Is het allemaal voor niets?

1998-10-30
  • Jaargang 42
  • nummer 22
Ik heb een beschermde jeugd gehad. Alles was overzichtelijk. Als kind vond ik dat ook wel prettig. Alles en iedereen had zijn plaats. Iedere zondag gingen we naar de kerk. We waren met zijn achten. Ik mocht meestal in de kerk naast mijn moeder zitten. Ik kende veel psalmen uit mijn hoofd. De mooiste momenten thuis vond ik als mijn moeder uit de kinderbijbel voorlas. De plaatjes van W.G. van der Hulst, ik zie ze nóg voor me.

De middelbare school was een heel andere wereld. Ik moest een eind fietsen. Daar ontmoette ik andere jongens en meisjes. Ik werd verliefd op een klasgenote. We zwijmelden weg op de muziek van de Bee Gees en we dansten op de muziek van de Beatles en de Rolling Stones. De jaren ’60 waren een leuke tijd om op te groeien, denk ik achteraf.

Ik was ook nog lid van de kerk. Mijn vader zat meestal in de kerkenraad. De oudste kinderen uit het gezin waren toen de deur al uit. Ze kwamen niet zo vaak thuis; ik zag ze nog af en toe. Over de kerk hoorde ik ze nooit. Misschien gingen ze alleen mee naar de kerk als ze een weekend thuis waren. Ik denk eigenlijk dat ze in de stad waar ze studeerden de kerk nooit van binnen hebben gezien. Vreemd dat ik mijn ouders daar nooit over gehoord heb.

Zelf ging ik nog altijd met mijn ouders mee. Ook ging ik naar de jeugdvereniging. Daar voerden we verhitte discussies over van alles en nog wat, van overdopen tot samenwonen en van dienstweigeren tot abortus en euthanasie.

Op mijn 18e ging ook ik in Amsterdam studeren. Sociologie, lekker vaag leek me dat. Ik heb niet hard gewerkt. De meeste tijd ging zitten in het ontmoeten van nieuwe vrienden. Alleen als ik een weekend thuis was, ging ik mee naar de kerk. Mijn ouders vroegen me nooit wat ik in de weekends deed. Wel vroeg mijn moeder of ik goed at. Als ik de trein weer pakte gaf ze me allerlei etenswaar mee. Die studie werd dus niets. Toen heb ik een tijdje gewerkt. Eigenlijk moest ik in dienst, maar ik heb geweigerd. De vervangende dienst deed ik als assistent in een museum. Daarna ging ik naar de Pedagogische Academie. Ik kreeg er een vriendin en na een poosje gingen we samenwonen. Ik werd onderwijzer op een basisschool met veel allochtone kinderen. Dat werk viel me zwaar. Na een jaar raakte ik in de ziektewet. De huisarts adviseerde me om in therapie te gaan. Mijn vriendin kon al die ellende niet aan en ging weer op zichzelf wonen.

Na een aantal maanden besloot ik om in Engeland te gaan wonen. Dat land had me altijd al getrokken. Mijn ouders en mijn jongste zus stuurde ik een verhuisbericht. Van de anderen hoorde ik toch nooit iets, dus waarom zou ik hen vertellen dat ik vertrok? De tijd in Engeland deed me goed. Na een aantal jaren voelde ik me weer in staat om het nog eens te proberen in het onderwijs. Weer aan dezelfde school, nu met nog meer allochtone kinderen. Het ging goed. Ik had een goed contact met de kinderen en zij met mij. Totdat ik na bijna 10 jaar weer overspannen werd. Opeens kon ik niet meer verder.

Opnieuw ging ik in therapie. In die tijd overleed mijn vader. Ik ben naar zijn begrafenis geweest, maar het deed me helemaal niets. Ik vond het alleen erg dat mijn moeder zo verdrietig was.
Dat begreep ik niet echt, want zo aardig was mijn vader ook niet voor haar geweest. Mijn oudste broer was niet eens op komen dagen bij de begrafenis van mijn vader. Tijdens de therapie kwamen er allerlei brokstukken herinnering naar boven. Weer het vertrouwde huis, de rituelen, de basisschool, de juf waar ik verliefd op was, de kerk. Weer zag ik me zitten, daar in dat kerkgebouw. De gedragen psalmen, de dominee op de preekstoel, mijn vader in de kerkenraadsbank. En ik zat veilig naast mijn moeder, met twee pepermunten in mijn broekzak, of 3 als het dopen of Avondmaal was. En opeens schoot het door me heen: wat heb ik van de kerk mee gekregen? Was het alleen maar dat veilige gevoel? Mijn moeder die ons voor las uit de kinderbijbel? Naast mijn moeder in de kerk? Heb ik ooit geloofd? Of was het helemaal niets? Was en is er helemaal niets?
Toen ik me die vraag stelde, was het of mijn hele wereld instortte. Alles voor niets? Er is helemaal niets. Is wat ik dacht te hebben meegekregen alleen maar een fictie? Ik tuimelde in een enorme diepte. Het donkere zwarte gat van een diepe depressie, zó diep en zó alleen dat ik het niemand toe wens.

Nu gaat het weer wat beter met me. Maar ook nu, na een aantal jaren, voel ik nog steeds die peilloze leegte. Is het allemaal voor niets?

De brieven in dit nummer zijn (vanwege het soms privacy-gevoelige karakter) zonder naam van de inzender geplaatst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief