Een vader

1998-10-30
  • Jaargang 42
  • nummer 22
Vandaag is het feest in onze gemeente, een groot feest! Er wordt een baby’tje gedoopt, er doen jonge mensen belijdenis, er worden volwassenen na hun belijdenis gedoopt, en na de dienst is er een feestelijk samenzijn met koffie en gebak.

Het is feest omdat ouders hun kind laten dopen, omdat jonge mensen ’ja’ zeggen op hun doop en omdat volwassenen tot geloof zijn gekomen. Er worden doopkaarsen gegeven, er worden cadeautjes gegeven, er zijn felicitaties en iedereen is blij.

Vandaag hebben mijn vrouw en ik ergens anders gekerkt. ’Shoppen’, noemt mijn vrouw dat. Niet dat we daar een gewoonte van maken of dat we dat gewoon vinden, maar soms zijn de omstandigheden zo dat je even niet anders kunt, zo’n feestelijke dienst bijvoorbeeld. Vroeger vonden ook wij zo’n dienst fijn, maar nu ontvluchten we het. Omdat juist dan het weer zo indringend op ons afkomt dat we lang geleden ook daar stonden, bij het doopvont en dat, iets minder lang geleden ook onze kinderen belijdenis deden.

Vijf kinderen kregen we. Eén stierf er voor we hem echt konden leren kennen, hem weten we veilig geborgen bij God. Twee zijn, inmiddels met hun gezinnen, meelevende christenen en op allerlei manieren actief binnen de kerk. Twee hebben er afgehaakt. En het is om die pijn en dat verdriet dat wij vandaag ’shoppen’. Niet dat we anderen de blijdschap niet gunnen en niet dat het verdriet en de pijn daardoor verzacht worden, maar het wordt tenminste niet verhevigd, we besparen onszelf zoiets, n.l. het zien van al die blijdschap en de eenzaamheid. Want je bent eenzaam als je kinderen de kerk de rug toe hebben gekeerd, en het doet pijn als je kinderen God de rug toe hebben gekeerd.

De mensen om ons heen begrijpen dat niet, de gemeenteleden, onze wijkouderling en zelfs vrienden. Er zijn immers zoveel jonge mensen die afhaken, er zijn meer ouders zoals wij, het hoort nu eenmaal bij deze tijd van kerkverlating, zeggen ze. Het lijkt wel of ze er al aan gewend zijn geraakt en het als normaal hebben geaccepteerd. Misschien dat dat wel het meest pijn doet. Want wij zullen er nooit aan wennen. Hoe moet je daar aan wennen? Hoe kun je er aan wennen dat je kind trouwt zonder een zegen van God over haar huwelijk te vragen? Hoe kun je er aan wennen dat je kleinkind niet gedoopt wordt?
Soms praten mijn vrouw en ik daar wel eens over en vragen ons af: zou het waar zijn dat we er gewoon aan moeten wennen, zoals ze zeggen? Ik zie hoe ze zich dan terugtrekt in een wolk van verdriet om dat andere iets van ons vragen wat we niet kunnen, en omdat ze zich dan overvraagt voelt. Ik kan haar dan maar moeilijk bereiken. Maar gelukkig zijn er ook momenten dat we het samen bij de Here God kunnen brengen. Dan kunnen we weer verder. Maar er aan wennen en overgaan zal het nooit!

Maar het blijft het op één na grootste verdriet voor mij, dat er geen plaats in de gemeente is voor dat verdriet, en dat er geen gemeente om je heen staat in dat grote verdriet. Dat je zelfs je vreugde en zorg om die kinderen niet meer met de gemeente kunt delen is minstens zo pijnlijk. Omdat die kinderen volledig uit het blikveld van de gemeente zijn verdwenen ’zoiets als: ’uit het oog, uit het hart’. Voor de gemeente zijn het vreemden geworden.
De gemeente waarin ze gedoopt werden en belijdenis deden.
En dat is een verdriet dat mensen je aandoen, kerkmensen. Terwijl het toch zo zou moeten zijn dat zij dat verdriet zouden verzachten, of dat ze een beetje meeleden, door te leven vanuit het: ’als één lid lijdt, lijden alle leden’.

Mede daarom shoppen wij vandaag, omdat ik ook die pijn niet wil voelen, omdat ik me altijd weer afvraag: waarom was er niet evenveel verdriet in de gemeente toen zij afhaakten als er nu blijdschap is om de gedoopten en degenen die hun geloof belijden? In de Bijbel staat ergens: ’dat er blijdschap bij de engelen Gods zal zijn over één zondaar die zich bekeert’.
Maar zal er bij de engelen Gods niet evenveel verdriet zijn over die kinderen die God de rug toekeren? En zou er daarom ook niet evenveel verdriet in de gemeente moeten zijn om elk lid dat de kerk vaarwel zegt? Wij zijn zelfs toch meer dan de engelen?

En altijd weer is er die prangende vraag bij mij: wat hebben wij verkeerd gedaan, ligt het aan ons dat onze kinderen afhaakten. Een vraag die gevoed wordt doordat de gemeente hen negeert, alsof ze nooit bestaan hebben. En het voelt ook vaak alsof ze mij er op aankijken. Maar ze zijn toch opgegroeid in hetzelfde gezin als de andere kinderen? Ook hen hebben we geprobeerd het Evangelie en het leven vanuit het Evangelie voor te leven. Mijn vrouw denkt daar anders over. Zij zegt: “ Ik weet dat we niet anders geleefd hebben met hen, ik weet dat ik mij niet schuldig hoef te voelen, er gebeurden op het meest kritieke moment in hun leven, tijdens hun pubertijd, dingen in de kerk die in de kerk niet horen te gebeuren. En anders dan wij, hadden zij nog niet geleerd om met die ’grijsgebieden’dingen die faliekant fout zijn binnen de gemeente ’te leven en om ze door de vingers te zien. Zij dachten nog zwart/wit, en wij konden en wilden hen die ’grijsgebieden’ niet ’verkopen’ als: ook dat is normaal. Daardoor hoefde het van hen niet meer en haakten ze af. Wat hadden we dan moeten doen?
Zeggen: zo zijn kerkmensen nu eenmaal, die zijn niet anders dan de wereldse mensen? Het enige dat wij konden doen en deden, is ze laten zien dat je ondanks alles toch trouw blijft, maar niets goed praat’.
Ik denk dat ze gelijk heeft. Maar toch blijft het aan me knagen.

Maar vandaag troffen we het niet bij het ’shoppen’, tenminste zo voelde het in eerste instantie. De preek ging over: de gelijkenis van de zaaier. En de predikant wist precies te vertellen welke kerkverlater van welk soort zaad was. Dat deed ook weer pijn en ik voelde me er erg ongemakkelijk bij. Maar het zette me ook aan het denken. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie, ook denkend aan de uitleg van mijn vrouw: waar het zaad ook valt, het geeft niemand het recht om een vogel te zijn die het wegpikt, het geeft niemand het recht om rotsbodem te zijn, het geeft niemand het recht om doren te zijn en het te verstikken. Want zegt de Heiland niet even verderop in hetzelfde Evangelie van Lucas: ’Het is onmogelijk, dat er geen verleidingen komen, maar wee hem, door wie zij komen! Het zou beter voor hem zijn als een molensteen om zijn hals gedaan was en hij in de zee was geworpen, dan dat hij één van deze kleinen tot zonde verleidde’. Misschien zouden we in de kerk, bij grote en kleine conflicten, daar eens wat meer aan moeten denken.


De basis van de christelijke opvoeding
Wat moeten christen-opvoeders weten? Ze moeten diep doordrongen zijn van het volgende:

1. Een diep besef dat het kind aanvaard is door God en dat God dit kind liefheeft.
Kinderen kunnen opvoeders enorm teleurstellen. Denk dan nog maar eens aan de bovenstaande gouden regel! Met die regel als basis kun je samen verder. Het wil niet zeggen dat je als opvoeder alles maar goed moet vinden. Zo’n tolerante opvoeding kan juist verstikkend werken. Een confrontatie met kinderen hoeft dus echt niet verkeerd te zijn. Maar: zorg ervoor dat die confrontatie niet tot een machtsstrijd verwordt. ’k moet gelijk krijgen als vader en mijn kind moet zijn excuses aanbieden.’ Bij zo’n machtsstrijd verlies je het op den duur als ouders.

2. Het besef dat ieder kind uniek is.
Sommige ouders willen kinderen ’naar hun beeld’. Daarmee doe je je kind tekort. Je dochter is geen verlengstuk van jou als moeder. Als jij van klassieke muziek houdt, wil dat nog niet zeggen dat je zoon dat ook mooi vindt.
Als jij als moeder gesteld bent op sjieke kleding, wil dat nog niet zeggen dat je dochter er ook graag zo bij loopt. Als jij als vader een hoge opleiding hebt gekregen, wil dat nog niet zeggen dat je zoon gelukkig wordt met een hoge opleiding. Ieder kind is uniek, heeft een eigen temperament, is door Goed uniek geschapen. Daar past respect bij. Soms gaan we respectvoller om met de kinderen van onze buren dan met onze eigen kinderen.

3. Een kind is ook een zondaar en heeft dus vergeving nodig.
Net als zijn ouders trouwens. Dat betekent dus dat je als ouders én als kinderen vergeving nodig hebt. Het betekent dus dat niet alle accenten komen te liggen bij het ’gehoorzamen’. Die stijl van opvoeding heeft vaak brokken gemaakt: je komt tegenover elkaar te staan als ouders en kinderen, in plaats van naast elkaar.
Wat is trouwens gehoorzaamheid? Je hebt kinderen die overal dwars tegen in gaan. Die lijken heel erg ongehoorzaam. Maar er zijn ook kinderen die precies doen wat hun ouders zeggen, maar die later toch compleet een andere weg inslaan. Pubers hebben een stuk vrijheid nodig. Kinderen hebben de ruimte nodig om eigen beslissingen te kunnen nemen. Maar wat ze vooral nodig hebben is communicatie. Een dwarse puber kiest soms uiteindelijk radicaal voor God, terwijl een meegaand kind belijdenis doet en op zijn 25e jaar alsnog afhaakt.
Wie is er dan gehoorzaam en wie is ongehoorzaam?

Uit: Kerkblad NGK Den Helder, oktober 1998, n.a.v. een thema-avond over christelijke opvoeding met Marja Bos-Meeuwsen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief