Stad en land, als God de beker reikt
1998-07-24
,,En de grote stad raakte in drieën verdeeld. En de steden der heidenen vielen. En men herinnerde God eraan, dat Hij aan het grote Babylon zou geven met de wijn van zijn ziedende toorn’’.- Jaargang 42
- nummer 15
Opb. 16,19 Een aankondiging
In het kader van de Groningse Bijbelvertaling opnieuw bezig met Openbaring, viel mij in hoofdstuk 16 iets op dat me aanleiding geeft nog een aanvulling te schrijven op mijn uitleg van hoofdstuk 17, eerder in dit blad gegeven. 1) Het vers dat we hierboven uit hoofdstuk 16 aanhaalden, lijkt nl. een aankondiging te zijn van wat zich in de volgende hoofdstukken afspeelt: het voltrekken van de straf aan het grote Babylon. Zo oordeelt ook Charles: ,,These words prepare the reader for xvii-xviii’’ 2); en eveneens Keulers: ,,Wat in hfdst. 17 en 18 uitvoerig wordt beschreven, wordt hier met een enkel woord aangeduid; dit is een prolepsis, zoals wij vaak in Openb. vinden’’. 3)
In herinnering gebracht
Met bijzondere nadruk wordt vermeld, dat God met dat Babylon nog een rekening te vereffenen had. De wijze waarop dit in enkele moderne Nederlandse vertalingen is weergegeven, is nl. niet geheel correct. ,,En God herinnerde zich Babylon, de grote stad, en Hij gaf haar...’’ geeft Willibrord (herz. uitg. ’95). ,,God was het grote Babylon niet vergeten en liet het de beker drinken...’’: aldus Gr. Nws (herz. ed. ’96).
Anne de Vries vertaalt als volgt: ,,God vergat ook de grote stad Babylon niet, maar gaf haar de beker te drinken...’’ Dichter bij de grondtekst blijft het NBG met de weergave: ,,En het grote Babylon werd voor God in gedachtenis gebracht, om daaraan den beker... te geven’’. Er staat inderdaad niet, dat God zich Babylon herinnerde, maar dat ,,voor (of tegenover) God Babylon gememoreerd werd’’. Wij zullen het ons zo moeten voorstellen, dat iemand uit Gods hofhouding, een van hen die – zoals dat in het OT vaak heet – ’voor Hem staan’, tegen God zegt: ,,Denkt U eraan, dat Babylon nog altijd haar straf moet hebben?’’ Misschien kunnen wij hier het best een vergelijking trekken met Esther 6. In een slapeloze nacht laat koning Ahasveros zich voorlezen uit het ’gedenkboek’ .(v. 1). Bij de passage gekomen waar Mordechai’s aangifte van een op den koning beraamde aanslag stond opgetekend, rijst bij den koning de vraag: ,,Heeft de man daarvoor wel een beloning gehad?’’ En dan antwoorden de dienstdoende hovelingen: ,,Nee, koning, dat moet nog altijd!’’ Nu, evenals voor dezen aardsen koning wordt ook voor God in de hemel een ’gedenkboek’ bijgehouden (Mal. 3, 16), waaruit zijn dienaren Hem nog uitstaande (positieve of negatieve) vereffeningen kunnen inseinen. 4)
’De grote stad’ en ’het grote Babylon’
Visser 5), die vasthoudt aan de gedachte dat Openbaring op de ondergang van Rome slaat, heeft grote problemen met ’de grote stad’, als eerste in v. 19a vermeld, en ’het grote Babylon’, dat in v. 19b ter sprake komt. Zijn die twee identiek? En zo ja, waarom worden ze dan afzonderlijk genoemd?
Ik denk, dat hfdst. 17 – waar immers deze aankondiging wordt uitgewerkt – op deze vragen het antwoord geeft.
’Het grote Babylon’, zo blijkt uit 17, 5, is een ’mysterieuze’ benaming van de op een scharlaken rood beest gezeten hoer (v. 3b). Zoals ik in mijn eerdere bijdrage over hfdst. 17 heb duidelijk gemaakt, is dat beest: het als wereldse macht zich tegen de Romeinen verheffende Israël, een macht, belichaamd in Johannes van Gischala, den voornaamsten leider van de joodse opstand in de jaren 66-70. De ’hoer’, ’diepzinnig’ Babylon genoemd, omdat ze – juist als weleer het historische Babel – Gods volk – in dít geval de gemeente van Jezus Christus – onderdrukt, is het den Christus Gods verwerpende Israël, dat, hoewel eertijds door God als bruid gekozen, nu haar Man heeft verlaten, om andere goden (wereldse idealen) te volgen.
Dit afvallige Israël, deze hoer, zit op het beest, d.w.z. klampt zich vast aan de politiek-militaire macht, zoals die is belichaamd in Johannes van Gischala (’het beest’) met zijn trawanten (’de koppen van het beest’).
Wat die ’koppen’ betreft: elk daarvan staat voor een ’berg’ met den daarop zetelenden ’koning’ (17, 9.10); anders gezegd: voor een vesting met haar garnizoenscommandant. Bij de aanvankelijke opgave (v. 3 en v. 9) waren het er zeven. Maar naderhand (v. 11) komt daar nog een achtste bij, t.w. het beest zelf, die ook reeds als zevende kop had gefungeerd. Die achtste is dus Johannes van Gischala in zijn hoedanigheid van bevelhebber van Jeruzalem. Jeruzalem-als-vestingstad, ook reeds in 11, 8 ’de grote stad’ genoemd, is dus te onderscheiden van ’Babylon’, het afvallige volk Israël, zoals het beest en elk van zijn koppen – ook de achtste! – te onderscheiden is van de ’hoer’, die op het beest zit. Intussen: behalve voor het stenen gebouwencomplex kan ’Jeruzalem’ eventueel ook staan voor de bevolking van die stad; zo b.v. in Mt. 23, 37: ’Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt...’. In díe zin gebezigd is ’Jeruzalem’ exponent van het afvallige Israël. En van daaruit is het begrijpelijk, dat het slotvers van hfdst. 17 zegt: ,,De vrouw die je gezien hebt (d.i. de hoer Babylon) is: ’de grote stad’ (in 16, 19 genoemd, t.w. Jeruzalem)’’. Dat hier tegelijk een zekere vereenzelviging (17, 18) èn een differentiatie (16, 19) tussen ’de grote stad’ (Jeruzalem) en ’Babylon’ mogelijk is, bewijst m.i. eens te meer, dat we hier niet met Rome te maken hebben, zoals men tot dusver vrijwel unaniem aannam. Die gangbare ’Rome’-interpretatie liep – zoals ik in het artikel over hfdst. 17 reeds aantoonde – op verschillende punten vast. Zo ook hier weer. Rome is wel een grote stad, maar haar kan niet de moord op profeten en heiligen en getuigen van Jezus ten laste worden gelegd, zoals dat wèl met Babylon gebeurt (18, 21; vgl. ook 17, 6). Dié misdaad is het monopolie van Jeruzalem (Lc. 13, 33).
’De steden der heidenen’
Terug naar 16, 19.
Zowel ’de grote stad’ als ’het grote Babylon’ bleken in hfdst. 17 nader uit de verf te komen, resp. als de achtste door het beest betrokken vesting (d.i. Jeruzalem) en het op dit beest zetelende Israël-naar-het-vlees (geconcentreerd in Jeruzalem). Blijft de vraag ,,Wat zijn die ’steden der heidenen’?’’ Ik zou mij kunnen voorstellen, dat men deze woorden in het veld zou willen brengen tégen mijn interpretatie van dit deel van Openbaring, als zou het handelen over de ondergang van het joodse volk in de jaren 66-70. Het opdelen van Jeruzalem was toch niet met de val van heidense steden verbonden? Ik denk, dat ook van deze derde term uit 16, 19 de uitleg te vinden is in hfdst. 17. Zoals ik in mijn artikel daarover opmerkte, ging – wat men zich vaak nauwelijks meer bewust schijnt te zijn – aan de val van Jeruzalem de val van zeven vestingen in Galilea en Gaulanitis vooraf. (Het zijn deze zeven vestingsteden met hun commandanten die in Op. 17 worden voorgesteld als ’de koppen van het beest’.) Welnu, Galilea heet in Mt. 4, 15 (in een citaat uit Jes. 10, 28): ,,Galilea der heidenen’’.
’In drieën verdeeld’
Waarop slaat nu in dit verband de driedeling van Jeruzalem ? Nadat in 67 de vestingen in Galilea en Gaulanitis de ene na de andere hadden moeten capituleren, werd de romeinse opmars naar Jeruzalem in 69 tijdelijk vertraagd doordat de aanvoerder, Vespasianus, in beslag genomen werd door de strijd om de keizerstroon. Hij was nl. door een deel van de troepen tot keizer uitgeroepen, maar had rivalen.
Tijdens dit stokken van de opmars naar Jeruzalem was in die stad het nodige gebeurd binnen de toch al onderling verdeelde aanhang van de opstand tegen Rome. Ik citeer opnieuw Schürer 6): ,,In Jeruzalem during this time the internal disruption had grown even worse. Instead of the two parties of John and Simon 7), there were now three; a new party under Eleazar, Simon’s son, had split off from Johns party. Simon dominated the upper city and a large part of the lower city; John, the Temple mount; and Eleazar, the inner forecourt of the Temple. All three were locked in ceaseless fighting and had turned the city into a continuous battlefield.’’
Een parallel met 6, 1-11
Telkens blijkt, dat in de visioenen die Johannes krijgt, de historische orde van de gebeurtenissen die gaan komen, niet strikt wordt gevolgd. Meermalen krijgen we na een vooruitblik naar een in verdere toekomst gelegen gebeuren een terugblik naar wat zich eerder zal afspelen. Ook aan herhalingen ontbreekt het niet. 8). Als ik nu 16, 19 even kort samenvat, dan worden daarin eerst de val van de zeven vestingen in Galilea en Gaulanitis en de verdeeldheid in het opstandige Jeruzalem, op het moment dat het door Vespasianus (c.q. Titus) belegerd gaat worden, beschreven; en dat in een ’husteron proteron’, een stijlfiguur waarbij het latere eerder wordt vermeld. Daarna volgt de vermelding, hoe God ’gemaand’ wordt Babylon te straffen.
Hier hebben we nu een frappante parallel met wat we in de eerste elf verzen van hoofdstuk zes vinden. De verovering door Vespasianus (c.q. Titus) van de vestingen in Galilea en Gaulanitis correspondeert op de opening van het eerste zegel (,,hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen’’, 6,2); de verdeeldheid binnen Jeruzalem op de opening van het tweede zegel (,,dat zij elkander zouden slachten’’ 6, 4). Het ’manen’ van God om zijn wraak te voltrekken aan ’Babylon’ correspondeert op de opening van het vijfde zegel: de roep tot God van de vermoorde profeten, wanneer Hij nu toch eens hun bloed gaat wreken (6, 10).
Johannes zet – zoals we dat in zijn evangelie ook vaak vinden – de drie elementen gewoon naast elkaar: ,,En ... en ... en ...’’. Causale verbanden maakt hij niet altijd expliciet. Maar het is duidelijk, dat zin 3 de oorzaak noemt van wat de eerste twee zinnen behelzen. (Wat de onderlinge verdeeldheid in Jeruzalem betreft, lette men op de formulering in 6, 4 : de ruiter, afgezant van God, krijgt verlof ,,de vrede uit het land weg te nemen, zodat ze elkaar gaan afslachten’’. Zie ook Richt. 9, 23.) ’De grote stad’ en ’de steden der heidenen’, anders gezegd: Jeruzalem en Galilea, de twee gebieden waar Gods Zoon zo krachtig had gewerkt, krijgen nu, om hun afwijzing van dié verlossing, de beker van Gods toorn te drinken 9).
Noten
1) Opbouw, jrg. 37, blz. 221 vlg., 238 vlg.
2) R.H. Charles, The Revelation of St.
John, vol II, Edingburgh 1920 (1966), 52.
3) Jos. Keulers, De katholieke brieven en het boek der Openbaring, Roermond en Maaseik, 1956, 360.
4) Men denke ook aan Jezus’ waarschuwing in Mt. 18, 10, niet ’’één van deze kleinen te verachten. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van Mijn Vader, die in de hemelen is’’. De beschermengelen van de ’kleinen’ kunnen dus elke dag God attent maken op het onrecht dat die ’kleinen’ wordt aangedaan, en Hem vragen, dat te wreken.
5) A.J. Visser, De Openbaring van Johannes 3, Nijkerk, 1975, 182.
6) E. Schürer, The History of the Jewish People in the Age of Jesus Christ I, Edinburgh, 1973, 501.
7) Bedoeld zijn Johannes van Gischala en Simon Bar-Giora.
8) Vgl. o.a. wat ik schreef in noot 11 bij het artikel Ter verdere decodering van het boek Openbaring (I), Opbouw jrg.
37, blz. 122 vlg.
9) Dat aan zo’n eigenhandig ingrijpen van God kosmische proporties worden toegeschreven (,,En alle eilanden vluchtten weg en bergen werden niet (meer) gevonden’’, v. 20) is een ons inmiddels wel bekend verschijnsel: vergelijk wat ik daarover schreef in mijn derde bijdrage over De zeven zegelen, Opbouw jrg. 19, blz. 346.