Schokkend

1998-10-02
  • Jaargang 42
  • nummer 20
Door dr. G.W. Marchal
Schokkend is een rekbaar begrip. De grenzen worden regelmatig verlegd.
Een aantal jaren geleden waren er dingen die we ongerijmd, absurd vonden, maar die allengs betrekkelijk gewoon zijn geworden. We bouwen, evenals de planten, de bloemen en andere gewassen, een zekere resistentie op. Misschien is het wel een vorm van lijfsbehoud om niet van de ene schok in de andere te vallen. Het is heel goed om eens even stil te staan en de balans op te maken. Wat gebeurt er op deze weg met de menselijkheid van de mens en de gezamenlijkheid van de samenleving?

Ik noem enkele voorbeelden die mij te denken en zelfs te tobben geven. Ik wil er niet gewend aan raken als zouden deze verschijnselen ’gewoon’ zijn. Soms kunnen we er iets aan of tegen doen.
Dan moeten we de handen ineen slaan en een daad of daden stellen, waardoor de gang van zaken onderbroken, wellicht afgebroken wordt. Soms kunnen we niet veel meer doen dan de noodklok luiden. Bonifatius vergelijkt zichzelf in één van zijn brieven met een blaffende hond die onraad bespeurt en waakzaam wil blijven met het oog op het huis van zijn Meester.

Levenloos thuis
Onlangs las ik dit korte, schokkende bericht in de krant: „Naar schatting van de GG en GD in Amsterdam liggen er in de hoofdstad en omgeving jaarlijks honderden mensen dagen tot weken levenloos in hun woning voordat ze gevonden worden. Exacte cijfers ontbreken.” Blijkbaar leven steeds meer mensen in een zodanig isolement dat niemand hen mist en dus ook niet naar hen vraagt. Ze sterven alleen. Na verloop van tijd wordt hun bestaan, eventueel hun niet – meer – bestaan opgemerkt aan de hand van de kranten die blijven liggen, de gordijnen die langer dan gewoonlijk dicht zijn, de kwalijke geur die maar niet weg wil trekken...
Dat isolement is soms een keuze, vaak echter een lot. De woongemenschap is vervallen tot een aantal huizen dat bij of op elkaar staat, voorzien van nummers, bewoond door niet nader te benoemen levende wezens die elkaar „voorbij varen als schepen in de nacht”. Een vorm van kerkelijke gemeenschap wordt ook steeds meer uitzondering dan regel. Mensen haken af en gaan ook in dit opzicht veelal geruisloos heen. Enkele jaren geleden werd er op het politieke erf gesproken en geschreven over de ’zorgzame samenleving’. Samen leven doe je immers niet alleen, maar ook hier geldt: het leven is sterker, weerbarstiger dan de leer. Het individualisme viert hoogtij. Het wordt ook alom gepropageerd, maar het werkt uiterst selectief en discriminerend. Wie gezond is en sterk en redelijk in goede doen, vaart er wel bij, maar wie deze gaven(!) mist, raakt steeds meer achterop, totdat de dood erop volgt. In het betreffende krantenartikel werd het isolement van velen onder meer verbonden met het gebrek aan ’thuiszorg’.

Zorg
Het is een gevleugeld woord geworden, maar dat is doorgaans een teken aan de wand, een alarmsignaal. Het heeft in meer dan één opzicht verbindingslijnen met het hart. Mensen gaan er pas over praten als er iets aan mankeert. Al die aandacht is dus een teken van gemis. Zorg heeft met het hart te maken. Op het gebied van de zorg moeten de dingen weliswaar goed georganiseerd worden; duidelijke afspraken en richtlijnen zijn onmiskenbaar. Ik zal er geen kwaad woord over zeggen, maar wanneer de zorg niet meer voortkomt uit het hart, dat is: het centrum, het klokhuis van ons bestaan, blijft alles onder de maat en wordt het leven van kwetsbare mensen nog moeilijker en zwaarder dan het al is. Ik maak deze pijn van heel dichtbij mee. Mijn oom werd een halfjaar geleden getroffen door een hersenbloeding.
Hij heeft maanden van intensieve zorg achter de rug, maar is nu, zoals dat heet, uitbehandeld. Hij moet naar huis, maar thuis is er een chronisch gebrek aan zorg. In zekere zin moet hij dus zwerven in een niemandsland.
Nog een wrang voorbeeld. In Beekbergen zijn verschillende tehuizen. Onder meer een centrum voor demente bejaarden. De zorg staat zó onder druk dat een verpleegkundige onlangs verzuchtte: „Je kunt in dit land beter een gedetineerde zijn dan dementerend.” Ik vrees dat deze ontwikkeling verder zal gaan in onze paarse samenleving. De godsdienst wordt beschouwd als een privé-zaak, goed voor de binnenkamer, maar storend voor de ’buitendienst’. De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat er genoeg argumenten zijn te vinden om deze stelling te staven. Ik heb geen blauwdruk in handen om duidelijk aan te geven hoe alles béter zou kunnen. Wél ben ik ervan overtuigd dat het Woord van onze God, het heilig Evangelie, radicaal en revolutionair is. Ik droom van een kerk waarin de gemeenschap der heiligen – dat zijn de door God gestoorde zondaren – zó beleden en beleefd wordt dat het aanstekelijk werkt. Dát zou schokkend zijn in positieve zin. De geloofwaardigheid gebiedt om er zelf mee te beginnen, met de gaven en mogelijkheden die je ter beschikking zijn gesteld.

Wij knipten dit artikel uit het blad ’CONFESSIONEEL’ – voortzetting van het Hervormd Weekblad. Collega Marchal raakt een gevoelige plek in de huidige menselijke samenleving. Een levende kerk kent de dienst der barmhartigheid in navolging van haar Meester, Christus Jezus. Dan kun je natuurlijk niet de hele wereld op je nek nemen. Je bent geen Atlasfiguur! Maar je zult wél als gemeenschap en als individu alert dienen te zijn ten opzichte van de naasten om iets zichtbaar te maken van de liefde van onze Heiland voor mensen in nood. Dat is onze diaconale taak waarbij de diakenen een voorbeelfunctie hebben. Niemand kan dat allemaal exact invullen, maar dat liefde vindingrijk maakt staat ook in dit opzicht vast. Laat ieder maar beginnen in eigen omgeving ten aanzien van de nabije naaste. Dat betekent wél zelfverloochening. Maar daar wordt niemand minder van. En de Here wil het zegenen! Zodoende heeft het zelfs eeuwigheidswaarde (zie I Cor. 15:58).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief