Seksueel misbruik en de kerk...
1998-07-10
Het is hoog tijd dat we in de kerk duidelijke taal leren spreken over seksueel misbruik. De tijd dat we onze kop in het zand konden steken is voorbij. We zijn via de media, en soms ook in directe contacten binnen gemeentes, met de neus op de feiten gedrukt. Dat is een goede zaak. Maar dan? Hoe ga je daar als kerken mee om? Hoe houd je rekening met het feit dat minstens één op de tien kerkgangers beschadigd is door seksueel misbruik? Hoe kan de kerk recht doen en een schuilplaats bieden? En kan ze vervolgens ook nog zorgvuldig omgaan met daders, omstanders en andere betrokkenen? Als zulke vragen aan de orde komen wordt het moeilijk. Dan worden onvermogen en gebrek aan inzicht soms pijnlijk duidelijk.- Jaargang 42
- nummer 14
Met enige regelmaat spreek ik nog steeds predikanten binnen en buiten onze kerken, die nooit een slachtoffer of dader van seksueel misbruik hebben ontmoet. Hoe dat kan? Dat is niet zo moeilijk. Slachtoffers en daders zullen uit zichzelf wel blijven zwijgen. Een kerk, een predikant, hoeft maar de indruk te wekken niet open te staan voor hun verhalen, en hij zal ze nooit horen. Ik hoor nog wel eens een preek en lees nog wel eens een kerkelijk artikel. Vele daarvan zijn op zich prima, en komen voort uit goede bedoelingen. Als ik echter luister met de oren van iemand die beschadigd is (en dat is voor mij niet zo moeilijk door mijn eigen ervaringen), dan komt het soms totaal anders over.
Tamar
Er wordt in de bijbel een gebeurtenis verhaald, waar scherp en indringend het probleem van seksueel misbruik aan de orde wordt gesteld. Het is de verkrachting van Tamar door Amnon (2 Samuël 13:1-22). Daar staat duidelijke taal. Dat het zo duidelijk bij de naam genoemd wordt wijst er op dat de Here God zelf ons iets te zeggen heeft. Natuurlijk, het is beschreven in een andere tijd, een andere wereld, met andere wetten en gewoonten, en je kunt dan ook niet alles zo overplanten. Toch worden we in deze tekst pijnlijk geraakt door de strategieën van seksueel misbruik, de gevolgen en het onvermogen om er mee om te gaan.
Misschien ook met de rol van God daarin, maar voor we daar naar vragen moeten we eerst zien wat er precies gebeurt. Het speelt in de tijd van koning David. Kort daarvoor heeft hij overspel gepleegd met Bathseba, en haar man Uria laten doden. List en bedrog, verkrachting en doodslag. En de zonde gaat door. Tot het derde en vierde geslacht, zou je bijna zeggen. Amnon is één van Davids zoons. Een halfbroer van Absalom en Tamar. Zoals gewoonlijk zijn de namen vol betekenis. Hier is dat een wrange betekenis.
’Amnon’ betekent ’betrouwbaar’. ’Absalom’ betekent ’vader van vrede’ of ’rijk aan vrede’. Tamar tenslotte is een rechtstreekse verwijzing naar die andere Tamar die door Juda misbruikt werd, maar die daarna voor zichzelf op kwam en overwon. Hier is Amnon de onbetrouwbare, Absalom de wreker, en Tamar moet er het zwijgen toe doen.
Een afschuwelijke omkering
De oorzaak ligt bij Amnon. Laat daar geen misverstand over bestaan. Hij valt op Tamar, zijn mooie halfzuster.
Hoe diep de liefde gaat, kun je betwijfelen als je het vervolg leest. Hij wil haar hebben. In de vertaling lijkt het alsof hij nog gewetensbezwaren heeft: ’zij was een maagd, en het leek hem onmogelijk haar iets aan te doen’. Wat er bedoeld wordt is: zij woonde als maagd in een apart, beschermd huis, en Amnon zag geen mogelijkheden haar te pakken te krijgen. Zijn hele leven draait nog maar om één vraag: hoe? Hij wordt er bijna ziek van. In gesprek met een sluwe vriend ontstaat het web van de dader.
Manipulaties
Bij het spinnen van dat web zijn list en bedrog al begonnen. Tegen zijn vriend heeft Amnon het over ’Tamar, de zus van Absalom’. Tegen zijn vader heeft hij het over ’mijn zuster’. Zonder aarzeling wordt precies dat gezegd wat in zijn kraam te pas komt. Het zijn geen leugens, maar het is wel een selecteren van de waarheid, een manipuleren en spelen met mensen. Of eigenlijk: met dingen. Hij ziet immers Tamar niet meer als mens, maar als object. Speelgoed. Gebruiksartikel, goed om zo weer weg te gooien als je er je lusten op botgevierd hebt.
Amnon speelt zijn rol. Hij houdt zich ziek, en kan zo de regels omzeilen. Als hij ziek is, mag Tamar wel bij hem komen, en krijgt hij een kans om haar onder vier ogen te ontmoeten. Om die schijnbare vertrouwelijkheid op te voeren worden de bedienden met een list weggestuurd. Als ik dit lees, moet ik onmiddellijk denken aan alle verhalen van seksueel misbruik die ik inmiddels gehoord heb. De vormen verschillen, maar iedere keer zie je weer dat een dader moedwillig een web weeft waarin het slachtoffer gevangen wordt. De daders maken gebruik van het vertrouwen dat kinderen en vaak ook hun ouders hebben. Een aardige man, een lieve vrouw, zo leuk met kinderen.
Betrouwbaar, maar dat betekende ’Amnon’ ook. Stap voor stap wordt het web dichter geweven tot het slachtoffer geen kant meer op kan. En dan volgt het seksuele verzoek. Nou ja, verzoek... Dat suggereert dat je weigeren kunt. ’Hij greep haar vast, dwong haar.’ Tamar spreekt duidelijke taal. Het is onteren, het is schande, het is dwaasheid. Dat zijn in Israël zeer ernstige woorden. Met deze woorden beroept ze zich op de wet van God, die toch ook voor Amnon belangrijk moet zijn. Het gaat om een breken met de hele wet van God. Het is goddeloos wat Amnon doet. Ze doet ook nog een beroep op Amnons redelijkheid: we worden er allebei slechter van.
Het speelt zich allemaal af binnen de kaders van Israël en de wet en gewoonten van toen. Om de eer te redden stelt ze dan ook voor dat Amnon haar als vrouw vraagt. Dat zou bij ons anders gaan, omdat wij uitgaan van een vrijwillige wederzijdse keuze.
Dat was toen anders, en daardoor liepen vrouwen in die tijd toch al meer risico gebruikt en vernederd te worden.
Maar ook in onze tijd helpt een beroep op Gods wet of op de redelijkheid vaak weinig. Goddeloosheid en geweld zijn onredelijk, en wanneer een dader zijn seksueel misbruik zo voorbereid en gepland heeft, en een kind of minder machtige volwassene in zijn of haar macht heeft, dan helpt niets meer.
Hij overweldigde haar, onteerde haar, verkrachtte haar. En daarna verstootte hij haar, haatte haar, had een afkeer van haar. Niks geen liefde. Het is geweld. Seksueel misbruik is geen uit de hand gelopen seksualiteit. Het is geweld door middel van seksueel contact. Het gaat om macht, overheersing. De ander gebruiken als ding.
Wie luistert naar verhalen van slachtoffers hoort telkens dit refrein. Steeds weer dezelfde patronen van machtsmisbruik. Altijd weer het zoeken naar kwetsbare mensen, meisjes en jongens, die onvoldoende bescherming hebben en onder valse voorwendselen in het net worden gelokt.
Reacties
Ook het vervolg is bekend. Akelig bekend. Tamar, het slachtoffer, verscheurt haar pronkgewaad. In rouw en boete, alsof zij schuldig is. In een wereld van leugens en manipulaties wordt alles omgedraaid. Amnon, zogenaamd de betrouwbare, en Tamar die zich schuldig voelt en rouwt om het leven dat haar is afgenomen. Tamar zegt geen woord meer in het verhaal. Ze gaat wonen in het huis van haar broer Absalom, als een eenzame. Teruggetrokken, voorgoed beschadigd. Slachtoffers zwijgen in onterechte schaamte en schuldgevoel. Amnon niet, die gaat voorlopig vrijuit. Nog steeds een lievelingszoontje van vader David. Want die doet er niets aan. Ja, hij wordt boos, als hij het hoort. Maar verder? David reageert zoals eens de priester Eli, die zag hoe zijn zoons afdwaalden, zich misdroegen, en er niets aan deed. Zo ook David. Gods wetten overtreden, zijn dochter verkracht, geestelijk zwaar beschadigd, en David doet niks. Na het hele gebeuren met Bathseba kon hij ook weinig meer zeggen. Wie zo de toon heeft gezet, kan ook zijn kinderen niet meer leren wat goed is.
Wat dat betreft heb ik in deze geschiedenis meer waardering voor Absalom.
In het begin nog niet. Absalom komt ook niet verder dan een goedkope troost en een verkeerd advies. Stil maar. Praat er niet over. Het is je broer. Als het een vreemde was geweest had Absalom onmiddellijk een eerlijke rechtspraak geëist, en dat zou in die tijd de doodstraf betekend hebben.
Maar ja, het is familie. Je hangt de vuile was niet buiten. Dus als Tamar nu haar mond houdt, blijft alles bij het oude. Opnieuw wordt het slachtoffer opgeofferd aan de belangen van anderen. Het belang van de familie.
Van de eer. Wat ik waardeer in Absalom is dat hij wel solidair is met Tamar. Ondanks zijn verkeerde woorden. Hij staat aan haar kant. Hij haat Amnon om wat die Tamar heeft aangedaan. Zoals het in Psalm 139 staat: Zou ik niet haten wie U haten? Ik haat hen met een volkomen haat. Zo haat Absalom nu zijn halfbroer. Volkomen. Twee jaar later is die haat zo volgroeid, dat Absalom Amnon laat doden. In de loop van de jaren daarna loopt het uit op een totale ondergang van het koningshuis van David. Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is kan geen standhouden, zou de Here Jezus later zeggen. En een gezin, een land, een kerk waarin geen recht wordt gedaan, zal ten onder gaan. Ik mag Absalom wel, ook al kiest hij verkeerde wegen. Absalom is de enige die het – op zijn eigen, onbeholpen manier – nog een beetje voor Tamar opneemt. Verder geldt voor Absalom wat ook voor David geldt. Tot op de dag van vandaag geldt het voor de meeste ouders, kerken, predikanten, hulpverleners, omstanders: een totaal onvermogen om zorgvuldig om te gaan met seksueel geweld. We weten dat het er is. We weten inmiddels dat minstens 10 procent van de jongens en 15 procent van de meisjes voor ze achttien zijn tegen hun wil tot seksueel contact gedwongen zijn. Dat zijn voorzichtige schattingen. We weten dat onder de daders vooral mannen, maar ook vrouwen zijn. Vaak vriendelijke, schijnbaar betrouwbare mensen. We weten ook dat het in de kerk even vaak voorkomt als daar buiten. En we zeggen dat het niet goed is. Natuurlijk. Maar daarna?
Waar is God?
En God? Waar is God in dit verhaal? Hij staat niet op de voorgrond. Hij komt zelfs in de bijbeltekst niet voor.
Misschien terecht. Want juist voor slachtoffers van seksueel misbruik is de relatie met de Here God vaak zo problematisch, zo verstoord. Kort geleden stond in de krant een aangrijpend stuk van ouders van een jongen die door een pastoraal werker jarenlang misbruikt werd. Zij schrijven: „bidden hielp niet, de dominee kreeg hem steeds weer uit de kleren, en terwijl deze pastor zijn gang ging, probeerde de jongen aan iets anders te denken.
Zo raakte hij ervan overtuigd dat God niet bestond.” Als je weet dat het voor slachtoffers zo moeilijk is om nog te vertrouwen, te geloven, moet je God er niet te snel bij halen.
Als je zijn naam in dit kader wilt noemen, doe het dan als Tamar. Zij is de enige die verwijst naar God, hoe indirect ook. Zij weet dat God dit niet wil.
Zij weet dat de Here God een hekel heeft aan mensen die anderen – zijn schepselen – beschadigen, kapot maken. Het zijn demonische krachten, die een wig drijven tussen kinderen van God en hun hemelse Vader. Een goddeloze gruwel. Daarom is de bijbel overal even duidelijk als het gaat over de zorg voor de zwakken, de onderdrukten, de mensen die als Tamar in eenzaamheid lijden omdat ze geen helper hebben. Als je Gods naam er bij wilt halen, doe het dan als de Bevrijder, de Heelmeester, de Heiland. Zoek dan je troost bij de Here Jezus, die net zo gemanipuleerd, gebruikt en gekruisigd werd. In de Here Jezus zien we hoe God zelf het afschuwelijke drama ondergaat, en hoe Hij bij de opstanding het geschonden leven in eer herstelt.
Oproep aan de kerken
Wat nodig is, is een erkenning van het slachtoffer. Recht doen aan wie onrecht is aangedaan. Stem geven aan wie het zwijgen is opgelegd.
Recht doen. Geen wraak. Want daarmee doet ook Absalom - vol van vrede - afbreuk aan zijn naam. De weg die Absalom gaat, is uiteindelijk even heilloos als de weg van David, die machteloos aan de zijlijn blijft. Erkenning van het slachtoffer betekent dat we ondubbelzinnig kiezen om aan hun kant te staan. Dat we ruimte scheppen waar mensen veilig zijn. Dat we het mogelijk maken dat mensen die zo beschadigd zijn hulp en misschien een beetje herstel vinden.
Wat is er voor nodig om kerk te zijn waar slachtoffers veilig zijn? In de eerste plaats moet er ondubbelzinnig gekozen worden voor recht. We zijn gewend om zaken die mensen elkaar aan doen onder de noemer van de vergeving te brengen. Daarmee worden echter de slachtoffers met hun schuldgevoel extra in de klem gezet, en het wordt daders wel erg makkelijk gemaakt hun plaats in de kerk te behouden. Verzet, recht en opstand zijn in dit kader misschien eerder aan de orde als christelijke norm dan vergeving.
In de tweede plaats moet er duidelijkheid geboden worden - in preken, catechisaties, kerkbodes - dat ervaringen van seksueel misbruik bespreekbaar zijn. Dat er ruimte is om gehoord te worden. Alleen als vanuit de kerk en de predikanten expliciet erkenning en begrip worden aangeboden, is er kans dat het verhaal boven water komt. De tijd van zwijgen is voorbij. We zullen als gemeente van Jezus Christus de gebrokenheid die er onder ons is onder ogen moeten zien. Nog altijd is er veel te weinig oog voor de tientallen, duizenden, die in stilte lijden, omdat hopelijk goedbedoelende omstanders zeggen: „zwijg er over”’.
Dat zou plezierig zijn voor daders, en voor omstanders. Dan zouden we de illusie in stand kunnen houden dat onze gezinnen, kerken en scholen veilig, warm en betrouwbaar zijn. Maar de prijs daarvoor wordt betaald door mensen die geen helper hebben.
In de derde plaats zal het nodig zijn dat we onze preken, leerstellingen en opvattingen niet alleen beoordelen op de vraag of het een zuivere weergave van de oude boodschap is. We zullen ook moeten vragen of het een weergave is die heil of onheil brengt aan mensen die geschonden zijn in het diepst van hun ziel. Als de juiste boodschap bij hen de pijn en beschadiging verergert, dan klopt er iets niet, hoe dogmatisch juist het ook mag wezen, en hoe fijn de rest van de gemeente het ook mag vinden. Om hier oog voor te krijgen zouden predikanten en kerkenraden zich grondig moeten laten informeren over seksueel misbruik en de gevolgen, al is het maar om zich niet te laten misleiden door de manipulaties van daders. Wat dat betreft zou het goed zijn als er ook in onze kerken een werkgroep kwam die echt goed op de hoogte is, kerkenraden en predikanten kan informeren, aan de bel kan trekken, en ook kan adviseren hoe een goed pastoraal beleid op dit punt kan worden opgezet.
Ik pleit niet voor een heksenjacht tegen mensen die over de grens gaan. Ook daar is pastorale zorg nodig die in eerste instantie vooral helder en confronterend is. Ik vraag - in naam van al diegenen die beschadigd zijn, zoals het bloed van Abel roept tot de hemel - om een kerk waar het recht, de waarheid en de liefde zegevieren.
Waar verhalen van pijn en onrecht werkelijk gehoord worden. Waar niets wordt toegedekt en niets gewroken.
Waar kinderen worden beschermd, slachtoffers in ere hersteld en daders worden aangesproken. Ik vraag om een kerk van Jezus Christus, die anders dan Amnon de betrouwbare en Absalom vol vrede haar naam eer aandoet. Ik vraag niets meer dan een kerk waar iets van Gods Koninkrijk zichtbaar wordt. Zou de Here minder van ons vragen?