Op zoek naar de kern

1998-10-30
  • Jaargang 42
  • nummer 22
Hij heette Peter en woonde op zichzelf. Volgens het informatieboekje van de gemeente was hij 25 jaar oud. Het eerste contact met hem liep behoorlijk moeizaam. M’n telefoontje had hij niet meer verwacht. En eigenlijk voelde hij niet zoveel voor een afspraak. “Ik geloof niet dat ik nog geloof, zei hij, “... en van de kerk moet ik helemaal niets hebben. Desondanks stemde hij in met mijn concrete voorstel. “Het moet er toch maar eens van komen’’, waren zijn weinig bemoedigende woorden.

Nadat we rustig kennisgemaakt hadden, kwam ik op ons telefoongesprek terug. “Je zei, dat je niet zoveel van de kerk moet hebben ...’’, opende ik. Die vraag was aanleiding voor een hele waslijst pijnpunten, die hij puntsgewijs afwerkte. Op catechisatie voelde hij zich niet thuis. Door zijn leeftijdgenoten werd hij behoorlijk buitengesloten. Dat kwam zo, hij was geen ster in lezen. Later overigens had ze ontdekt dat hij dyslexie had, maar voor het zover was dacht iedereen dat hij stomweg niet kon leren. Nou ja, en dan weet je wel hoe het gaat, hé, op catechisatie. Je krijgt een beurt, komt er niet uit en dan is het lachten, gieren, brullen. P-ppepernoten, fluisteren ze dan. M’n ouders wilden dat ik naar de jeugdvereniging zou gaan, maar denk je nu echt dat ik met zulke lui iets te maken wil hebben? Zelfs als ik ze nu in de stad zie, kijken ze langs me heen. En het gekke is, al die zogenaamde onchristelijke vrienden van me heb ik veel beter contact. Die nemen je gewoon zoals je bent.

En dan m’n oom die in de kerkenraad zit ... Weet u dat van m’n zus? Nou, die gaat ook al een paar jaar niet meer naar de kerk. Die had een vriend -was niet van de kerk- en ging op een gegeven moment samenwonen. Nou, uitgerekend m’n oom was er heel erg voor dat zij niet meer aan het avondmaal mocht en zo. M’n zus zei: ’Maar ik ga toch naar de kerk en ik geloof toch? En we zijn echt van plan altijd bij elkaar te blijven, hoor!’ Maar nee, hoor, van hem mocht ze niet aan het avondmaal. Maar wat denk je? Vorig jaar ging z’n eigen dochter samenwonen. Nou, je kunt het geloven of niet, maar je hoorde hem er niet over. Laatst zei hij tegen m’n vader: ’Ik vind wel dat ze in de kerk moet kunnen trouwen.’ Ik vind dat zó schijnheilig, hè!

Ach, en verder, die kerkdiensten, die deden me ook nooit zo heel veel. Ik vond het allemaal zo theoretisch.
Steeds als ik dacht: ’Nu wordt het praktisch’, zei de dominee ’amen’. En van dat zingen zakte m’n broek ook wel eens af. Dat orgel speelt soms net alsof je levensmoe aan de laatste meters begonnen bent.
Het is al veel langer dat ik op verwijten als deze niet zo diep in ga. Niet omdat ik die verwijten niet serieus neem, want dat doe ik – hoop ik – wel, maar omdat het nergens toe leidt. De ander heeft alles beleeft zoals hij of zij het vertelt, feelings are facts, maar liggen alle feiten op tafel? Kan een deel van het probleem ook bij de ander liggen? Je komt daar nooit uit. Wel laat ik iemand helemaal z’n verhaal doen, hoe pijnlijk dat ook is. Misschien is het voor het eerst dat iemand z’n frustraties aan een ’kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder’ kenbaar maakt .... Maar tegelijk probeer ik het doel waarvoor ik gekomen ben wel voor ogen te houden. Want waar kom ik eigenlijk voor?

Ik vroeg: Je zult mij wel als een deel van die kliek zien, hè? Hij keek me zuinig aan en zei niets. Toen zei ik: En
als ik je nu zeg dat ik helemaal niet namens de kerk kom ...
Hij keek met wat verwonderd aan.
Ik zei: Natuurlijk, ik hoor wel bij de kerk, maar ik kom niet namens de kerk.
Ik kom zelfs niet om jou bij de kerk te krijgen.
Ik kom namens degene die jou gemaakt heeft, God.
Weet je, en alsjeblieft, houd dat goed vast, God en de kerk gaan wel samen, maar ze vallen niet samen. Ik bedoel, God en de kerk zijn niet twee handen op één buik. En dat is maar goed ook.
God is anders dan de kerk. Hij is meer dan de kerk, veel groter, veel liefdevoller.
Weet je, ging ik verder, soms kunnen mensen tussen God en ons in gaan staan. Soms kunnen situaties tussen God en ons in gaan staan. Soms zelfs kan de kerk tussen God en ons in gaan staan. En dan kon onze openheid voor God geblokkeerd worden.
Hij knikte, dacht na, begreep het. Wat kritischer -voor hem althans- ging ik verder.
Het omgekeerde is ook mogelijk. Soms kunnen mensen aan God voorbij gaan, door op mensen te wijzen. Mensen kunnen zelfs als alibi gebruikt worden, om God te laten voor wie Hij is. Maar is dat terecht? Weet je, er komt een moment, dat je je voor God niet meer achter je leeftijdgenoten kunt verschuilen.
En dat je je niet meer achter je oom kunt verschuilen of achter de duffe diensten. Maar dat je helemaal alleen voor God staat, in je nakie, bij wijze van spreken.
En dan is de vraag: Heb jij Mij gezocht? Hij begreep het ook nu, nam het. Achter zijn ogen glansde een onverwachte openheid.

Als ik nu eens terugkom, een volgende keer, en we spreken af dat we niet over de kerk gaan praten, maar over God en hoe jij God ziet. Zou je dat zien zitten?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief