Een ’rand van onzekerheid’ aan de Bijbel?

1998-09-04
  • Jaargang 42
  • nummer 18
Een van onze predikanten vroeg om hulp bij relativeren zonder onverschillig te worden.

1. ’Rand van onzekerheid’?
Deze berucht geworden uitspraak van Ds. De Jong moet voor velen binnen en vooral buiten onze NG-kerken dienst doen om bezorgdheid over onze kerkelijke ’trouw aan de Schrift’ te uiten en zelfs op te roepen. Om deze zorg en het daarmee gepaard gaande onderlinge wantrouwen zo mogelijk wat te verminderen zou ik de genoemde uitdrukking een beetje willen bestrijden en tegelijk de goede bedoeling ervan verdedigen. Daarbij gaat het mij niet om de theologische schriftopvatting van Ds de Jong in het algemeen, want een systematische uiteenzetting van zijn theologie over de Bijbel is mij niet bekend.
Ik gebruik zijn bekend geworden uitdrukking slechts als een kapstok om een klein stukje van mijn eigen opvatting over een theologie inzake de Bijbel aan op te hangen en voor geïnteresseerden ter overweging en discussie te geven. Temeer omdat naar mijn mening door Ds. Mudde terecht in een artikel in het Ned. Dagblad eind 1996 is opgeroepen tot een gezamenlijke (interkerkelijke) bezinning over het schriftvraagstuk binnen de gereformeerde gezindte. Voor zover mij bekend is daarvan nog niet veel terechtgekomen. Misschien zelfs niets. En eerlijk gezegd: ik verwacht er voorlopig ook nog niets goeds van, al blijf ik hopen. Misschien dat communicatie per computer voorbereidend zou kunnen werken. Wij missen immers node een gezamenlijk wetenschappelijk tijdschrift voor theologie binnen de drie kerken van de ’kleine oecumene’.

2. Schriftgeloof en bijbeltheologie
Eén van de ondergrondse bronnen van veel meningsverschillen en misverstanden inzake onze schriftbeschouwingen, is een afgodische trek die, niet pas sinds de Verlichting maar van meet af, het hart van onze Westerse cultuur mede gestempeld heeft, en die van Griekse afkomst is. Die trend is de grove overschatting van de wetenschap en het niet meer of nog niet voldoende kunnen onderscheiden tussen theorie en praktijk, tussen de creatuurlijke aard van praktisch en theoretisch denken, tussen levensbeschouwing en filosofie, en in het verlengde daarvan tussen geloof en theologie. Dat wreekt zich thans ook in de discussies binnen de kerken van de gereformeerde gezindte over het schriftgezag en de onfeilbaarheid of betrouwbaarheid van Gods Woord.
Eén van onze predikanten slaakte, volgens een verslag in het ND (dd.?), op een conferentie de verzuchting: ’Wie helpt ons toch eens bij de kunst om verschillen op goede wijze te relativeren, zonder dat we onverschillig worden?’ Naar ik meen is zulk een hulp al lang voorradig, maar door de overheersende strijd rondom en na de vrijmaking nog niet serieus genoeg ter kennis genomen en uitgeprobeerd. Of zelfs bij al voorbaat afgewezen onder het motto: non talis auxilio, niet met een zodanige hulp.

3. ’Van kaft tot kaft’
Vooral tegenover allerlei ongelovige schriftkritiek sedert de 18e eeuw, is vanuit de orthodoxie in allerlei landen gewerkt aan een theorie om de waarheid van de Schrift en het geloof daarin, te verdedigen. Ik beperk mij thans tot de bekende, vooral uit Amerika afkomstige, theorie van de letterlijke onfeilbaarheid of foutloosheid van de gehele Bijbel ’van kaft tot kaft’. Die zou te danken zijn aan de goddelijke inspiratie van de Schrift en deze zou, naar men meent, door de Schrift zelf geleerd worden in enige schriftplaatsen, zoals vooral II Tim. 3:16 en II Petrus 1:21. Daartegen komt nu vooral in de laatste twee eeuwen veel verzet en wel van allerlei kanten. De prijs die men voor deze theorie moet betalen aan onderlinge vervreemding, tuchtprocedures tegen ambtsdragers, kerkscheuringen, en ook aan wetenschappelijke integriteit, lijkt veel te hoog. Bij de bespreking van dat verzet beperk ik mij weer tot de bezwaren van mensen en theologen die ik (h)erken als orthodoxe geestverwanten in het geloof aangaande de Schrift als het Woord van God, en laat ik dus de vrijzinnige ongelovige schriftkritiek buiten beschouwing. Zo kan het onderwerp voorlopig even beperkt worden tot de meningsverschillen over wat kortheidshalve genoemd kan worden de ’van-kaft-tot-kaft-theorie’. Daartegen lijkt ook de uitdrukking ’rand van onzekerheid’ te zijn gericht.

4. Tekstkritiek en schriftkritiek
De vraag die onder schriftgelovige theologen aan de orde is, hangt samen met de zorg van de kerk om, overeenkomstig één van haar taken, te waken voor de zuiverheid van de leer, dat is: voor de bewaring van ’de leer der apostelen en profeten’. In de strijd die daarvoor in de hele kerkgeschiedenis nodig is geweest en nog steeds nodig is, is tegenover allerlei verkeerd beroep op de Bijbel de theorie ontstaan dat het ’ingegeven’ zijn van de Schrift door Gods Geest betekent dat alles wat er in onze bijbels staat, foutloos is en niet fout kàn zijn.
Natuurlijk afgezien van mogelijke fouten in de vertaling. Wel weet men van de gecompliceerde situatie dat er allerlei tegenstellingen in de bewaarde handschriften van de bijbel zijn en dat de vertalingen en de uitleg, ook door orthodoxe exegeten, heel verschillend kan uitvallen, maar de genoemde theorie is dan ook beperkt tot de niet meer voorhanden oorspronkelijke handschriften (de Bijbel ’as originally given’). Letterlijk en actueel genomen slaat die theorie dus nergens meer op. De zogenaamde tekstkritiek is dan geoorloofd want die moet wetenschappelijk uitzoeken wat er naar alle waarschijnlijkheid precies gestaan heeft, terwijl de ongelovige schriftkritiek als kenmerk heeft dat men niet meer gelooft en wil doen wat er precies staat.
Deze grove en simplistische zwart-wittheorie is in het algemeen gesproken de hoge prijs die de orthodoxie blijkbaar wil en moet betalen om zo, naar zij meent, haar geloof althans kerkelijk zuiver schriftuurlijk te houden. Zij gelooft deze theorie, omdat zij haar feitelijk vereenzelvigt met het geopenbaarde Woord Gods zelf, of omdat zij minstens meent dat deze theorie over de inspiratie van de bijbel met een korte logische procedure rechtstreeks uit de Schrift is ’af te leiden’. En wat goed-logisch uit de Schrift is afgeleid, heeft volgens de rationalistische Middeleeuwse scholastiek hetzelfde gezag als de Schrift zelf.

5. Hoeveel procent korting?
In de uitdrukking ’rand van onzekerheid’ zou echter aan het woord kunnen zijn een wat mildere opvatting die de zojuist aangeduide inspiratietheorie niet zonder meer wil afwijzen, haar zelfs wel in hoofdzaak wil aanvaarden, maar die eerlijkheidshalve met het oog op onloochenbare feiten die theorie niet al te rigoureus wil doorvoeren. Zij vraagt een korting op de ook mijns inziens inderdaad veel te hoge prijs van die genoemde theorie. De onfeilbaarheid en feitelijke foutloosheid van de bijbel in alle onderdelen, dus ’van kaft tot kaft’ is wel in hoofdzaak juist, maar niet voor 100%. Er zit aan de Bijbel een ’rand’ waarover men niet met zoveel zekerheid kan spreken in de geest van de genoemde onfeilbaarheid.
Zo lijkt de gedachtegang te zijn achter dat spreken over een ’rand van onzekerheid aan de Schrift.
Een eerste, maar nog niet het voornaamste bezwaar tegen deze uitdrukking en opvatting is mijnerzijds, dat zij aan die ’onzekerheid’ inzake sommige deeltjes of elementen in de Schrift ook nog de onzekerheid toevoegt hoeveel procent korting men dan wil vragen op die hoge prijs van een rigoureuze theorie inzake totale foutloosheid van elk woord in de Bijbel. De ’rand van onzekerheid’ kan immers zeer smal of bedenkelijk breed zijn, kan op de ene plaats smal en op een andere plaats breed zijn. Kortom: het spreken over een ’rand van onzekerheid’ helpt ons niet veel verder en roept bij velen wantrouwen op. Deze spreekwijze heeft meer retorische dan theologische kracht. Toch is dat jammer, want de bedoeling van die minder gelukkige beeldspraak kàn mijns inziens heel goed zijn.

6. Geloof en theologie
Er is een wezenlijk verschil tussen geloven en wetenschappelijk theologisch denken. Theologie is en behoort te zijn een wetenschap. Geloven is dat niet1. De ’leer’ van de onfeilbaarheid van alles wat tussen de voorkaft en de achterkaft van de Bijbel staat, is een theorie. Begrijpelijk, sympathiek en meestal goed in de bedoelingen, ten dele ook goed van inhoud, maar desniettemin een menselijke, feilbare theorie die mijns inziens nodig herzien moest worden. Men kan er tijdelijk misschien enige steun aan hebben als ons geloof in de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift wordt aangevochten, maar als er echt concrete praktijkproblemen ontstaan omtrent wat Gods Woord ons zegt inzake wat wij moeten geloven of doen en laten, dan laat die theorie ons meestal in de steek. Wordt dan de wetenschap van allerlei theologische deskundigen te hulp geroepen, dan kunnen we helemaal in de problemen komen.
Want, om een eerste voorbeeld te noemen: over de hele wereld zijn orthodoxe, schriftgelovige exegeten het onderling oneens over de vraag of er vrouwen benoemd mogen worden in een kerkelijk ambt. Als er op dit punt dan door een meerderheid beslissingen worden genomen, kwam en komt het niet zelden tot een kerkscheuring of een individuele kerkverhuizing of zelfs kerkverlating. Een tweede voorbeeld kan zijn, dat tal van orthodoxe ’schriftgetrouwe’ kerken en groeperingen in de hele wereld zeer verschillend denken over de organisatorische gezagsstructuren in de kerk (’kerk-orde’).
Hetzelfde kan gezegd worden over de al of niet aanvaarding van de traditionele theorie(ën) over de inspiratie van de bijbel. Oprechte schriftgelovige broeders en zusters, al of niet beroepstheoloog, gaan op dit punt heel vaak uiteen in hun theologisch denken. Tolerantie en elkaar ondanks dat meningsverschil voluit en van harte aanvaarden als volwaardige kerkgenoten, is er dan vaak niet meer bij, kàn er bij de gangbare denkwijzen ook nauwelijks meer bij zijn. Of, en dat is ook in onze tijd weer steeds meer voorkomend, men wendt zich af van alle ’dogmatiek’ en ’kerkrecht’, men wordt onverschillig op het punt van ’de leer’, en men zet dan alles op de kaart van de ’praktijk’, waarmee allerlei goeds bedoeld kan zijn: evangelisatie, sociale hulpverlening, prediken van politieke idealen of protesteren tegen maatschappelijke toestanden, spiritualiteit, liturgische vernieuwing, pastorale psychologie, delen van ervaringen, enzovoort. Maar in alle gevallen: in die ’praktijk’ ook enige onverschilligheid ten opzichte van ’de leer’, want dat ’is toch maar theorie’. Het komt aan op de praktijk.
Zo bezien velen het christelijke leven, met andere woorden: dit is hun praktische levensbeschouwing. Vandaar dat veel gelovige en meelevende kerkleden de kans op een gereformeerde oecumenische verbondenheid beslist niet meer verwachten van theologische leiders die de officiële bestuurslagen van de kerken beheersen, maar alleen nog een beetje van praktische oecumenische daden in een niet-’kerkelijke weg’. Wie zou dan niet terugdenken aan de verzuchting die ik in punt 2 citeerde: „Wie helpt ons toch eens bij de kunst om verschillen op goede wijze te relativeren, zonder dat we onverschillig worden?”

Noot:
1 Theologen die geïnteresseerd zijn in ’De Utrechtse school’, kunnen hierover een voortreffelijk deel (de eerste helft) van een artikel lezen dat door Prof.dr. L.J. van den Brom (kerkelijk hoogleraar te Groningen) is geschreven in de discussiebundel van de Hervormde kerkelijke docenten dogmatiek: ’Openbaring en werkelijkheid. Systematische theologie tussen empirische werkelijkheid en christelijke zinervaring’, 1994, p. 67-82.1 Lichte correctie en aanvulling van zijn artikel zou echter wel gewenst zijn vanuit de gezichtshoek van de reformatorische wijsbegeerte.


(Slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief