’De Heer die was en is’ (2)

1998-09-04
  • Jaargang 42
  • nummer 18
Nog geen twee maanden liggen tussen de tijd dat Jezus rondtrok door Galilea en Judea èn het moment dat Petrus op de pinksterdag het woord neemt en openlijk getuigt van de opgewekte Heer. Binnen die luttele weken liggen veertig dagen met een geheel eigen karakter, gekenmerkt door onverwachte verschijningen van de Opgestane. Die momenten van zijn zichtbare aanwezigheid waren voldoende om zijn discipelen te overtuigen.
„Het is de Here”, hoor je Johannes zeggen (Johannes 21:7) en soms was het weer bijna net als vroeger. Maar even plotseling kon Jezus zich onttrekken aan de waarneming van zijn volgelingen. Daarin was Hij zo anders dan voorheen. Wat is de betekenis van dit intermezzo van nog geen zes weken met die nieuwe aanwezigheid van de Heer. Een periode die het einde inluidde van Jezus’ aardse tijd, maar meer nog de aanzet is geweest tot (nu al) twintig eeuwen christelijke kerk.

De hemelvaart
Laat ik eerst eens naar de laatste van die veertig dagen gaan, daar waar je geconfronteerd wordt met een afscheid van de Heer dat – zo bleek – die periode afsloot. Op belangrijke punten verschilt dit laatste heengaan van de Heer ook van eerdere momenten van afscheid. Als eerste valt op dat het een heengaan was „terwijl zij het zagen” (Handelingen 1:9), terwijl tot dan toe Jezus’ komen en gaan zoveel abrupter was geweest (b.v. Lucas 24:15,31,36).1 Daar komt bij, dat Jezus bij dit laatste afscheid demonstratief de aarde achter zich liet en zodoende aangaf, dat Hij terugkeerde naar de Vader.
Kortom, dit afscheid was anders en blijkbaar het laatste – als aan de avond van een nieuwe dag, die zo anders zou worden. Dit demonstratieve van het laatste heengaan sluit aan bij wat Jezus had gezegd over de uitzending van zijn discipelen wereldwijd en de op handen zijnde gave van de Geest (Handelingen 1:8). Ook dat duidde op een nieuwe tijd.2 Nieuwe verschijningen van de Heer, zo kenmerkend voor de veertig dagen, waren dan ook niet te verwachten. „Houd mij niet vast”, was zo ongeveer het eerste woord van de Opgestane geweest – „want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader” (Johannes 20:17). Op de veertigste dag maakt hij met zijn heengaan die woorden definitief.

Ik ben met u
Verhulder wordt dit einde van Jezus’ aardse tijd aangeduid in het evangelie van Mattheüs (want bij het voorgaande putte ik vooral uit de beschrijving van Lucas). Ik doel op het slot van het evangelie, waar Jezus afscheid neemt met de woorden: „Zie ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld”. Dat is een opvallend krachtige verzekering en alleen al uit dat krachtige spreken valt op te maken dat Jezus’ volgelingen een belangrijke verandering te wachten stond. Net als Lucas maakt dus ook Mattheüs (maar implicieter) melding van dit belangrijke moment, waarop Jezus zijn aardse tijd afsloot.
Maar met die verzekering voegt het getuigenis van Mattheüs ook een dimensie toe. Want hoezeer Jezus met dit woord ook het einde van zijn aardse tijd aanduidt, tegelijkertijd onderstreept Hij zijn blijvende aanwezigheid.
Wonderlijk als je die twee zo dicht bij elkaar ziet: zijn afscheid en de verzekering van zijn blijvende nabijheid.
Want dat ’Ik ben met u’ is zoveel gevulder dan ons ’tot ziens’ en het sluit aan bij een ander woord van Jezus, gesproken vòòr kruis en opstanding, maar bedoeld voor na Pinksteren: „Waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Mattheüs 18:20).

’Afwezig’ – ’aanwezig’
Terugkijkend op de veertig dagen van na de opstanding, denk ik dat Jezus in deze periode iets zichtbaar heeft gemaakt van wat kenmerkend zal blijven voor de eeuwen die volgen. Ik schreef in het eerste artikel over die mengeling van aanwezigheid en afwezigheid van de Heer, maar eigenlijk ging dat woord ’afwezigheid’ me toen al te ver. Nee, het is beter om te zeggen dat het veertig dagen van zijn vernieuwde aanwezigheid waren, waarbij Hij soms zichtbaar in het midden van zijn volgelingen verkeerde en vaak ook niet. De hemelvaart heeft een einde gemaakt aan dat zichtbare verschijnen van de Heer, maar (en daar gaat het me om) niet aan zijn aanwezigheid.
Dat had Jezus in zijn aardse tijd al in het vooruitzicht gesteld met dat woord uit Mattheüs 18:20 – „waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden”. Maar de Opgestane heeft die nieuwe aanwezigheid zichtbaar bekrachtigd in dat wonderlijke intermezzo van veertig dagen. En op het allerlaatst sprak Hij het nog een keer uit: „Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld”. Soms komt het in later jaren zelfs nog weer tot een spaarzame verschijning van de Opgestane, zoals die in licht en stem aan Paulus (Handelingen 9:3,4). De dertiende apostel durft deze laatste verschijning dan ook in één adem met die van vóór de hemelvaart te noemen (1 Corinthe 15:8). Of neem de keer, dat de Heer Paulus bemoedigt (Handelingen 23:11), nòg eens zo’n moment, dat je na de hemelvaart niet direct zou verwachten.
Zulke momenten onderstrepen de blijvende aanwezigheid van de Heer. Al is het anders dan in zijn aardse tijd en ook nog weer anders dan in de veertig dagen, toen de Heer van tijd tot tijd onder zijn leerlingen verkeerde. Zo heeft de Opgestane zijn volgelingen laten wennen aan zijn nieuwe aanwezigheid als voorbereiding op al die dagen, die zouden komen tot aan de voleinding van de wereld.

Gumbel
Ik las een tijdje terug het bekendste boek van Nicky Gumbel ’Een kwestie van leven’. Het is een boek dat zijn weg (ook onder ons) gevonden heeft en zijn christelijk nut bewijst, met name in en rond de Alpha-cursus.
Iemand zei me, dat hij verbaast was over het enthousiasme, waarmee mensen dit boek van Gumbel lazen en bespraken. Een boek toch, waarin je een fris geschreven, maar voor ons herkenbare weergave van de christelijke boodschap aantreft. In dit opzicht is er werkelijk niets nieuws onder de zon, zo verklaarde hij zich. Ik ben het daar mee eens. Maar er is iets anders, dat Gumbels boek vleugels geeft en dat is de lange reeks van voorbeelden, die getuigen van Gods verlossende en vernieuwende aanwezigheid in het hier en nu. Het zijn even zo vele momenten, waaraan je merkt dat dat ’Ik ben met u’ geen papieren woord is.
Maar dat er ook anno 1998 iets ervaren kan worden van de heilzame, nieuwe aanwezigheid van de Heerzonder dat Hijzelf zichtbaar verschijnt. En precies dat element geeft m.i. de hoofdlijnen van het christelijk getuigenis, waarmee Gumbel onversneden komt, kracht en warmte. Om die reden verrast het me niet, dat dit boek graag gelezen en veel gebruikt wordt. En evenmin, dat langs de weg van dit boek, gecombineerd met cursus en gebed mensen omgaan voor Gods werk in Christus.

Kloof en wolkendek
Of Gumbel met de Nederlandse uitgave van zijn boek ook de top van de meest verkochte boeken heeft bereikt weet ik niet. Dat was zeker wel het geval met ’Het verhaal gaat’ van dominee Ter Linden en het boek van professor Den Heijer over verzoening. Bij het schrijven over ’de Heer die was en is’ kwamen die boeken me ook steeds weer voor de geest. En dan vooral een paar van die saillante uitspraken, waarmee de beide schrijvers de geest van hun boek zo raak typeerden. Ik denk aan het ’wolkendek’ tussen hemel en aarde waar God – zo is de overtuiging van Ter Linden – nooit doorheen is gebroken.3 Of de ’kloof’ van tweeduizend jaar, die ons op bijna onoverbrugbare afstand van de Heer en zijn werk zet.4 Twee keer is het de geest van afstand en afwezigheid, die ik daar proef. En beide boeken zijn dan ook – langs heel verschillende weg – een poging om die afstand te verkleinen. Maar het zijn wel pogingen, waarin ik node mis dat wat in Gumbels boek zo hartverwarmend present is: het geloof in de kracht van God, die zich hier en nu manifesteert, verlossend en vernieuwend. Vorig jaar is Ter Lindens boek (inmiddels al twee) en zijn aanpak in Opbouw breed besproken. Het ging bijna steeds (voor zover ik me herinner) over zijn aanpak van de Schrift. Een uitzondering was de eigenlijke boekbespreking zelf, die Pieter van Kampen afsloot met een treffende anekdote. Het ging over een agnost, die een evangelist uitdaagde tot een openbaar debat. De evangelist stelde als voorwaarde, dat de agnost twee mensen moest meenemen, die dankzij hun agnosticisme tot een (heilzame) ommekeer in hun leven waren gekomen. Hij zou zelf zorgen voor honderd mensen, die door Gods werk een nieuw leven hadden ontvangen. De agnost blies het debat af.

De kracht Gods
Al opgroeiend in onze kerken, is toch ook bij mij het idee gegroeid dat het christelijk geloof vooral een zaak was van leven uit de verleden tijd. Veel zijn we bezig geweest met het gezag van de Schrift, als dat in het geding was – zoals bijna twintig jaar terug in het Schriftrapport ’God met ons’. En grote nadruk lag op Golgotha, waar Jezus toen en daar voor onze zonden was gestorven. Was het onder ons (zo denk ik achteraf) niet veel te eenzijdig: God die grote dingen deed. Met zoveel verleden tijd in de verkondiging, waarbij de beelden van wolkendek en kloof voor je gevoel toch om de hoek lagen. O zeker, het was ook wel eens anders, vaak dankzij impulsen van buitenaf. Over Watchman Nee hoorden we en Francis Schaeffer schreef een boek ’De God die leeft’, zo opvallend in de tegenwoordige tijd. En daarin werd iets hoorbaar van Gods kracht in het hier en nu.

Tijdgenoten
Misschien was die schroom om over Gods werk in het hier en nu te spreken ook niet zo verwonderlijk. Als je denkt aan de anderhalve eeuw kerkscheuringen, die ons land sinds 1834 geteisterd hebben. Met talloze vergaderingen, waar je misschien nog wel kunt discussiëren over juiste interpretaties van Schrift en belijdenis, maar in zo’n geest, dat de kracht van God er wel uit moest wegvloeien.
Toch, ook afgezien van de kerkelijke strijd zou ik wel willen beweren, dat in onze kerkelijke traditie de kracht van God toch wel vooral te zoeken was in vervlogen tijden, grotendeels zelfs binnen de kaders van Oude en Nieuwe Testament. Zodat het al prekend, vergaderend en wat al niet meer, vooral ging over de Heer die ’was’ en maar zo weinig over Hem die ’is’. Op zo’n moment merk je ook hoezeer wij tijdgenoten zijn van Den Heijer en Ter Linden. Hun eenzijdigheid delen we – en dat verklaart misschien ook de aantrekkingskracht, die ze op sommigen van ons uitoefenen. Want de geest van afstand en afwezigheid vraagt om overbrugging. En in dat licht zijn pogingen van Ter Linden (een inspirerend verhaal) en Den Heijer (een inspirerende Jezus) begrijpelijk.
Toch zie ik in die pogingen weinig heil en de hoofdreden is, zoals gezegd, dat je in hun boeken zo weinig proeft van de Heer die ’is’. Met tegelijk de vraag of we zelf wel ontvankelijk zijn voor de werking van Gods kracht in het hier en nu. Zit er op dàt punt verwachting in ons geloof, hoe orthodox we verder ook met de Schrift in de weer kunnen zijn!

De Geest
Bij alles wat Jezus in de veertig dagen over het Koninkrijk gezegd heeft, verzekert Hij zijn volgelingen ook van die kracht van God: ’Gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt’ (Handelingen 1:8). Kracht van God – het is iets voor christenen in Nederland, nu we ons kerkelijk, maar ook vaak persoonlijk zo krachteloos voelen. Onmachtig om de relevantie van het evangelie aan buitenstaanders duidelijk te maken, niet zelden te vermoeid of te sceptisch om überhaupt een poging in die richting te wagen. En onze levensstijl springt er ook al niet uit. Kracht van God – Jezus verbindt het met het werk van de Geest en het woord ’kracht’ is zo typerend voor deze gestalte van God. Het zal niemand verbazen, dat Gumbel in zijn boek aan het werk van de Geest een opvallend grote aandacht geeft. Al in de inhoudsopgave zie je dat aankomen. Geen wonder, want de Geest is immers bij uitstek degene, die bewerkt dat hier en nu Jezus’ verlossing werkelijkheid wordt in de levens van velen. En bij Gumbel vind je voorbeelden te over van dat verlossingswerk in het hier en nu.

Ontvangen en vervuld
Waarom zien wij onder ons zo weinig van die krachtige aanwezigheid van de Heer, denk je dan. Hinderen we Hem in zijn aanwezigheid en dempen we – door geringe verwachting, scepsis en vermoeidheid, etc. – het werk van de Geest in het hier en nu? Gumbel maakt een onderscheid in zijn boek, dat ik graag ter overweging meegeef. Hij wijst op een verschil tussen het ontvangen van de Geest (Romeinen 8:9) en het vervuld zijn met de Geest (Efeziërs 5:18). Het eerste valt de hele christenheid ten deel, maar het tweede is niet vanzelfsprekend.5 Ik moest denken aan mijn eerste vliegreis (naar Bangui). Bij het eerste omzichtige gemanoeuvreer op weg naar baan ’zoveel’ had ik wel door dat ons vliegtuig niet de lucht in zou gaan. Maar toen de startbaan bereikt was en de snelheid er flink in kwam, zat ik gespannen uit het raam te kijken. Totdat ineens de motoren gingen brullen en de kracht misschien wel vertienvoudigde.
En toen pas ging de hele zaak van de grond. Bedoelt Gumbel zoiets met zijn onderscheid tussen het ontvangen en vervuld zijn van de Geest? Bij het eerste – zo denk ik – zal het kerkelijk wel zijn gangetje gaan, al kan het de schijn hebben dat de Heer toch vooral ’was’. Bij het tweede wordt het een ander verhaal en komt voorop te staan dat de Heer ’is’ (vergelijk Openbaring 1:8) en zijn kracht in het hier en doet voelen. De Heer die ’was’ en ’is’. Het intermezzo van veertig dagen na de opstanding is een hart onder de riem.
Omdat de Heer eigenhandig de lijnen van de verkondiging uit zijn aardse tijd doortrok (eerste artikel), maar ook omdat Hij op nieuwe wijze onder zijn volgelingen present was, als teken voor de tijd, die zou komen. Zodat we werkelijk niet vergeten – al de dagen – dat de Heer is.


Noten:
1 Maar niet anders in de zin dat de hemelvaart zoveel wonderlijker is dan die eerdere momenten van komen en gaan. Wie de beschrijving van de hemelvaart liever ziet als een literaire inkleding (en niet als een getuigenis), blijft m.i. dan ook zitten met die minstens zo vreemde verschijningen en verdwijningen van de Heer uit de veertig dagen. Ik ben evenmin onder de indruk van de pogingen om de hemelvaart op te hangen aan een verouderd wereldbeeld. Wie wijst bij dood en wat verder volgt niet omhoog? Zelfs haas in het seculiere, maar o zo mooie kinderboekje van Max Velthuis ’Kikker en het vogeltje’. Zie verder b.v. B. Loonstra, De geloofwaardigheid van de bijbel, p. 210.

2 In de evangeliën - het meest uitgesproken in dat van Johannes en implicieter in de eerste drie - zijn geregeld toespelingen te vinden op Jezus’ heengaan. Een overzicht is te vinden in J. van Bruggen, Het evangelie van Gods Zoon, p. 190, 191.
3 Nico ter Linden, Het verhaal gaat I, p. 12.
4 C.J. den Heijer, Verzoening, p. 136.
5 N. Gumbel, Een kwestie van leven, p. 136.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief