”Zo zal men de kinderen als erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond, dopen”, ja maar...

1998-09-18
  • Jaargang 42
  • nummer 19
Je komt er niet dadelijk achter dat je in Afrika dikwijls werkt onder een volk zonder vaders.
Neem eens de proef op de som en stap die hut binnen waarvoor dat kluwen kinderen aan het spelen is en vraag eens waar en wie hun vaders zijn. Ze zijn heus niet allemaal bekend! Vraag eens aan de kinderen van Dudu (zie vorige Opbouw) wie hun vader is. Of vraag die aardige zwarte mevrouw eens- daar op straat in de stad- waar haar kinderen zijn en wie hen grootbrengt?

Kijk, dat is het juist. Hoe ging dat oude doopsformulier ook weer verder? En de ouders zullen gehouden zijn hun kinderen . . . hiervan breder te onderwijzen. Maar in zo vele gevallen weet je tevoren al wel dat de moeder of ook de vader dat wel zou willen maar niet kan omdat de natuurlijke ouder-kind band is doorgesneden.
Dat de Here de God is van Abraham, Izak en Jacob is één van de peilers van de kinderdoop. Hij is niet de God van Sara, Rebekka en Lea/Rachel. Niet dat we een God van mannen hebben maar Abraham, Izak en Jakob zijn binnen hun cultuur de dragers van de sociale stabiliteit waarin de God van Abraham die van Izak kan worden, en de God van Izak die van Jakob. Dat zou in een Sara-, Rebekka- en Lea/Rachelsamenleving niet lukken. ”U en Uw zaad” wordt dan ook tegen Abraham gezegd.
Een ongetrouwd meisje in Afrika heeft meestal wel een kind maar het is in Bijbelse zin niet haar ‘zaad‘. Ze heeft er zelf nauwelijks zeggenschap over. Het behoort tot haar familie. Ze kan wel ‘ja‘ zeggen op de doopvragen maar zij kan dat ‘ja‘ thuis geen gestalte geven. De zogenaamde huisteksten van de gevangenbewaarder van Filippi en anderen gaan van dezelfde sociaalmaatschappelijke stabiliteit uit als die we in het OT tegenkwamen. Mocht U even heel ad-rem opmerken dat Lydia van Filippi toch wel een vrouw was van wie het gezin gedoopt werd, dan waag ik het op te merken dat zij binnen haar gezin kennelijk met veel succes ook vader was. Dat is wat zoveel meisjes wier kinderen ik gedoopt heb, niet was en ook niet kon zijn.
Het hangt er dus vanaf in hoeverre de familie van de dopeling een christelijk draagvlak vormt dat de kinderdoop veronderstelt. Het persoonlijk geloof van de moeder dat sociaal nauwelijks iets in te brengen heeft bij de opvoeding van haar kind, is -naar mij voorkomtbijbelse een te schrale onderbouw voor de kinderdoop. In het weekblad ’De Reformatie’(6 Juni ‘98) lees ik in een bespreking van Prof J. van Bruggen‘s boek: Het Diepe Water van de Doop: ”omdat van Bruggen uitgaat van de samenhang van het gezin, kan hij het geloof van de ouders onderstrepen. Niet de smalle samenhang van individueel geloof en doop, maar van het geloof als gave in de breedte van Gods huisstijl”. Het lijkt mij de juiste klassieke middenpositie te zijn van de Reformatie tussen de minachting van de natuur door de Wederdopers en de makkelijke omdoping ervan door Rome. Genade vernietigt de natuur niet maar herstelt die.
Wie te makkelijk doopt in Afrika waar de natuurlijke structuren stuk zijn, is te ver naar Rome opgeschoven. Zelf heb ik ook in mijn Afrika-pastoraat te makkelijk en teveel kindertjes van gelovige meisjes uit de gemeente gedoopt. Nu zou ik dat anders doen. Een moratorium op de kinderdoop bepleit ik niet maar wel een groot stopbord: niet zomaar alle kindertjes van gelovigen dopen. Is er wel een christelijk draagvlak van de familie zodat de God van Abraham de God van Izak kan worden?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief