Moet ’wederopstanding des vleses’ veranderd worden in ’wederopstanding van het lichaam’?
1998-08-07
Nu ik in mijn emeritaat wat vaker als gewoon kerkganger de diensten bezoek, valt het mij op dat verschillende collega’s bij de voordracht van ons Credo in plaats van ’de wederopstanding des vleses’ zeggen: ’(ik geloof...) in de wederopstanding van het lichaam’. Ik ken de argumentatie daarvoor.- Jaargang 42
- nummer 16
De apostel Paulus heeft in het grote opstandingshoofdstuk I Corintiërs 15 bij vers 50 gezegd dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet zullen beërven noch het vergankelijke de onvergankelijkheid. En dus is het bijbels niet verantwoord in de opstanding van het vlees te geloven. Beter is het om van de opstanding van het lichaam te spreken. Aldus de redenering. Zijn deze dingen alzo?
Wijsneuzig
Laat ik beginnen op te merken dat ik deze verbetering een beetje wijsneuzig vind. Dat is niet zo aardig gezegd en ik denk dan ook aan niemand concreet, maar op de redenering gelet meen ik het toch wel. Wijsneuzig.
Want je moet dan aannemen dat de vaders die dit zo geformuleerd hebben, deze bekende tekst van Paulus over het hoofd hebben gezien. En dat lijkt mij voor de theologen van formaat die achter die oude geschriften staan, een onzinnige veronderstelling. Je mag van die ouden zeggen wat je wilt – ’kerkkinderen in plaats van kerkvaders’ zei K. Schilder een keer (in een gekke bui?) – maar ik kan het niet helpen dat ik van de Schriftkennis van die ’kinderen’ steeds weer en steeds meer onder de indruk kom. Het is gewoon niet waarschijnlijk dat zij zo’n grote blunder gemaakt zouden hebben.
Wat hier vlees moet heten
Wat dan? Inderdaad zullen vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven, maar dat zegt de uitdrukking opstanding des vleses ook helemaal niet. De bedoeling is dat de Almachtige op wat hier vlees moet heten in de dag van de opstanding verheerlijkend zal terugkomen. Hoe, dat blijft een verrassing. De apostel heeft daar bepaald geen concrete voorstelling van. Hij spreekt van een hemels of geestelijk lichaam en gebruikt het beeld van zon, maan en sterren en hun glans.
Voor glans wordt dan het Griekse woord doxa gebruikt, dat meestal met heerlijkheid vertaald wordt. Vandaar mijn formulering dat de Here in het laatst verheerlijkend op dit aardse bestaan dat vlees moet heten terug zal komen. Heerlijkheid of glans zal dan van dat nieuwe bestaan het kenmerk bij uitstek zijn. Wat nu vlees is, zal straks een bestaan in heerlijkheid zijn. Let wel, van álles van dat vlees geldt dit, niet alleen van een bovenst laagje of zoiets.
Daarmee is gezegd – en Paulus heeft ermee alles wat Grieks dacht tegen de haren in gestreken – dat de Almachtige ons vlees niet veracht, maar eert en serieus neemt. Ons hele vlees, tot in z’n diepste lagen toe. En wij moeten dat ook doen. Het doet er dus wel terdege toe hoe wij ons aan deze kant van de streep gedragen en wat wij in het vlees doen. ’Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (II Corintiërs 5 : 10). Er rust een machtige belofte zoals ook een grote verantwoordelijkheid op ons bezig zijn in het vlees.
Vlees is ruimer dan lichaam
Maar, zegt iemand, Paulus gebruikt in de laatst aangehaalde tekst toch ook het woord lichaam, precies daar waar u van vlees spreekt. Dekken die twee woorden elkaar soms niet?
En is het dus niet even goed te spreken van de opstanding des vleses als van de opstanding van het lichaam?
Is dat niet lood om oud ijzer? En zo ja, waar vermoeit u ons dan mee? Zit u soms in de komkommertijd om een praatje verlegen? Nu, begrijp me goed, de uitdrukking opstanding van het lichaam is niet fout.
Maar dat is ook mijn punt niet. Ze wordt, die uitdrukking, voorgesteld als een verbetering van de oude opstanding des vleses en dáár geloof ik niets van. In de eerste plaats is ze een beperking, want vlees is veel ruimer dan lichaam. Bij vlees mag je aan het hele aardse bestel in zijn vergankelijkheid denken, bij lichaam gaat de aandacht eenzijdig naar de mens uit. En dat laatste is te weinig.
Niet alleen de mens immers, maar de ganse schepping, die nu zucht onder de vloek van de ijdelheid en vruchteloosheid, staat onder de geweldige belofte dat ze van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de heerlijkheid van de kinderen Gods (zie Romeinen 8 : 20, 21). Het is dan ook krachtens de opstanding des vleses dat je een kind mag troosten bij de dood van zijn poes, dat zijn geluk met het huisdier een voltooid vervolg zal krijgen. Kinderlijker gezegd: poes komt terug! Hoe? Daar hoef je het met een kind niet over te hebben en ook als volwassene weet ik het op geen stukken na.
Heerlijkheid
En verder, door te zeggen dat het vlees niet door de jongste dag heen komt en het lichaam wel, suggereer je een concreetheid en een voorstelbaarheid van het nieuwe bestaan die ik zo in de Schrift niet terugvind. De Here Christus zegt van de kinderen der opstanding dat zij zullen zijn als de engelen Gods (Lucas 20 : 36) en Paulus zegt in zijn bekende gelijkenis (I Corintiërs 15 : 36 – 38) dat wij bij de begrafenis van onze doden weliswaar graan in de aarde stoppen dat inderdaad ook als graan op zal komen, maar toch in een gedaante (de aar) die niets weg heeft van de gezaaide korrel.
God geeft er een lichaam aan, zegt hij, gelijk Hij dat gewild heeft. Dat wijst er toch op dat het eindresultaat van hieruit onvoorstelbaar is? Stel je voor dat je met een korrel van een onbekende graansoort in je hand staat, die je in de aarde zaait. Dan is het wat betreft de vorm van de plant die daaruit opschiet, toch volledig afwachten? Van het tarwezaad kennen wij de tarweplant, maar van zaad x?
Opstanding van het lichaam in plaats van opstanding des vleses, met de gedachte: het vlees beërft het koninkrijk Gods niet en het lichaam doet dat wel, zet ons op een verkeerd been. De uitdrukking opstanding van het lichaam is zeker bruikbaar op het christelijke erf, maar dan, net als bij de uitdrukking opstanding des vleses, in die zin dat God op de dag van de opstanding verheerlijkend terugkomt op wat hier ons lichaam is. Met opnieuw de boodschap dat dit een eer is voor ons lijf en dat we daar dus dienovereenkomstig mee om moeten gaan.
Het aardse palet
Opstanding des vleses, – dat is dus, wat dat woord vlees betreft, terugkijkend en niet vooruitkijkend bedoeld.
We zien ermee datgene wat hier vlees moet heten in het schitterende licht van de grote toekomstbelofte. Ik kan het ook anders zeggen: voor het inkleuren van de grote toekomst gebruiken wij het aardse palet. Wij moeten wel.
Wij kennen geen andere kleuren dan die van de werkelijkheid waaraan wij gewend zijn. Ik wil u laten zien hoe de profeten ons daarin zijn voorgegaan.
Zelfs de profeten, moeten we zeggen, de mensen die onder de bijzondere verlichting van de Heilige Geest gesproken hebben, – zelfs zij zijn bij hun voorspellingen aan die aardse vormen gebonden geweest.
Een voorbeeld. We lezen in Jesaja 65 : 17 en de daarop volgende verzen: ’Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, aan wat vroeger was zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen...Ik schep Jeruzalem tot vreugde en zijn volk tot blijdschap...
En daarin zal niet meer gehoord worden het geluid van geween of van geschreeuw. Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als een honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden’.
Vreemd, aan wat vroeger was zal niet meer gedacht worden, staat er, en toch roept deze passage alleen maar beelden van dat vroegere op. De profetische tekst is een goede veraanschouwelijking van de uitdrukking ’opstanding des vleses’. We krijgen een tableau voor ons waarop het aardse bestaan, het ’vlees’, in een ideale uitmonstering wordt afgeschilderd: de kindersterfte verdwenen en de vroegtijdige dood van de zondaar uitgebannen en de vloek over het van God vervreemde leven naar de uiterste rand van het bestaan verschoven.
Niettemin, ook in deze ideale uitmonstering blijft het vlees vlees. Dood, zonde en vloek zijn niet weggedaan.
Wat moeten we hiermee aan? Zoveel is wel duidelijk dat we dit moeilijk als concrete informatie over ons toekomstig bestaan op kunnen vatten. De zin dat aan wat vroeger was niet meer gedacht zal worden, verbiedt dat ten enen male. De oplossing is inderdaad dat wij hier de uitdrukking ’opstanding des vleses’ in uitgewerkte vorm vóór ons hebben. God zal in zijn toekomst op ons bestaan in dier voege verheerlijkend terugkomen dat de meest ideale toestand aan deze kant van de streep erbij verbleekt.
Geen letterlijke informatie
Ik denk trouwens – maar dit is een zijspoor in mijn betoog – dat wij dit verschijnsel van het gebruik van het oude palet voor het inkleuren van de toekomst, bij het lezen van de profeten in het algeméén in gedachte moeten houden, dus ook wanneer zij hun licht laten schijnen over wat nog niet de uiteindelijke toekomst is.
Als bijvoorbeeld een Amos profeteert dat de Here God de vervallen hut van David weer zal oprichten, opdat zijn volk de rest van Edom beërven zal (Amos 9 : 11 en 12), dan gaat het volslagen aan de bedoeling van de profeet voorbij als we daarvan maken dat volgens het eigen woord van God het tegenwoordige Israël het in het vroegere gebied van Edom gelegen Jordanië van nu zal overmeesteren (zoals ik in evangelische kringen eens hoorde beweren). De kleuren van de toekomst zijn hier ontleend aan het palet van wat in Amos’ dagen reeds oude geschiedenis was. Wat in Israëls gouden eeuw werkelijkheid was geweest, wordt als beeld in geïdealiseerde vorm op het scherm van de toekomst geprojecteerd. Exacte en letterlijk op te vatten informatie over die toekomst krijgen we hier dus niet. Wanneer later in het Nieuwe Testament Jacobus op het apostelconvent deze profetie als vervuld wil laten zien, dan komt er dit: ’Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke en alle heidenen over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here, die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn’ (Handelingen 15 : 16-18). Edom is hier verdwenen en opgegaan in Adam (mens of mensen) en beërven (Hebreeuws: jieresjoe) is geworden tot zoeken (Hebreeuws: jidresjoe). In plaats dat Israël de rest van Edom beërft, gaat het overige deel van de mensheid de Here zoeken.
Zo geeft Jacobus, langs de weg van woordspelingen op de Hebreeuwse tekstgestalte, aan deze profetie een betekenis die aansluit op datgene waar de Here God al van oude tijden, ja van eeuwigheid af, mee bezig is geweest en naar toe heeft gewerkt (in de tekst zijn dat ’de dingen welke van eeuwigheid bekend zijn’). Wie nu, over deze vervulling heen, nog wil blijven spreken van een tegoed van het Oude Testament, in die zin dat ons alsnog een letterlijke vervulling van Amos’ profetie te wachten staat, zit ten aanzien van het profetische spreken van de bijbel in een eigenaardig misverstand gevangen. Hij verbevraagt de bijbel op zaken waar die het helemaal niet over heeft. Onnodig te zeggen dat we hier op een fors verschil met de (meeste) evangelischen stuiten ter zake van het lezen van de bijbelse profetieën.
Geen verbetering
Maar, zoals gezegd, dit was even een zijspoor. Hoofdzaak van wat ik in dit artikel beweren wil is dat we in de uitdrukking opstanding des vleses geen concrete informatie krijgen over de hoedanigheid van het leven der toekomende eeuw. Alsof dat met het woord vlees getypeerd zou kunnen worden.
Was dat de bedoeling dan zouden zij gelijk hebben die hiertegen het woord van Paulus in stelling brengen, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven zullen. Nee, het gaat er om dat vanuit de toekomst het licht van de belofte stralend opgaat over ons armzalige bestaan in deze wereld, dat nu nog, ook op z’n gunstigst genomen, alle kenmerken van het vlees vertoont: zwakheid, zondigheid, vergankelijkheid. God komt er heerlijk op terug. We kunnen de oude kerk dankbaar zijn voor deze bijzondere formulering van de christelijke hoop. Ons aardse bestaan wordt er tot in zijn diepste lagen toe mee geëerd. De uitdrukking verdient het dan ook dat we haar, in plaats van te vervangen, zuinig bewaren. De uitdrukking ’opstanding van het lichaam’ is zeker geen verbetering.
’Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen’, zegt de psalm (Psalm 16 : 9). Dat wil zeggen dat ons bestaan, zoals wij dat nu kennen: hart, ziel en vlees, rondom heen geborgen is. Maar een blauwdruk van ons vernieuwde bestaan is er niet mee gegeven.