De dominee is depressief

1998-09-04
  • Jaargang 42
  • nummer 18
Bij Job 4:3-5: „Zie, gij hebt velen vermaand, en slappe handen hebt gij gesterkt, uw woorden hebben de struikelende opgericht en knikkende knieën hebt gij gestevigd, maar nu komt het tot u en gij zijt moedeloos, het treft u, en gij staat
verbijsterd.”

De dominee is depressief
Niemand begrijpt het eigenlijk. De vorige week had hij nog zo’n fijne preek. Hij heeft inmiddels ’professionele hulp’ gezocht. Maar alleen van professionele hulp kan een mens niet leven. Belangstelling en meeleven zijn in dit soort situaties als water in de woestijn. Gelukkig krijgt hij veel kaarten, maar het zegt hem niet zoveel. Zijn vrouw zegt het meer. Ze voelt zich erdoor gedragen. Maar: – hoe goed het ook doet – alleen van ’schriftelijke aandacht’ kan een mens ook niet leven. Zonder persoonlijk contact, ’van aangezicht tot aangezicht’, houdt geen mens het vol.
Maar wie durft dat aan in deze situatie? Als je bij de dominee op bezoek gaat wat moet je dan zeggen?

Elifaz bij Job
Elifaz is op bezoek bij Job. Hij is in elk geval gekómen. Maar hij vindt het niet gemakkelijk. Want het enige wat hij hoort is een intense klacht. (Job 3). Wat een duisternis, wat een hopeloosheid en wanhoop komt daarin naar hem toe! Wat moet een mens daarmee aan? Het is zó duister, dat hij er niet in kan komen.
Hij begrijpt het ook niet. Hoe kan een mens zó zijn? Hoe kun je zó preken als Job, en toch zó volstrekt zonder hoop zijn?

„–Nu ben je zelf zo actief geweest in het pastoraat, en heb je zoveel mensen geholpen en gesterkt door je woorden. Het waren echt woorden van kracht, want mensen zijn daardoor werkelijk opgericht. Maar nu zit je zelf in de moeite en nu ben je het spoor volledig bijster. Niets meer van dat vertrouwen op de kracht van God, wat je eens bezat, en waarmee je anderen zo kon helpen. Waar is het gebleven? Waarom kun je de dingen die je tegen anderen zei, nu niet op jezelf toepassen?

Je bent een ander
Wat zou Job in deze woorden gehoord hebben? Hij voelt zich tussen de regels door voor een onmogelijke keus geplaatst. Deze keus: „Of je trekt je op aan de woorden die je zelf eens tot anderen sprak, óf je houdt op met preken, want het zijn blijkbaar woorden die niet houden”.
Immers: hoe zal iemand geloof hechten aan woorden als ze geen waarheid zijn in het leven van de spreker zelf?

En als ik Job zou zijn, en ik zou Elifaz willen antwoorden, wat zou ik dan zeggen?
Ik zou zeggen: „Nee Elifaz, je begrijpt het inderdaad niet. Je begrijpt mij niet. Want het punt is niet, dat ik niet meer geloof in datgene wat ik eens zelf aan anderen heb aangereikt, maar het punt is, dat de troost die ik eens had voor anderen voor mij nu onbereikbaar is. En dat komt omdat ik niet dezelfde ben als weleer. Eerst was ik in goeden doen, en had ik toegang tot de troostrijke woorden van God die ik kon doorgeven en zo was ik een trooster. Nu ben ik helemaal in de kreukels en ben ik zelf iemand die vertroost moet wórden.” Zoiets.

„Je kunt van iemand die zelf in de kreukels zit niet verwachten, dat hij met kreukels en al ook nog pastor is voor zichzelf. Dat is onmogelijk. Dat is bovenmenselijk. Je bent of trooster, óf vertrooster, maar een mens kan niet
beide tegelijk zijn.”

Geneesheer, genees uzelf – ...niet
Ik moet denken, aan wat ze tegen de Here Jezus zeiden: „Geneesheer, genees uzelf”. En aan de woorden van de spotters bij het kruis: „Anderen heeft hij gered, maar zichzelf kan hij niet redden.” Inderdaad, dat kón Hij niet. Dat wil zeggen: dat wílde Hij niet kunnen. Hij wilde ons in alle dingen gelijk zijn. Ook in die onmacht om jezelf te vertroosten met de woorden waarmee je anderen getroost hebt. Net als wij, was ook Hij afhankelijk van het pastoraat van anderen, van zijn leerlingen. Hij vroeg hun immers om met Hem te waken en te bidden in de hof?
Zo wordt het ons duidelijk: je hoeft het niet te kunnen: tegelijk trooster en vertrooste zijn.

Het komt veel voor, dat mensen in moeite er maar niet toe kunnen komen om hulp te vragen. Een van de belangrijkste blokkades is de gedachte: „Maar ik was toch altijd de rots in de branding? Ik was toch altijd degene, aan wie mensen zich optrokken? Als nu blijkt, dat ik het ook al niet red, dan zullen anderen het spoor toch helemaal bijster raken?–.” Of de gedachte: „Ik moet overeind blijven, want anders ben ik ongeloofwaardig.
Als ik nu zeg, dat ik het allemaal niet meer weet, dan zullen mensen toch twijfelen aan de waarheid van alles wat heb ik altijd heb beweerd? Als mijn woorden en adviezen mezelf niet kunnen redden, wat zijn ze dan nog waard?–” En daarom vragen ze geen hulp en modderen ze door in hun leven.

Denk aan Job en aan Jezus. Zij hebben gezegd: je hoeft het niet te kunnen: als geneesheer jezelf genezen.
Je hebt van Godswege het recht om vertroost te wórden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief