Een godsdienst zonder naam

1998-07-24
  • Jaargang 42
  • nummer 15
Het was de onvergetelijke, nederige zendingsreus J.H.Bavinck die indertijd met deze rake omschrijvingodsdienst zonder naam- de religies van Afrika, van de Indianenstammen in Amerika, van eilanden in de Stille Oceaan en de Indische Archipel allemaal samen heeft willen vangen.

Hij deed dat nu bijna vijftig jaar geleden in zijn fijne boekje In De Ban Der Demonen, aan de éne kant om te laten zien dat benamingen als natuurreligie, primitieve religie of animistische religie feitelijk minder juist zijn, aan de andere kant om met ”godsdienst zonder naam” duidelijk te maken dat er nauwelijks een omschrijving te vinden is voor al die religies die hoezeer op het oog af verschillend, toch eigenlijk gelijk zijn, een godsdienst die zonder eredienst, zonder een omlijnd godsbegrip eerder een religieus levensgevoel is dan een religie zoals de Islam of het Boeddhisme. Maar helaas, de zo rake typering van Bavinck werd zoals het meeste van zijn werk, dikwijls ongebruikt in onze archieven weggesloten.
Overigens tot schade van de zending want vandaag zijn we als Gereformeerden nog niet veel verder dan waar Bavinck ons bracht.

De Afrika-religie zoals al die godsdiensten zonder naam blijft voor de Westerling ergens ongrijpbaar; je komt er geen dienst tegen, aan welke god ook maar, je krijgt er geen houvast aan totdat je stuit op het geloof in ”kracht”. Elk mens samen met zijn ’dingen’ zoals zijn schaduw, zijn haar, zijn hoed, zijn nagels, zijn uitwerpselen beschikt over een verborgen kracht die in geen relatie staat tot de grootte, de functie, de kleur of plaats van hem of haar of het, maar die zo geheimzinnig ontwikkeld, gestuurd en gemanipuleerd kan worden dat hij de één machtiger kan maken dan de ander of ook zwakker dan de ander. Mijn westerse hand kan net zo goed groente planten als de jouwe in Kampen -zo vinden wij- maar in Afrika (en al die andere gebieden) kan de hand van de één dat veel beter dan die van de ander. Ik heb er wel bij gestaan hoe iemand, speciaal van vijftien kilometer ver gehaald, pampoenpitten moest planten bij iemand op Groothoek want zijn hand kon dat; daarin huisde een verborgen kracht. Maar ook dode dingen als wapens, koorden, brokjes steen, woorden of wat ook kunnen dragers zijn van die verborgen kracht; ze kunnen die krijgen door menselijk toedoen maar ook mensen -en daar heb je dan wel specialisten voor nodig- kunnen die kracht er ook weer uithalen of neutraliseren. Herinner ik me goed dan was het onder bij ”mijn” Umkomaasrivier hoe een man voor de grap de hoed van een ander even opzette maar niet dan na er even symbolisch in gespuwd te hebben. Dat was om eventueel voor hem schadelijke krachten even op non-actief te zetten.

Het is wel duidelijk dat zo’n krachtgeloof anders tegen de wereld aankijkt dan wij die elk ding of mens op zichzelf bekijken. We hebben hier te doen met een levensbeschouwing waarin alle dingen en mensen van elkaar afhankelijk zijn in één groot spinnenweb van krachten.
Ook de gestorven voorouders die in die ”godsdienst zonder naam” wereldwijd vaak aanbeden worden, staan niet buiten dat krachtenweb. Zij zitten er ook in maar hebben daarbinnen meer kracht dan wij, zij kunnen ons leven hevig laten schudden. En God dan? Ja, Die is wel de bron van kracht, het concentratiepunt ervan maar eigenlijk onbereikbaar. Met Hem kun je weinig beginnen of bereiken. Op zijn best via-via met een omweg. Zou ”kracht-religie” een beter woord zijn dan het voorlopige ”godsdienst zonder naam” van Bavinck? Belangrijker en vooral moeilijker is de vraag: wat moet ik als Christen met zo’n vreemde, ongrijpbare religie aan? Hoe krijg ik daar vat op?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief