over U kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op aarde, van het bloed van Abel de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja ...” Jezus is de Rechtvaardige (Mt. 27:19, verg. Hnd. 3:14 en m.n. Hnd. 7:52), die gekomen is om alle gerechtigheid te vervullen (Mt. 3:15). Zijn tegenstem is zo messcherp en snijdt zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten. En daarom leggen de goddelozen Hem het zwijgen op, zoals ze dat talloze malen met anderen deden... en nog doen, elke dag.
Verlost!
Maar op dit cruciale moment van de geschiedenis trekken niet de goddelozen aan het langste eind, maar verlost de HERE God Hem uit hun macht. Zo allereerst mogen we de opstanding van Jezus Christus blijkens het Mattheüs-evangelie zien. Immers, een „grote aardbeving” (Mt. 28:2) vindt plaats wanneer een engel van de HERE neerdaalt. Een engel, ’wiens uiterlijk was als een bliksem’. De bewakers – marionetten van de goddelozen – vallen als dood neer. Zo is het ook als de HERE verschijnt in het Oude Testament om de ootmoedige te verlossen en de goddelozen te berechten. Als God hoort en ingrijpt, beeft de aarde (Ps. 18:8), slingert Hij bliksems (Ps. 18:15) en verwart Hij de vijand (Ps. 18:15). Zo bericht Mattheüs de opstanding van de Heiland als zijn uitredding en verlossing. God beslecht het geding met de goddelozen, definitief.
Uw hart leve op, voor immer!
En als we ons nu opnieuw afvragen, waarom moest Christus de weg van het lijden gaan?, is het dan niet om de boodschap van Ps. 22:27 – „uw hart leve op, voor immer!!” – op zijn krachtigst te onderstrepen? „Ja, de HERE God hoort werkelijk de stem van de ellendige!” Jezus lijdt vanwege de goddeloze, om de hoop en het vertrouwen dat Gods recht zal zegevieren alle ruimte te geven.
Wat God aan Hen heeft gedaan, is representatief voor wat Hij aan iedere lijdende rechtvaardige doet en zal doen.
Dat is denk ik een – niet hét! – eerste antwoord op de vraag waarom de Heiland de weg van de lijdende rechtvaardige moest gaan. Hij gaat die weg, om allen die gebukt gaan onder de grootste nood van deze wereld – de heerschappij van de goddeloosheid – hoop te geven dat God werkelijk verlost.
Wat hebben allen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die hoop ook nu nog keihard nodig ...
Noten:
1 Verzoening, pg. 28
2 Kenmerkend voor dat generaliserende spreken is ook het volgende citaat: „Wie op God vertrouwt en in de wegen des HEREN wandelt – en daarin onderscheidt de rechtvaardige zich van andere mensen –, zal geconfronteerd worden met lijden, maar mag tegelijkertijd weten dat God hem/haar niet uit het oog verliest. Tegen die achtergrond gelezen vertolken de laatste woorden van Jezus – t.w. de aanhaling van Ps. 22:2, jmm – niet meer enkel en alleen zijn eenzaamheid, maar klinkt er ook hoop en Godsvertrouwen in door.
God laat zijn rechtvaardigen immers nooit definitief in de steek.” (Verzoening, pg. 28) Mijn indruk overigens is, dat meer nieuwtestamentici in Ps. 22 een voorgegeven model zien, dat óók op Jezus toegepast kon worden en metterdaad toegepast werd. Zie bijv. M. de Jonge, Jezus’ visie op Zichzelf. In discussie met De Jonge’s christologie, Nijkerk 1991, pg. 16, 20vv en 103.
3 Niet voor niets noemt de Heiland deze twee geregeld in één adem, zie Mt. 5:10 en 12; 10:41; 13:17; 23:29.