Over een opleidingsvoorstel dat geen schoonheidsprijs verdient
1998-07-10
Tijdens de zesde zitting van de Landelijke Vergadering ’98 te Doorn op zaterdag 27 juni stond voor de derde keer de opleiding voor predikanten op de agenda. Nog kon er geen besluit worden genomen. „De vergadering is er nog niet rijp voor”, oordeelde voorzitter A. Wattèl na een lange vergaderdag.- Jaargang 42
- nummer 14
Het moderamen had het zich zo anders voorgesteld. Ruim voor de lunch zou toch duidelijk kunnen zijn wat de afgevaardigden op dit moment wensen te verstaan onder een ’deugdelijke opleiding’ voor aanstaande Nederlands Gereformeerde predikanten. Het mocht niet zo zijn. Het besluitvoorstel van het moderamen dat op korte termijn meer eenheid in opleiding moet aanbrengen, riep te veel vragen en misverstanden op. Het moderamenvoorstel is gebaseerd op gespreksronden en ingediende voorstellen tijdens twee eerdere zittingen. Het bestaat uit twee delen.
Deel I heeft betrekking op de korte termijn; deel II op de lange termijn. In deel I wordt als ’deugdelijke opleiding’ voorgesteld: het doctoraal II van de Theologische Universiteit Apeldoorn, of de opleiding aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie, aangevuld met het doctoraal II van de Theologische Universiteit Kampen of van de Theologische Universiteit Apeldoorn (duur van de aanvullende afronding in Kampen of Apeldoorn is ongeveer vijftien maanden).
Van studenten aan andere universiteiten wordt het doctoraal II gevraagd, aangevuld met kerkelijke vakken. Verder wordt gesteld dat het ter beoordeling van de Theologische Studiebegeleiders is of aanvullende tentamens nodig zijn. Volgens het moderamen-voorstel is Theologische Studiebegeleiding (TSB) voor alle studenten verplicht. Deel II, waaraan de afgevaardigden zaterdag niet toekwamen, behelst drie toekomstmogelijkheden ten aanzien van de opleiding voor predikanten: (1) toewerken naar een eigen basis-opleiding, (2) toewerken naar een eigen topopleiding, en (3) het laten bij de situatie zoals die in deel I is geformuleerd.
’Schijneenheid’
Het eerste deel van het moderamenvoorstel ontmoette veel weerstand bij een aantal afgevaardigden. Volgens ds.
R. Venderbos uit Dalfsen biedt het voorstel ’een schijnoplossing die een schijneenheid creëert’ (allemaal doctorandi in de pastorie). Venderbos zei zich overvallen te voelen door het moderamenvoorstel, noemde het ’heel kort door de bocht’ en pleitte ervoor om eerst tijd te nemen voor een inhoudelijke discussie over het Seminarie alvorens een besluit te nemen. Ds. C.T. de Groot uit Lelystad vroeg zich af op grond waarvan het moderamen meent dat een opleiding aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie een aanvulling behoeft. „Er is geen inhoudelijke toetsing geweest.” Bovendien noemde hij het ’weinig koninklijk’ dat er formeel nog geen aansluiting op tafel ligt tussen het NGS en de universiteiten van Kampen en Apeldoorn.
Schoonheidsprijs
Ds. W. Smouter uit Breukelen die zich tijdens eerdere zittingen al een groot voorstander had betoond van meer gelijkheid in opleidingsniveau van aanstaande predikanten op korte termijn, verdedigde het moderamenvoorstel.
Het is volgens hem geen mooi visionair plan en verdient als zodanig ook geen schoonheidsprijs. Het regelt echter voor dit moment wél de zaken „op een eerlijke, ordelijke en verantwoorde manier”.
Voor inhoudelijke toetsing van het Seminarie door de Landelijke Vergadering zei hij weinig te voelen. In het moderamenvoorstel wordt het Seminarie impliciet erkend, zij het dat een afronding elders noodzakelijk is. Toetsing kan beter worden overgelaten aan de prudentie van de Universiteiten van Apeldoorn en Kampen. Ook het feit dat formeel nog niet is voorzien in een aansluiting van het Seminarie naar Kampen of Apeldoorn, zag Smouter niet als een belemmering. „Het Seminarie moet zijn opleiding op orde hebben. Heeft het dat, dan is de overgang naar een van de universiteiten niet groot en dus geen groot probleem.” Na de zomerstop („Een mooi moment voor reflectie”, vond voorzitter Wattèl) staat de opleiding voor predikanten opnieuw op de agenda van de afgevaardigden.
Afscheid
Tussen de discussies door werd zaterdagochtend afscheid genomen van de twee Theologische Studiebegeleiders van het eerste uur: drs. H. de Jong en drs. H. Smit. Voorzitter Wattèl memoreerde hoe het werk van de TSB in 1969 begon toen een groepje buitenverband geplaatste theologie-studenten bij elkaar kwam en ds. De Jong vroeg hen te begeleiden. Hij vroeg er op zijn beurt ds. Smit bij. Dertig jaar later is het werk dat zij begonnen met ds. O. Mooiweer (die een aantal jaren geleden al afscheid nam), niet meer weg te denken.
„Een periode wordt nu afgesloten.” Wattèl bedankte De Jong en Smit ieder afzonderlijk voor het vele werk dat zij mochten doen. Tegen De Jong die de bijbelse vakken voor zijn rekening nam, zei hij: „U leerde de studenten in alle eerlijkheid de Schrift te bevragen. U stond open voor originele, niet-traditionele gedachten; te orthodox voor de modernen, te modern voor de orthodoxen.
Uw diepe Schriftinzicht, oprecht geloof en liefde voor het Woord, voor de Heer, lieten op studenten een grote indruk achter.” En tegen ds. Smit, verantwoordelijk voor de dogmatologische vakken: „U bent erin geslaagd de studenten weet te doen krijgen van de relevantie van de leer, u bracht een duidelijke relatie tussen leer en werkelijkheid.” De wijze waarop hij zich met de studenten onderhield, was gedegen, spitsvondig, geestig, doorleefd en weldoordacht. „U was de middenvelder.” De Jong dankte voor het vertrouwen dat al die jaren in hem is gesteld. „Wat ik meende te moeten zeggen, heb ik in mijn gebrekkigheid gezegd. En ik heb ook wel eens wat teruggenomen.” Ook Smit betoonde zich „ontzaggelijk dankbaar” voor het werk dat hij mocht doen. „Ik heb er erg veel aan gehad.”
CGK-GKV-contacten
Een onderwerp dat zaterdagochtend wel via een stemming kon worden afgerond, was het eerder besproken contact met de Christelijke Gereformeerden Kerken en Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).
De besluiten houden in het kort in dat de Landelijke Vergadering zich er voorlopig bij neerlegt dat samensprekingen niet worden voortgezet. De binding aan Schrift en belijdenis zal niet worden aangehaald in het Algemeen Akkoord voor Kerkelijk samenleven (AKS). De binding is opgenomen in de preambule van het AKS en dat is voldoende. In het besluit staat verder dat er alles aan moet worden gedaan om de plaatselijke toenadering en samenwerking te bevorderen, waarbij ’enige vorm van landelijk contact’ zeer gewenst is.
Diaconale Commissie
Nog een onderwerp dat zaterdag via stemming werd besloten was de structuur van het Centraal Diakonaal Comité (CDC). Een grote meerderheid van de afgevaardigden ging ermee akkoord dat het Comité wordt omgezet in een Diaconale Commissie. „Als Commissie hebben we de bevoegdheid om een officieel kerkelijk standpunt in te nemen. We kunnen dan meer doen. Bovendien wort het diaconale werk meer geïntegreerd in het landelijk verband van onze kerken als we de status van Commissie krijgen. Diaconale zaken kunnen we dan als dat zinvol is, voorleggen aan de Landelijke Vergadering”, aldus voorzitter Van Egmond van het CDC.
(Een comité heeft een ’lagere’ status en kan dat niet). Na een vurig pleidooi van ds. Job Smit („Ik ondersteun van harte dit voorstel. Diaconale zaken behóren op onze agenda te staan. Er is geen enkele reden om terughoudendheid te betrachten ten aanzien van diaconale zaken.”) werd het voorstel van het CDC met 36 stemmen voor, één stem tegen en vier onthoudingen aangenomen.
Krijgsmacht
Ander agendapunt zaterdagmiddag was het rapport van de Commissie voor de Geestelijke Verzorging van militairen. Ds. J.M. Smelik uit Nieuwegein benadrukte in zijn korte toelichting op het rapport dat het ’categoriale pastoraat’ (pastoraat in specifieke sectoren als verpleeghuizen, gevangenissen) heel veel vraagt van een predikant. „Het vraagt eerder méér van een predikant dan minder. Het is een specialisme.” Volgens Smelik „steekt het veel nauwer of iemand een goed pastor is als hij buiten de kerk werkt. Hij is een visitekaartje.
Een rondwandelende Jezus.” Waarop ds. Van der Linden uit Ede zachtjes in de microfoon zei: „Ik schaam mij diep. Wanneer heb ik voor het laatst voor uw werk gebeden?”