De farizeeër en de tollenaar
1998-10-02
Twee mensen gingen naar de kerk. De ene was ouderling. Hij liep links en rechts groetend naar zijn vertrouwde plekje. De ander schuifelde zo onzichtbaar mogelijk de kerk binnen en dook ineen op de achterste bank.- Jaargang 42
- nummer 20
Zijn leven was een puinhoop en hij wist het.
De ouderling merkte hem op. „Nee maar,” dacht hij, „is dat niet Willem? Ik dacht dat hij niks meer van de kerk moest hebben? Wat heeft hij er tegen gevochten. Wat heeft hij een stomme keuzes gemaakt. Goed dat hij er is. Als het hem menens is, dan moeten we hem helpen. Wie zouden we eens kunnen inschakelen? Eerst moet hij van de drank af. En hoe zou het met zijn kinderen zijn uit zijn eerste huwelijk?” Zo bracht de ouderling de hele dienst door met gedachten over en plannen voor Willem.
Hij kwam zelfs niet op de gedachte voor Willem te bidden. Na de dienst haastte hij zich naar de laatste bank en greep Willem bij de arm, nog voor die zich uit de voeten kon maken. „Willem, ken je me nog?
Goed dat je bent gekomen. Wat kan ik voor je doen?” Willem keek hem geschrokken aan, met rode, vermoeide ogen. Toen glimlachte hij en schudde zijn hoofd. „Het is goed, dank je. Ik ga nu naar huis”, zei hij.
De ouderling had een ellendige zondag.
Willem had op de achterste bank, toen het eerste lied gezongen werd, in stilte tegen God gezegd. „Ik weet het niet meer. Ik had eerst mijn rotzooi op willen ruimen en dan komen, maar zelfs dat kan ik niet. Ach God, ach God help mij.” Deze man ontmoette, in tegenstelling tot de ouderling, God in de dienst en keerde vol van hoop terug naar huis.