Aards slijk (2)

1998-09-04
  • Jaargang 42
  • nummer 18
1963 een – nu dierbare – herinnering. We zaten midden in de kennismakingsbezoeken.
En overal waar we kwamenalthans bij de beter gesitueerden - werd ons ’s avonds na de koffie iets te drinken aangeboden: „Zegt u maar wat u wilt drinken, we hebben alles!” In het begin accepteerden we dat natuurlijk, maar sinds mijn eerste verjaardag in de pastorie kwam daar een abrupt einde aan. Ik had er de hele week over nagedacht wat ik in huis zou halen, speciaal dat drinken na de koffie. Ik wilde natuurlijk niet al te zeer uit de toon vallen bij al die mensen waar we zo royaal waren onthaald.
Mijn lijstje zag er zó uit: „1 fles rode wijn, 1 fles sherry, 1 fles vermouth wit, advocaat, vruchtenbowl en fris”.
We zouden er de avond wel mee doorkomen, al was het bescheiden. Het uur was aangebroken. Het lijstje deed de ronde. Ik zat even met iemand te praten, toen een van de heren op mijn arm tikte.
„Mevrouw, is het rode of witte vermouth?” „Witte vermouth,” antwoordde ik opgewekt.
„O”, zei hij, „dat is nou jammer, ik drink altijd rode.” „Wat wilt u dan nu drinken”, vroeg ik kalm, „witte maar?” „Nee”, zei hij, „dan bedank ik. Het geeft niet, hoor, ik ben niet zo’n drinker.” Ik stond paf. Toen we bij hem thuis waren had ik hem sherry zien drinken. Ik weet het nog zo goed, omdat ik het zelf op die avond voor het eerst dronk, en hij me adviseerde na het eerste glas direct nog een tweede te nemen. Omdat je dat moet leren drinken. Toen we die avond naar huis gingen, moest Koos me bijna meeslepen. En nu had ik nota bene voor hem sherry in huis genomen, en nam hij niets omdat er geen rode vermouth was! Toen iedereen weg was vertelde ik het Koos, die nuchter zei: „Vind jij nou dat we daar aan mee moeten doen? Het lijkt wel of het een statussymbool is. Daar heb ik gewoon lak aan.
Op een verjaardag nemen we wat in huis en verder geen flauwekul. Bovendien waar moeten we het van betalen?” Mij kwam in gedachten hoe hoog de kruideniersrekening was geweest. Dat bedrag liet niet toe, dat ik in de komende week ook maar een stukje vlees op tafel kon zetten. Trouwens dat vlees – dat is ook nog een mooi verhaal. Ik nam voor de zondag een half pond. Het was niet veel, maar ik moest nog een week van mijn huishoudgeld leven. Dit ontlokte aan de slagersvrouw de volgende opmerking: „U mag dominee wel een flinker stuk vlees voorzetten!” „Ja,” aarzelde ik, „maar ik moet een beetje zuinig zijn van de week.” En zij weer: „U mag op vlees niet bezuinigen hoor, anders wordt hij veel te mager!” Ook dat nog.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief