Alle mensen moordenaars
1998-07-10
Vahé Katcha heeft een roman geschreven, die op een nogal cynische en hardvochtige manier maskers afrukt bij mensen die denken dat ze beter zijn dan anderen. Het gaat over een aantal mensen dat eens als jury in een rechtszaak het schuldig heeft uitgesproken over een moordenaar.- Jaargang 42
- nummer 14
Jaren later worden ze door een maniak opgesloten in een afgelegen landhuis, waar hij hun wil bewijzen dat hun uitspraak hypocriet was, omdat ze allemaal, stuk voor stuk, zelf ook moordenaars zijn.
Hij doet dat door hen voor de keus te stellen: òf ze worden allemaal door hem ter dood gebracht, òf ze moeten in gezamenlijk overleg één van hen als slachtoffer aanwijzen en hem of haar gezamenlijk ter dood brengen.
Als ze dat laatste doen, zullen ze verder ongemoeid worden vrijgelaten.
Binnen twee dagen moeten ze hun keuze gemaakt hebben. Aanvankelijk wijzen ze allemaal deze mogelijkheid om vrij te komen als belachelijk van de hand. Ze praten er niet eens over. Maar naarmate de tijd verstrijkt, zijn er een paar bij wie de drang tot lijfsbehoud sterker blijkt dan morele maatstaven. En vlak voor de tijd verstreken is, jaagt het hele gezelschap achter het gekozen slachtoffer aan en knuppelt haar dood.
Alle mensen zijn moordenaars, zegt dat boek, ook de achtenswaardige, keurige burgers die er een hoogstaande moraal op na houden. Die moraal is alleen maar buitenkant, goed en sterk genoeg voor normale omstandigheden, maar in extreme situaties gaat ze onherroepelijk overboord, zij het bij de een wat sneller dan bij de ander. Iedereen is een moordenaar. En dat er zoveel mensen zijn die nog nooit daadwerkelijk iemand vermoord hebben, komt alleen doordat ze nog niet in zulke extreme omstandigheden verkeerd hebben.
Heeft Vahé Katcha gelijk? Ja en nee. Het is waar dat ik van nature geneigd ben God en mijn naaste te haten.
Maar het is niet zo dat dit bij iedereen onverbloemd naar buiten komt, ook niet in de meest extreme situaties.
Ook in de niet-christelijke wereld kunnen we voorbeelden vinden van mensen die in zulke situaties niet uit lijfsbehoud handelden, maar zichzelf opofferden om een ander te redden. In dat opzicht is de roman te zwartgallig. Maar in een ander opzicht boort het boek nog lang niet diep genoeg, omdat helemaal buiten beschouwing blijft, dat de neiging om de naaste te haten voortkomt uit het feit dat de mens God losgelaten heeft. Dat is de diepste corruptie van de mens. Je vergrijpen aan mensen komt voort uit en is ten diepste identiek aan je vergrijpen aan God. Dat maakt enerzijds je zonden jegens mensen veel ingrijpender: tegen U, U alleen, heb ik gezondigd. Anderzijds opent dat juist de mogelijkheid van vergeving. Als moord alleen maar een vergrijp jegens de naaste was, bleef ik ermee zitten. Ik zou nooit van die schuld bevrijd kunnen worden, want ik zou het nooit weer goed kunnen maken met mijn slachtoffer. Juist het feit dat mijn zonde jegens de naaste ten diepste een vergrijp jegens God is, maakt het me onmogelijk te beweren dat ik beter ben dan een ander en dat het met mij nog wel wat meevalt. Maar tegelijkertijd kan ze ook juist daardoor vergeven worden en kan ik van die verpletterende schuld bevrijd worden. Want onze God is een gaarne vergevend God.