Belangrijk in de praktijk, moeilijk in de theorie
1998-09-18
Het vorig artikel over ’de rand van onzekerheid’ aan de schrift, signaleerde een roep om hulp bij het relativeren zonder onverschillig te worden. Enige hulp ligt in elk geval in de onderscheiding tussen praktisch geloof en theoretische theologie - Jaargang 42
- nummer 19
1. Praktijk tegenover theorie?
Tegen het einde van mijn vorige artikel signaleerde ik een hedendaagse trend, toen ik er op attendeerde dat velen in de kerk zich steeds minder interesseren voor ’de leer’ (inclusief geloofsbelijdenis, catechismus, Dordtse leerregels). ’Het komt op de praktijk aan’. Dat kàn een gezonde reactie zijn tegenover alle vormen van overheersing van de kerk door de theologische wetenschap, het kan echter ook een wegvluchten zijn voor de noodzakelijke gedegen kennis van de Schrift en de belijdenis. Geloofskennis behoort ook tot de christelijke levenspraktijk. Maar begrijpelijk is zulk een reactie wel, gezien de in wezen onbegrijpelijke (theologische gefundeerde) kerkelijke verdeeldheid onder mensen die elkaar gemakkelijk herkennen als serieuze medegelovigen, medelidmaten van het ’lichaam van Christus’.
Daarom vond ik ook zeer begrijpelijk de verzuchting die ik in het begin en aan het slot van mijn artikel citeerde: die roep om hulp. Hulp bij het relativeren, zonder onverschillig of relativistisch te worden. Welnu, naar mijn overtuiging helpt ons daarbij onder andere het geduldig, goed en consequent onderscheiden tussen geloof en theologie. Want ’geloof verenigt, theologie verdeelt’1. Dat is de realiteit. Wie het geloof ver-theoretiseert, dat is: vertheologiseert, brengt meer verdeeldheid dan samengaan. Dat wijzen de bekende kerkelijke samensprekingen door (gedeputeerde) theologen steeds weer uit. ’Gezamenlijke bezinning’ (die al zo dikwijls bepleit is en bedoeld is als theologische bezinning) zonder voldoende ernst te maken met de genoemde onderscheiding tussen geloof en theologische theorieën, is een al zeer spoedig doodlopende weg, zoals al vaak is gebleken en zoals dat ook zal blijven. Daar zit voorlopig mijns inziens geen enkel perspectief meer in, althans niet binnen de ’kleine oecumene’. Ook in de theologie over de Schrift is die onderscheiding dringend nodig. Uit ervaring weet ik dat dit voor een theoloog aanvankelijk moeilijk is, maar daarover zijn twee dingen te zeggen: Ten eerste kunnen we aanknopen bij het intuïtieve praktische besef dat elke volwassen hedendaagse gelovige christen heeft, dat geloof en wetenschappelijke theologie niet hetzelfde zijn. Dat is een besef dat er in de kerk altijd min of meer bewust is geweest, en zelfs ook vaak nog in de theologie, zij het daar dan niet consequent doordacht en in (de theologische) praktijk gebracht.
Ten tweede is deze onderscheiding primair een hedendaagse praktische onderscheiding die wij niet uit onze levensbeschouwing laten wegpraten, ook al weten zelfs geleerden er theoretisch vaak niet veel raad mee. Want inderdaad, een theoretische wetenschappelijke uiteenzetting en verdediging van dat verschil tussen geloof en theologie is een moeilijk probleem uit de filosofische kennisleer en wetenschapstheorie, en dient besproken te worden in de vak-filosofie van de theologie. De ontwikkeling van zulk een vak-filosofie in gereformeerde geest is echter in de theologie praktisch stil komen te staan sinds de verschijning in 1893 van Kuypers ’Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid’ (Gewijzigd heruitgegeven door zijn zoon HH in 1908).
2. Kennis van de eerste orde en kennis van de tweede orde
Over dat betrekkelijk moeilijke probleem uit de kennistheorie kunnen ook geestverwante filosofen in details van mening verschillen, ondanks de gemeenschappelijke levensbeschouwelijke visie dat het als een ervaringsfeit vast staat dat geloof en theologie niet hetzelfde zijn. Zij hebben niet dezelfde ’aard’, en zeker niet in die zin dat theologie een meer wetenschappelijk verantwoord, en daardoor een hoger of beter soort geloof zou zijn, geloof van een betere kwaliteit. Prof. Van den Brom zou zeggen: geloofskennis is van de eerste orde, theologie is kennis van de tweede orde (vgl. de voetnoot bij mijn vorig artikel).
Het wetenschappelijk uiteenzetten van genoemd verschil hoeft lang niet elke christen te kunnen doen, zelfs niet elke dominee, ook al is de behandeling van dat probleem mijns inziens wel onmisbaar in een goede predikantsopleiding en in een goede vakfilosofie van de theologie (voorheen ’encyclopedie’ genoemd). Want in de kerkelijke praktijk komen we altijd weer in aanraking met min of meer grote meningsverschillen, waarbij de gewone en kerkelijk tolerabele individuele geloofsverscheidenheid vaak nog vermengd wordt met theologische verschillen die maar al te vaak als geloofsverschillen worden beleefd.
3. Kwantiteit of kwaliteit?
De uitdrukking ’rand van onzekerheid’ is waarschijnlijk bedoeld als een terechte en noodzakelijke correctie op onze gangbare theorieën over de inspiratie en foutloosheid van de Schrift. Echter, letterlijk opgevat is zij weinig meer dan een kwantitatieve correctie, met de geruststelling dat het slechts gaat om een ’rand’ van de Schrift, niet om het grote middenstuk, om onbelangrijke zaken en niet om de centrale openbaringswaarheid. Toch is het wellicht beter deze kwantitatieve correctie te vervangen door een meer inhoudelijke en kwalitatieve correctie.
Anders blijft de overeenkomst met de wijze waarop fundamentalistische Islamieten met de Koran omgaan nog veel te groot2. De in geding zijnde inspiratie-theorietheorie zelf3 is toe aan inhoudelijke vernieuwing. Zij is geen wetenschappelijk te verantwoorden juiste theorie, zelfs exegetisch niet. Zij geeft een interpretatie van ons bijbels geloof inzake de ingeving van de geschriften der profeten en apostelen door God.
’Ingeving door God’ (’theopneustie’) is geen dictaat, zoals dat in ons onderwijs bij allerlei vakken kan voorkomen.
In de school komt het meestal er op aan dat wat de leerkracht letterlijk vóórzegt, precies zo wordt nagezegd of opgeschreven. Goddelijke ’beademing’ of inspiratie is echter wat anders. God gebruikt dan de bijbelschrijver met al zijn persoonlijke eigenschappen en met al zijn culturele bepaaldheden om Zijn goddelijke Waarheid door te geven. Wat dan op schrift komt te staan, meermalen ook nog met behulp van een soort secretaris, is een goddelijke ’boodschap’, een woord waarmee God ons iets te zeggen heeft en dat wij daarom allereerst behoren te geloven.
Daarbij komt het niet aan op de woordjes maar op het Woord. De menselijke woordjes vertolken en getuigen van dat goddelijke Woord, en dat op menselijke wijze. Dat wil zeggen goed, maar niet volmaakt, menselijk gelovig maar niet goddelijk, door Gods Geest geleid en zo volkomen betrouwbaar, maar dan als in gebrekkige menselijke taal- en denkvormen, alsook tijdgebonden, doorgegeven goddelijke boodschap inzake Gods werken, zijn beloften en geboden. Niet als ’goddelijke mededeling van bovennatuurlijke waarheden’, zoals de rooms-katholieke dogmatieken zeggen, en zoals veel orthodoxe protestanten dat eigenlijk zouden kunnen nazeggen. Daarom erkennen we in gereformeerde kring al lang dat de bijbel geen boek is met natuurwetenschap, en tegenwoordig voegen we daar aan toe: ook geen boek met geschiedeniswetenschap. Wel met en voor geloofskennis inzake natuur en geschiedenis, want we belijden (althans in onze confessie, ook in de praktijk?) dat God zich ook daarin openbaart. Die geloofskennis is echter naar haar aard principieel verschillend van natuurwetenschap, geschiedeniswetenschap of theologie. Die wetenschappen vergaren hun kennis door middel van kritisch onderzoek, geloofskennis is begrepen in de apriorisch-vertrouwende geloofsovergave aan Gods Woord.
4. Is geloof te definiëren als verstand plus nog wat?
Wat in de traditionele inspiratietheorie meespeelt en haar zelfs stempelt, is een rationalistische waarheidsopvatting. Een van de kenmerken daarvan is dat men geloofswaarheid weer niet in haar geheel andere aard kan onderscheiden van logische of theoretisch waarheid. In de lijn van Thomas van Aquino en de rooms-katholieke scholastiek heeft de protestantse theologie vastgehouden aan de idee dat het geloof een combinatie was van verstandswerk met iets anders (dat verschillend kon worden ingevuld, bijvoorbeeld met gevoel, liefde, gehoorzaamheid, ervaring, verlangen of meer eenwording met God). Dat is dus een bepaalde visie op de werkelijkheid van de menselijke vermogens.
Het is een praktische visie, die in de loop der eeuwen vanzelfsprekend is geworden, maar die geïnspireerd was door de Griekse filosofische mensbeschouwing. Daarin was niet of niet voldoende plaats voor de bijbelse scheppingsopenbaring die inzake heel de geschapen werkelijkheid verwijst naar de telkens ’eigen aard’ en eigen wetmatigheid der door God geschapen schepselen. Daarin was ook geen plaats voor een visie op de mens die de eenheid van de mens erkende in het hart van zijn bestaan, en niet in een combinatie van verschillende functies. De eigen aard van het geloof werd daardoor niet of zeer onvoldoende gezien en het geloof werd toen theoretisch gedefinieerd als bestaande uit andere, meer oorspronkelijk aan de mens toegedachte ’vermogens’, namelijk verstand, wil en gevoel of iets dat tot één van deze drie te herleiden was. Dat klinkt ook nog na in Cat.Zondag 7 waar het geloof gezien wordt als ’niet alleen een zeker weten’, maar ook als ’een vast vertrouwen’. Praktisch is dat echt nog wel een aanvaardbare formulering, in zoverre ieder gelovige kan weten dat daardoor impliciet wordt afgewezen dat het geloof puur een verstandelijke kwestie is. Maar als we dit catechismusantwoord niet geloofsmatig verstaan en de gebrekkige, tijdgebonden formulering op de koop toe nemen, maar er een wetenschappelijke definitie in lezen, dan zitten we goed fout. Dan gebruiken we, waarschijnlijk onbewust, een niet-christelijke filosofie, met name haar niet christelijke antropologie en kennisleer.
Daarmee is tegelijk een voorbeeld gegeven van het grote verschil in denk-houding bij het lezen en verstaan van de Schrift. Lezen we de Schrift praktisch, in de gelovige, dat is bij voorbaat vertrouwende overgave aan de tot ons sprekende God, of lezen we de Schrift in de gedistantieerde theoretische denk-houding, die van nature kritisch is. In het eerste geval hebben we geen ernstige problemen met allerlei kleine of grote tegenstrijdigheden in en tussen de bijbelboeken, of met de bijbelse wonderverhalen, maar in het laatste geval wel. Daar hebben we dan wetenschappelijke theologie voor, om ons te leren met die tegenstrijdigheden op de juiste wijze om te gaan, en om ons te leren dat de theologie (naar haar aard!) in de loop der generaties en der eeuwen steeds aan veranderingen (verslechtering of verbetering) onderhevig is, of ook wel verstard is tot traditionalistische onveranderlijkheid. Dit laatstgenoemde is mijns inziens één van de zwakke punten van de hedendaagse orthodox gereformeerde theologie.
Noten:
1. Althans de traditionele gangbare theologieën die zichzelf onvoldoende kennen door een praktische negatie van hun ingebakken filosofische vooronderstellingen, daardoor zichzelf niet of nauwelijks kunnen relativeren ten opzichte van hun geloofsbasis, en zichzelf daarom in de kerkelijke praktijk haast identificeren met de norm voor het geloof: Gods Woord.
2. In de ’Kerkbode van Nederl.Geref.Kerken’ dd.4 juli ’98 las ik in een overgenomen artikel van Ds J. Manni (chr.ger. pred. te Rotterdam) onder andere: ’...wij weten van een menselijke factor in het ontstaan van de bijbel, die dit soort tegenspraak klaarblijkelijk mogelijk maakt. Dit laatste is voor een moslim ondenkbaar als het over de koran gaat ..... Maar ik vrees dat die menselijke factor voor sommige christenen althans ook ondenkbaar is met betrekking tot de bijbel. Ze spreken soms op zodanige wijze over ”letterlijk e van ”kaft tot kaft” (dat laatste ontken ik overigens niet), dat hun denken over de inspiratie van de Schrift soms meer islamitisch is, dan christelijk. In wezen is het sterk rationalistisch, gefundeerd op een bepaald soort redelijkheid.’
3. Want een theorie is het en blijft het, ook al wordt deze theorie door sommige theologen geloofd alsof zij een goddelijke openbaring is in plaats van een menselijke theorie.