Precies tweehonderd jaar geleden
1998-09-18
Met enig speurwerk blijkt er altijd van alles te zijn gebeurd, honderd of tweehonderd jaar geleden of nog langer terug, dat we met profijt kunnen herdenken. De keus van sommige herdenkingen heeft daarom soms iets willekeurigs. Dat is misschien ook het geval bij de jaartallen 1798 en 1898, die beide van groot belang zijn geweest voor de verhouding tussen de volkeren van het Midden-Oosten en Europa. In 1798 leidde Napoleon een Franse militaire expeditie naar Egypte, met belangrijke consequenties. In 1898, een eeuw later, werd verder Zuidelijk, bij Omdoerman (dubbelstad van Khartoem, de hoofdstad van de Soedan) door de Britten een beslissende overwinning behaald op de legers van ”de Mahdi” - de belangrijkste Islamitische pretendent van de laatste eeuwen als Rechtgeleid Leider van zijn Geloof. Hier gaat het om Napoleons reis. 1)- Jaargang 42
- nummer 19
Wie enig historisch besef heeft weet bij ’t jaartal 1798 meteen dat Europa toen verdeeld was in twee vijandige kampen. Er was het revolutionaire Frankrijk, dat na de omwenteling in 1789 niet alleen vorsten, adel en geestelijkheid onder de guillotine had gebracht, maar ook diverse delen van Europa aan het grondgebied toegevoegd had. Sinds 1795 was zo ons land bij Frankrijk ingelijfd, als De Bataafse Republiek.
In het andere kamp bevonden zich de landen die besloten hadden zich persé tegen deze ontwikkelingen te weer te stellen, mochten Franse legers dichterbij komen. De grootste vijand van Frankrijk was Engeland, wijkplaats van Franse émigré’s die het bloedbad thuis ontkomen waren, maar ook van vorsten die uit eigen land verdreven waren, bv. Stadhouder Willem V en Nederlandse Oranjegezinden die hem vrijwillig in ballingschap gevolgd waren. In die tijd begon een kleine, bleke, lichamelijk niet erg imponerende jongeman van nog geen dertig jaar oud, de aandacht te trekken. Hij was een Corsicaan, Buonaparte (de ”u” is later uit de naam verwijderd, als suggestief voor een Italiaanse komaf). Zijn opvallende, heroïsche daden én zijn strategisch inzicht bezorgden hem bij het volk grote faam. Rond 1798 begon een deel van de Franse militaire leiding zijn hoop op hem te vestigen; tegelijkertijd waren er in die vroege fase van zijn carrière, al leiders die nerveus van hem werden en hem liever kwijt dan rijk waren. We kunnen erover lezen in Prof. Pressers boek.
Innemend
In ”het Egyptische Avontuur” lezen we van Napoleons motieven om zo onverwacht in het Midden-Oosten op te duiken. Hij is net van een glorieus verlopen ”Italiaans Avontuur” teruggekeerd, door de mensen geadoreerd. Van het opperbevel vervalt hij tot ”de daadloosheid van het non-actief. Hij legt het echter knap aan. Hij vertoont zich bij voorkeur in civiel, doet nederig tegen de ’ideologen’ wier mindere hij speelt tot de dag dat hij voor goed hun meerdere is, hij cultiveert na één en twintig maanden lawaai en schittering een eenvoud zo geraffineerd, dat hij nog enige tijd populair blijft, populair genoeg om het Directoire ongerust te maken. Misschien toen nog ten onrechte. Voor de staatsgreep, nog daargelaten, of hij hem toen al heeft overwogen, is de vrucht nog niet rijp of liever nog niet rot genoeg.” Lijkt hij allengs door het volk weer wat te worden vergeten, de nieuwe opstap naar de Macht is een opperbevel over ’t leger dat hij tegen Engeland moet laten optrekken. Een inspectiereis naar de havens aan Frankrijks westkust overtuigt hem echter snel dat hem in geen jaren een zeewaardige marine ter beschikking staat. ”Het is na deze conclusie, dat een ander plan op de voorgrond komt: een aanval op Engeland in ’het Oosten’. En wel via Egypte.” 2) Dat plan, dat in bepaalde zin lijkt op voorgaande invasies (bv tijdens de Kruistochten) krijgt door Napoleons genie eigen, fascinerende, trekken. Hij geeft het ”een zo karakteristieke, individuele toets dat het in de geschiedenis heeft kunnen voortleven, alsof het niet anders is geweest dan de geniale conceptie van deze creatieve oppermens, die de opzet uitvoert tegen de traagheid en het versagen van zin tijdgenoten in.” Zo wordt ”een welige voedingsbodem van legenden om Napoleon heen gemaakt.
Waarbij dan niet moet worden vergeten het fabelachtig suggestieve decor van zee, woestijn en oase, van duizendjarige beschaving, van de mysterieuze bakermat van godsdienst en kunst, een achtergrond die op
zichzelf al een voorgrond oproept van heroïek, van nobele, grootse daden.” 2)
Steun voor de plannen
Het plan dat Napoleon in een brief aan het Directoire, de Revolutionaire regering uiteenzet: ”Om naar Egypte te gaan, me daar te vestigen en een Franse kolonie te stichten zal enige maanden vergen. Maar zodra ik Engeland heb laten sidderen om de veiligheid van Indië, zal ik naar Europa terugkeren en de vijand de genadeslag toedienen. Er is in de tussentijd niets te vrezen. Europa is kalm.” 3) Wat in deze fase wellicht het meest opvalt, is het gemak waarmee Napoleon zich verzekert van de loyaliteit van andere militaire leiders, die vaak zelf zeer succesrijk zijn en bejubeld worden door de revolutionaire massa’s. Ze erkennen de een na de ander de superioriteit van het nog jonge militaire genie en zijn hem allen trouw gebleven.
Minstens zo opmerkelijk is de aandacht voor Napoleon in het Institut de France. Intellectuelen en kunstenaars blijken gauw intense gevoelens van verering voor hem te koesteren. ”Succes is natuurlijk aanstekelijk; in elke eeuw zijn intellectuelen door geletterde mannen van de daad intens bekoord; Napoleon schijnt het Institut echter in beweging te hebben gebracht als cadettencorps dat hem in de slag volgen moet. Ze nodigen hem uit lid van hun genootschap te worden, zijn verrukt van de bescheiden houding waarin hij zijn stukken voorleest, verbluft door zijn kennis en gevleid door de interesse die hij voor hun werk aan de dag legt. Op slag worden respectabele wetenschapsbeoefenaars en literatoren zoals Monge en Berthollet, die vele jaren ouder zijn dan hij, weer jong en ze kunnen niets bedenken dat opwindender is dan hem te vergezellen op zijn expeditie naar Egypte. De jonge bevelhebber is meer dan welkom. Hij wenst ze allen in z’n staf: ingenieurs, geologen, wiskundigen, chemici, zoölogen, sterrenkundigen, aardrijkskundigen, mineralogen, archeologen, kenners van het Arabisch, maar ook dichters en schilders. En haast zonder te beseffen wat ze doen vormen deze mannen met een zittend beroep, mensen die zich plegen te richten op studie, uiteindelijk een cadettencorps om deze Caesar in de strijd te volgen.” 3) Presser voegt onder andere nog toe de landmeters, wegenbouwers, componisten, economen, oriëntalisten, drukkers, chirurgijns, medici en apothekers. Zij zullen straks het Instituut van Egypte vormen.
Na diverse keren uitstel koos Napoleons vloot zee op 19 mei 1798. De kritische Presser meldt: ”De overtocht is een van de aantrekkelijkste fragmenten van deze Odyssee.” Napoleon heeft een staf van ruim 150 geleerden bij zich die hij verdeelt over diverse oorlogsbodems. Aan boord wordt over de meest uiteenlopende onderwerpen gesproken: Zijn de planeten mogelijk bewoond? Hoe oud is de aarde? Welke betekenis hebben voorgevoelens en dromen, bv. Josefs dromen? Napoleon wil alles weten; zo worden aan de maaltijd en daarbuiten lange gesprekken gevoerd. Er is zeker ook dramatiek, als later blijkt dat de Britse vloot onder leiding van Admiraal Nelson, die hen van de ene hoek van de Middellandse Zee tot de andere achtervolgt, hen zonder het te beseffen ’s nachts op minder dan 10 kilometer passeert. Op de terugweg gebeurt er iets vergelijkbaars! ”De Navy” is verre superieur aan de Franse zeemacht en het is voor de Britse marineleiding slecht te verkroppen dat de vijand onvindbaar blijft.
Napoleon als ”moslim”!
Hebben de meeste geleerden niet meteen veel te doen, voor een paar van hen is er onmiddellijk werk aan de winkel: ze moeten proclamaties aan de het Egyptische volk die Napoleon al opgesteld heeft aan boord in het Arabisch vertalen. De Egyptische historicus Shafik Ghorbal meldt dat Napoleons oorspronkelijke stuk stijl en geest van de Koran dichter benadert dan die van zijn vertalers. In beide versies ligt overigens ’t huichelachtige en dubbelzinnige karakter voor het opscheppen - als men erop terugkijkt, tenminste! ”Gloire au sultan! Gloire a l’armée francaise. Malediction aux Mamelucks en bonheur au peuple d’Egypte!” Nadat heerlijkheid aan Sultan en eigen leger toegekend is en het Egyptische volk geluk gewenst is worden de Mamelukken (door de Turken gebruikte, maar oorspronkelijk uit niet-Turken bestaande legereenheden, die Egypte veroverd hebben en er zeer gehaat zijn) de gebruikelijke vervloekingen toe geslingerd. Dan komt de Franse legerleider ter zake. Hij is hier als Verlosser, Heilbrenger: ”Te lang hebben de Mamelukse beys die Egypte regeren het Franse volk beledigd, en haar kooplieden met ergernissen overladen; het uur van de kastijding is aangebroken. Te lang heeft deze horde slaven, zelf gekocht uit de Kaukasus en Georgië, het schoonste deel van de wereld getiranniseerd.
Maar God, van Wie alles afhankelijk is, heeft het bevel gegeven dat hun rijk ten einde is. Volk van Egypte! U zult verteld worden dat ik gekomen ben om uw godsdienst te vernietigen.
Gelooft het niet! Antwoordt dat ik gekomen ben om uw rechten te herstellen en de machtswellustelingen te straffen die u het uwe ontwrongen hebben, en dat ik God, zijn profeet en de Koran méér vereer dan de Mamelukken. Alle mensen zijn voor God gelijk, maar het zijn de wijsheid, talenten en deugden die maken dat er tussen mensen verschillen zijn.” Na uit te weiden over ongerechtigheden die de Mamelukken begaan hebben (niet zonder reden), vervolgt het pamflet: ”Maar God is rechtvaardig en overvloedig ten opzichte van de hele mensheid. De Egyptenaren krijgen nu opdracht zichzelf te regeren: laat de meest wijze, best ontwikkelde en deugdzame besturen en het volk zal gelukkig zijn.” Fijntjes wijst het Franse opperbevel erop dat men onderweg Malta veroverd heeft, tot dan toe feitelijk het laatste bolwerk van kruislegers.
”Hebben wij de Paus niet vernietigd, die predikte dat de moslims beoorloogd moeten worden? Hebben we niet de Maltezer Ridders een vernietigende slag toegebracht, omdat die krankzinnigen geloven dat God wilde dat ze tegen Moslims oorlog zouden voeren?” Zoals Presser het formuleert, ”speelt hij de Mahdi”, een Islamitische verlossersfiguur met eschatologische trekken.
Glorie en terreur
Het eerste treffen van Fransen en Mamelukken eindigt in een vrij gemakkelijke overwinning voor de eersten. In de beroemde Slag bij de Piramiden, waar door Napoleon de uitspraak gedaan zou zijn ”Veertig eeuwen zien op ons neder” (on-historisch, naar bijna zeker is), beslist de Franse superieure bewapening. Het nadrukkelijk beloofde recht van de Egyptenaren op zelfbestuur blijkt in de praktijk niet te worden gehonoreerd: de Egyptenaren krijgen snel het inzicht dat ”sultan Bonaparte ondanks zijn Koranverzen niets anders is dan een handiger soort christenhond”. Als het door hem ”bevrijde” volk van Caïro onvoldoende dankbaar blijkt, laat Napoleon de grote moskee bombarderen.
”In de citadel hebben zoveel fusillades plaats, dat hij het zonde vindt van het kruit en lood zodat hij maar liever een ’coupeur de tètes’ aanstelt; wanneer een dorpje bij Caïro ’ontevreden’ is en ’zich misdraagt’, dan laat hij er alle mannen zonder uitzondering doden en de vrouwen en kinderen naar Caïro slepen; hiervan sterven velen onderweg.” Ook in Egypte dus Terreur. 5) Hoeveel wist Napoleon van ”het Oosten”?
De meningen erover zijn verdeeld. Alan Moorehead meent dat Napoleon véél van cultuur, religie en atmosfeer van het Oosten wist. ”Bonaparte had de reis lange tijd voorbereid. Hij was de ontwikkelingen van het Midden-Oosten zeer nauwgezet bestudeerd. In 1797 werd de beroemde bibliotheek van Milaan door de Fransen als deel van hun buit meegenomen; toen de boeken in Parijs arriveerden, merkte men dat nagenoeg elk werk dat over de Oriënt ging van kanttekeningen in Napoleons hand was voorzien.” 4) Presser daarentegen merkt op: ”Het ’Oosten’ kende hij uiteraard uit boeken. En uit welke? Men schrikke niet: uit de Duizend-en-Eén-Nacht, uit de filosofische romans van Voltaire met hun quasi-oriëntaals karakter en verder uit reisbeschrijvingen van tijdgenoten, merendeels fantastisch en onbetrouwbaar. Het is een fictief beeld, waar de werkelijkheid straks maar zeer ten dele aan beantwoordt, zonder hem helemaal te ontnuchteren. Het is typerend voor Napoleon - en het heeft zijn stempel gedrukt op de buitenlandse politiek van Frankrijk - dat hij in dit Oosten eigenlijk een luchtspiegeling najaagt, een luchtspiegeling, van het ogenblik af al, dat hij naar Turkije wilde, tot het laatst toe.” 5)
1. Zie mijn artikel in het Nederlands Dagblad van 5 september.
2. J. Presser. Napoleon. Historie en Legende. Elsevier. Amsterdam, 1946; pp. 45vv.
3. Geciteerd in Alan Moorehead. The Blue Nile. Hamish Hamilton. Londen, 1962; herziene editie 1972; p. 60-64.
4. Presser, p. 51.
5. Moorehead, p. 58. Presser, p. 47.