Schimmen van de antichrist
1998-07-24
Joseph Roth, die vooral bekend is als de schrijver van de roman Radetzkymars, heeft nadat hij nazi-Duitsland moest verlaten, een boek geschreven en hier in Nederland in 1934 uitgegeven, dat meen ik veel minder bekend geworden is, hoewel het toch bijzonder fascinerend is. De titel is Der Antichrist. Wie wel eens een film ziet of naar het journaal of een actualiteitenrubriek kijkt ’en wie doet dat tegenwoordig niet?’ zou zich bewust moeten zijn van wat Joseph Roth daarover in dit boek schreef. Een deel daarvan (p. 43-54) heb ik vertaald en laat ik hier volgen. Hoewel een enkele passage in het boek enigszins gedateerd is, blijft het geheel van een verbijsterende actualiteit. Het zou mooi zijn als het hier volgende fragment u ertoe brengt het hele boek te gaan lezen.- Jaargang 42
- nummer 15
”Mijn eerste ontmoeting met de antichrist vond vele jaren geleden plaats, toen ik nog een knaap was en het wonder van de levende schim1 voor de eerste keer op me af kwam. Een grote wagen, door onzichtbare krachten getrokken, kwam toen aanrijden, bleef op een open plek voor de stad staan en lanceerde een grote, door een kleine linnen tent bedekte machine, en daaroverheen werd een grote tent, eveneens van linnen, uitgespannen als een gewelf, en als men naar binnen ging, was dat gewelf als een blauwe hemel, bezaaid met gouden en zilveren sterren. Het was als een firmament.
Omdat het menselijke oog namelijk niet in staat is van de echte besterde hemel meer te bevatten dan wat een ruime opgeblazen tent van de hemel kan weergeven, zagen de ogen van de mensen even veel of even weinig als van de echte hemel, wanneer ze ’s nachts omhoogkijken. Het gewelf was blauw en de sterren waren net zo onbereikbaar en net zo dichtbij als de echte sterren. Want aangezien de mens nu eenmaal niet zo groot gegroeid is, dat hij reikt tot aan de koepel van een door een van zijns gelijken gebouwde circustent, liet het de mens die onder het gewelf zat, volkomen koud of dat nu de echte of een nagemaakte hemel was. Noch de ene noch de andere kon hij met zijn handen grijpen. Dientengevolge nam hij graag aan dat de ene de andere was of de andere de ene. En daar het helemaal donker werd onder en binnen dit gewelf van tentlinnen, was de mens ervan overtuigd dat hij was opgenomen in een heldere, besterde zomernacht. Men hoorde een totaal onbekend geratel en gesnor en gezoem en gesuis en gefluister en gedonder, vreemd en hevig. En als men omhoog en om zich heen keek, zag men een soort vierkante kegel ’ welks oorsprong en in zekere zin moederschoot een klein, helder, vierkant, door zwarte wanden omgeven gat was ’ die gelijkmatig en geleidelijk boven de hoofden van de mensen in een vaal licht aanzwol, steeds voller en steeds hoekiger, tot ze het linnen scherm bereikte en het bedekte, precies als wanneer een rivier van vaal licht uitmondt in een zee van vaalheid, waarbij deze door de hierdoor oplichtende vaalheid pas zichtbaar wordt als wat ze is, namelijk als een vierhoekige zee. En men zag de kruiselings en dwars gespannen draden van deze vierkante, rechtopstaande, uitgespannen, droge zee. En de kegel, de vierkante, maakte boven ons hoofd een merkwaardig snorrend geluid, en als men naar de kegel keek, meende men te weten, dat het geluid veroorzaakt werd doordat de miljarden minuscule stofdeeltjes, die erin ronddwarrelden, tegen elkaar schuurden. En het was voor onze oren heel merkwaardig, dat zulke nietige, uit stof en niets bestaande deeltjes ’ ook al waren het er miljarden ’ toch zo’n hoorbaar gesnor konden veroorzaken. Opdat we echter het gesnor van deze stofmoleculen niet meer zouden horen, begon onder het linnen scherm een menselijke muziekkapel marsen en walsen te spelen. Ze overstemde het gesnor van de stofmoleculen inderdaad....
En toen de eerste levende schimmen op de vierkante rechtopstaande droge zee verschenen en de muziek er marsen en walsen bij speelde, en de pauken dreunden, en de triangels klingelden, hoorden we het snorren van de met elkaar vechtende stofmoleculen binnen de vierkante kegel niet meer. Maar we beseften wel, dat boven onze hoofden, uit het nietige vierkante gat, de geboorteplaats van de stoffige kegel, ook de grote levende schimmen hun leven en hun snelheid verkregen.
Ja, ze ontsprongen aan het nietige vierkante gat, en ze verstonden de kunst om dwars door de hele enorm uitdijende kegel heen onzichtbaar te blijven, totdat het hun, inmiddels bedrieglijk levensgroot geworden, behaagde zich op het linnen scherm zichtbaar te maken. Ja, het waren schimmen! Het waren er minder dan de luchtstofjes, die zich in de lichtkegel met zoveel gesnor tegen elkaar aan wreven. Het gelukte deze schimmen, zonder door de miljarden stofjes aangetast te worden en dwars tussen deze stofjes door, van het kleine vierkante gat van het apparaat achter onze rug tot aan de grote vierkante zee hun weg te vinden.
Toen zag ik voor de eerste keer naakte vrouwen, dat wil zeggen: schimmen van naakte vrouwen.
Het is ver van ons te beweren, dat dit het middel van de verzoeking door de antichrist geweest is.
Want de naakte mens is door God geschapen en niet door de antichrist.
En precies zover als wij ervan verwijderd zijn in de naakte mens de zonde te zien, is de antichrist ervan verwijderd ons enkel door de naaktheid te willen verleiden. Nee, niet in naaktheid toont hij zich en verraadt hij zich; maar in het doel waartoe hij naaktheid als ook kleding van de mens aanwendt.
Men toonde op het linnen scherm de Egyptische prinses. Naakt baadde ze in de Nijl in gezelschap van haar naakte speelgenotes. Ze viste een van binnen en van buiten met pek bestreken kistje op. In dit kistje lag Mozes, de leider van de Joden, de wetgever van de wereld.
Heel nietig, verdwijnend nietig, was het kistje waarin Mozes, de leider van de Joden en de wetgever van de wereld, lag. Maar groot en prachtig waren de borsten en de dijen van de prinses en van haar badende vriendinnen, en hoewel de wetgever van de wereld toch meer te betekenen heeft dan een vrouwelijke borst, verdween het kistje waarin hij lag al gauw, als het ware weer opgeslokt door de lichtende stofkegel, en de prinses plonsde naar de oever toe, en men zag haar rug, zoals men even eerder haar borst gezien had.
En aangezien alles in de wereld met elkaar samenhangt, geloven we dat men ook het waarheidsgehalte van de ware dingen vervalst en verleugent als men ze benut als verpakkingsmateriaal voor het verhevene en geweldige.
En aangezien men de wonderbaarlijke ontdekking van de wetgever der wereld heeft gebruikt om de mooie borsten en de mooie ruggen van de Egyptische vrouwen te tonen, heeft men ook de schoonheid van hun borsten aangetast. Dat was ook de bedoeling van de antichrist. Dat is altijd zijn bedoeling: het ene wonder omlaaghalen door het andere. Ook daaraan kunnen we hem herkennen.
Later vertoonde men de oorlog. Het was de oorlog van Rusland tegen Japan. Complete regimenten marcheerden. Ze trokken niet van rechts naar links of omgekeerd, maar ze kwamen, aanvankelijk klein als stofjes, uit de achtergrond van het linnen scherm, die in werkelijkheid helemaal geen achtergrond was, werden steeds groter, zwollen op en marcheerden zo, steeds reusachtiger wordend, regelrecht op ons af. Ze wilden met hun met ijzer beslagen laarzen de eerste rij van de toeschouwers al onder de voet lopen, de eerste twee rijen van de op ons af marcherende soldaten tilden hun zware voeten al op om ze op onze nek te zetten en wij doken al ineen om ze te incasseren. Maar toen verdwenen ze, zomaar, zoals schimmen verdwijnen. Want buiten het linnen scherm hadden ze niets te zoeken. Ze hadden het uiterste bereikt, wat schimmen bereiken kunnen. Ze konden groeien, tot kolossen opzwellen. Maar in de mate waarin ze reusachtiger werden, werden ze ook vluchtiger en nietiger en door de kolossale vervaarlijkheid van hun beslagen laarzen heen werd het weefsel van het linnen scherm al zichtbaar. Ze werden weliswaar groot, de schimmen, maar ook poreus. Gaten verschenen, heldere gaten, midden tussen hun geweldige lichamen, en hoe meer ze dreigden, des te machtelozer werden ze.
De eerste dubbele rij loste zich op, de tweede, de derde, de vierde, de tiende. En al gauw wisten we dat het niet meer nodig was ineen te duiken.
Hierna echter, nadat deze schrik was overwonnen, overviel ons een nog veel grotere. En deze bestond hierin, dat we wisten dat de regimenten die op ons af marcheerden, de afbeeldingen waren van echte dubbele rijen.
Op het moment waarop ze werden opgenomen, hadden ze werkelijk als levende wezens zo gemarcheerd.
Alleen al doordat men hen opgenomen had, waren ze schimmen geworden, wat ze pas later hadden moeten worden en wat ze, korte tijd na de gelukte opname, ook werkelijk werden. De schrik die ons bij hun aanblik aangreep, bestond dus hierin, dat wij, die er toen nog niet, zoals de huidige mensen, aan gewend waren levende schimmen te zien zonder levende lichamen, op dat moment niet wisten of de schimmen die op ons af marcheerden, mogelijk die van de gevallen soldaten waren,. Intussen was bij deze en gene de herinnering aan de bijbelse beelden misschien weer bovengekomen, dat wil zeggen aan de borsten van de badende Egyptische vrouwen. En aangezien ook zij, zoals elk kind moest weten, sinds vele duizenden jaren dood en vergaan waren, bevestigde ook deze wetenschap als het ware de dood van de schimmen der soldaten.
Intussen: van het werkelijke wonder, dat ons verheft of met een innerlijke blijdschap vervult, onderscheidt zich het zogenaamde technische wonder, dat ons alleen maar verschrikt of overdondert of met hoogmoedige trots op onze vooruitgang vervult. Want we weten immers, dat er alleen maar ’natuurlijke dingen’ bestaan. Daarom komen we snel bij van onze schrik en van ons overdonderd zijn (alleen de hoogmoed neemt nog toe) en we denken na en komen tot de conclusie, dat de badende Egyptische vrouwen levende tijdgenoten zijn, die hun kleren hebben afgelegd en de schim van hun naakte lichamen voor geld verkocht hebben, en wel omdat ze ervoor betaald werden, zoals er in deze wereld ook voor echte lichamen betaald wordt. Zo stond het er met de meisjes voor ’ maar hoe zat het met de soldaten? Die hadden hun schimmen toch niet voor geld verkocht? En met wat voor onrechtvaardigheid, die zelfs midden in de zo vanzelfsprekend geworden onrechtvaardigheid van dit ondermaanse, die we langzamerhand als rechtvaardigheid hebben leren zien, ongekend is, hebben we hier te maken? De meisjes had men immers geld gegeven voor niets anders dan een gezonde en aangename bezigheid, namelijk voor het baden in een rivier! Terwijl men de soldaten, die regelrecht naar hun dood marcheerden om echte schimmen te worden, helemaal geen geld voor hun schimmen betaald had. Ja, op hetzelfde ogenblik waarop ze hun ongeluk tegemoet gingen, in het laatste uur van hun leven, had men hun schim gestolen; op een moment derhalve, waarop ze er eenvoudig niet aan konden denken geld te vragen! Wij echter betaalden met ons entreegeld voor hen, dat wil zeggen: voor de vergunning om te zien hoe ze de dood ingingen, precies zoals we zagen hoe de Egyptische meisjes baadden. En aangezien de soldaten geen enkele beloning voor hun schimmen verlangden, waren zij het eigenlijk die de schimmen van de badende meisjes betaalden! En ook al pleegde de man op een gemene manier bedrog, toen hij in het vooruitzicht stelde de ontdekking van Mozes te laten zien, terwijl hij in werkelijkheid slechts een nietig kistje en in contrast daarmee aanzienlijke vrouwelijke schimmen vertoonde, toch investeerde hij in dit bedrog tenminste enig geld; geld waarvan zelf de wetten zeggen dat het recht maakt wat krom is. Maar aan de soldaten die de dood ingingen, had die man geen cent betaald. Hij had de schimmen van de soldaten gewoon gestolen. Zelfs in onze wereld, waarin geld de plaats van gerechtigheid inneemt, wordt diefstal nog bestraft. De man echter, die de bioscoop met schimmen tot leven bracht, kon niet bestraft zijn, want anders had men niet ongestraft de gevolgen van zijn misdaad tegen betaling van een entreegeld laten zien. Als het nu zo geweest was, dat hij de schimmen van de soldaten die de dood ingingen, gestolen had om ons te bewijzen hoeveel mensen voor een zaak, die ieder van hen afzonderlijk helemaal niets aangaat, in deze wereld moeten sterven ’ maar nee! Hij had de schimmen gewoon gestolen, precies zoals hij die van de naakte meisjes had gekocht. Hij wist immers dat wij mensen zijn en daarom bood hij ons vleselijke lust en dodelijke ontzetting aan. Hij was op onze wellust bedacht, op onze wellust, die evenzeer op het vlees van de levende broeder en van de levende zuster gericht is als op de gruwelijke ondergang van onze naaste. Hij buitte onze zwakheid uit, waar hij maar kon, door diefstal en waar hij niet stelen kon, met behulp van geld. En zo stelde hij een zogenaamd ’programma’ op; precies zoals het vandaag nog steeds wordt opgesteld in de inmiddels volmaakter geworden bioscopen der wereld.
Maar wat is dat toch voor iemand, die een vrucht van het menselijke verstand, van de goddelijke genade dus, vanaf het eerste moment waarop ze gebruikt werd, aanwendt om ons verstand te verzieken?
Welke van de talrijke machten die ons bestaan bepalen, is met zoveel listen en macht bekleed, dat ze de badende meisjes betaalt en de stervende mannen besteelt? Wie pakt de nog levenden een uur voor hun dood hun schim af? Is dat nog een normale dief? Is het niet veeleer dezelfde, die de meisjes tegen betaling uitkleedt en het water in stuurt en tegelijkertijd de mannen uitmonstert en de dood in stuurt en de schimmen van zowel dezen als genen tegen entreegeld verkoopt? Is er werkelijk niet meer aan de hand dan dat hij de schimmen van de soldaten roofde? Is hij niet veel machtiger dan een dief en een rover? Wie gebruikt de wonderbaarlijke redding van de wetgever der wereld als voorwendsel om arme meisjes uit te kleden? Wie speelt zo met onze wellust, waarvoor bloeiend vlees en een gruwelijke dood even begerenswaardig zijn? Wie verandert zo de zegen van het verstand in een vloek? Wie heeft de macht de meisjes, die alleen maar hoeven te baden, te betalen en de soldaten die sterven, te beroven? En dat beide tegelijk? Heeft hij niet een oorlog tussen Rusland en Japan teweeggebracht? Even gemakkelijk als hij naakte meisjes liet baden? Heeft hij niet precies het ogenblik waarop ons verstand wonderbaarlijke dingen begon te doen, uitgekozen om ons te verblinden? Juist op het moment waarop wij moesten geloven, dat we helemaal niet verblind kunnen worden, omdat we immers zelfs zogenaamde wonderen tot stand brengen? Kan men goden verblinden? En hielden wij onszelf niet voor goden, omdat wij op het punt staan het wonder van de goden af te kijken en zelfs doorzichtig te maken? Dit is exact het tijdsgewricht voor de antichrist; het tijdsgewricht waarop wij onszelf onvermijdelijk als goden gaan zien, omdat we wonderen doen die we begrijpen, terwijl we in werkelijkheid helemaal geen goden zijn. Dit is zijn uur; dit is het uur van de antichrist.”
Noot
1. Joseph Roth gebruikt hier het woord Schatten, dat zowel schaduw als schim betekent. Ik heb het in dit stuk consequent met schim vertaald, maar de lezer(es) gelieve te bedenken, dat dit een eenzijdige vertaling is. Men doet er goed aan het woord schaduw mee te horen klinken.