Over randkerkelijkheid en randgelovigheid
1998-10-30
Elk jaar als het informatieboekje uitkomt vinden we daarin een statistisch overzicht van de veranderingen die er in het ledenbestand van onze kerken hebben plaatsgevonden. Kale cijfers zonder gezicht, getallen zonder verhaal. Temidden van die cijfers vinden we ook weergegeven hoeveel leden zich onttrokken hebben aan onze kerken zonder zich bij een andere kerk aan te sluiten. Over 1996 waren dat er 138. Over 1997 187. Toch vormen deze cijfers vermoedelijk het topje van de ijsberg. Dat blijkt uit een inventarisatie van de randkerkelijkheid onder jongeren in de regio Enschede / Zwolle. Alleen deze regio al telt zoveel randkerkelijke jongeren, dat het getal van de in het informatieboekje genoemde onttrekkingen er door overtroffen wordt ....- Jaargang 42
- nummer 22
Randkerkelijkheid, vrijwel iedere gemeente heeft ermee te maken, zij het de één in meer de ander in mindere mate. Maar, waarover spreken we eigenlijk als we de op zich wat vage aanduiding ’randkerkelijk’ gebruiken?
Gesteld, iemand gaat twee keer per zondag naar de kerk, maar onthoudt zich verder van elke deelname aan het gemeenteleven. Is die dan kerkelijker dan een jongere die zo nu en dan de kerkdienst bezoekt, omdat hij heel actief is in een gospelband en in evangelisatiewerk dat door een andere gemeente georganiseerd wordt? Het is maar waar je het criterium legt.
Rand-gelovig-heid
Wanneer we in dit themanummer over randkerkelijkheid spreken gaat het echter allereerst over iets anders. Niet de frequentie van het bezoek aan de eredienst, niet de mate van betrokkenheid bij de gemeente, maar de mate waarop iemand betrokken is op de HERE God staat voorop. Kunnen jongeren het oppakken, de dienst aan de HERE zelf, het be-amen van hun doop, het leven uit geloof, hoop en liefde. Kunnen ze het hun door de oudere generatie aangereikte estafettestokje van het geloof aannemen?
Spreken we in dit nummer over randkerkelijkheid, dan bedoelen we daarmee dus vooral ’randgelovigheid’. Een verminderde betrokkenheid op de kerk, waarachter een innerlijk afhaken van de HERE schuilgaat.
Achter dit onderscheid tussen randkerkelijkheid en randgelovigheid zitdachten we - geen onderwaardering van de kerk. Zoals uit dit themanummer zal blijken, speelt de gemeente bij de geloofsoverdracht juist een heel belangrijke rol. De manier waarop we gemeente zijn en de zegen op de geloofsoverdracht staan niet los van elkaar. Toch geloven we niet, dat de kerk en de Heer van de kerk samenvallen.
God en zijn gemeente gaan wel samen, maar vallen -gelukkig maar!- niet samen. Het is ons ook niet onverschillig of (jongere) gemeenteleden actief betrokken raken bij de eigen gemeente. In het licht van het bijbelse spreken over de gemeente als lichaam van Christus kunnen we niet anders dan hopen dat ook zij leren blij te zijn met de blijden en wenen met de wenenden. En van harte hopen en bidden we dat jongeren mee gaan doen in de lofzang voor de Koning der koningen en de Here der heren, de Vader van Jezus Christus. Maar onze grootste zorg blijft: hoe kunnen ’wij’ouders, ambtsdragers en andere gemeenteleden- onze kinderen helpen bij het maken van een keuze voor de HERE? Immers, is dit knopje omgegaan dan volgt in dat spoor al het andere vanzelf wel.