Redden we onszelf wel?

1998-10-30
  • Jaargang 42
  • nummer 22
’Wat er nog over blijft, ik weet het niet’, besloot mijn vriend. Hij had zojuist een overzicht gegeven van de teloorgang van het kerkelijk leven in Amsterdam. Sedert de zestiger jaren vertonen eigenlijk alle kerken éen beeld: dat van een niet te stoppen neergang. De reformatorische en evangelische groeperingen hebben zichzelf een tijdlang wijsgemaakt dat het hen niet zou gebeuren. Maar ook bij hen heeft de teruggang inmiddels fors ingezet.

Intussen is dit ’Amsterdamse’ patroon overal bezig zich te herhalen. Er lijkt geen kruid tegen gewassen. Als we op de feiten afgaan heeft Paars gelijk: christelijk Nederland is passé. De maatschappelijke consequenties daarvan beginnen zich overigens nog maar net af te tekenen. Charitatieve instellingen en vrijwilligerswerk bijvoorbeeld staan sterk onder druk: signaal van diep ingrijpende veranderingen in ons volksbestaan.

Feiten echter zijn opmerkelijke dingen. Dat geldt zowel in ons persoonlijk leven als in de maatschappij. Voor een depressief iemand is een berg vuile was of een stapel ongeordende papieren een massief en onoverkomelijk feit. Na herstel ziet diezelfde mens er alleen maar een aanleiding in om de mouwen op te stropen. Hij of zij kijkt er zogezegd dwars doorheen. Maar dan wel omdat er van de andere kant licht doorheen schijnt. Licht vanuit de toekomst – of die nu dichtbij is of ver weg.

Merkwaardig hoe dat zicht op de toekomst ons persoonlijk en maatschappelijk leven bepaalt. Vanuit die toekomst komt de zin van ons leven naar ons toe. Er schijnt licht door de ’feiten’ van ons bestaan – volgens Paulus zélfs door honger en vervolging. Maar raakt dat licht gedoofd, dan raken wij als mens (en maatschappij) gevangen in de ’feiten’. Dan wordt het bijvoorbeeld ondenkbaar om de arme Lazarus op onze feestmalen uit te nodigen.
Dan moeten we graanschuren afbreken om nieuwe te bouwen, om ’zeker’ te zijn dat het ons materieel goed zal blijven gaan. Dan verschansen wij ons in geld en goed. ’Wij’, dat zijn de Nederlanders in het algemeen en wij christenen meer in het bijzonder.

De keus voor gemak en overdaad
De keus voor een leven gericht op materiële gemakken en overdaad ligt al tientallen jaren achter ons, in de vijftiger en zestiger jaren. Het was en is een onzinnige keus. Het gebrek aan lichamelijke inspanning bijvoorbeeld breekt ons allemaal op – we zijn er als mens niet op gebouwd – maar toch raakt het steeds dieper gegrift in ons maatschappelijk bestaan. We leerden vanaf de zestiger jaren jonge mensen vooral om te consumeren.
Zich met en voor anderen inspannen was iets dat al die jaren gewoon niet in het lesprogramma paste. Als ongeschreven doel voor het onderwijs hebben wij indertijd gekozen voor ’de goede baan met een goed inkomen straks’. Het woord ’goed’ hebben wij – kwalijke domoren – hier verbonden met het woord ’goederen’.

Het ’luctor et emergo’ kan wat ons betreft vervangen worden door ’groot is mooi en veel is lekker’. Onze supermarkten puilen uit van de overdadige en overbodige artikelen. Onze huizen worden steeds groter en duurder – en steeds leger aan kinderen, familie, vrienden, gasten (onder wie mensen in nood). De hoge hypotheek die erop rust ’dwingt’ ons intussen wel om nog meer geld te gaan verdienen.

Waar is in dit alles het uitzicht op Christus’ komst en op Zijn Rijk? ’Fijn als U komt, maar gaat U vooral naar Ruanda en naar Afghanistan, want daar kunt U veel goed doen’. In een maatschappij als de onze, met zóveel technische prestaties waar zóveel mensen in delen, heeft Hij naar ons idee weinig meer te doen. Bovendien, stel je voor dat Hij zich met onze auto zou gaan bemoeien, of met ons gebrek aan gastvrijheid. Oh ja, herstel van relaties, dat zou wel mooi zijn, want die lopen nu overal stuk, ook in de kerken. Maar dat heeft natúurlijk niks te maken met ons verdere leven.

Niet meer door de feiten heen kijken
Opmerkelijk dat we niet meer in staat zijn om door de ’feiten’ heen te zien. We laten onszelf grif allerlei malligheid als ’wetenschappelijke en technische vooruitgang’ verkopen. Onze situatie is daarom nog heel wat mistroostiger dan die van de rijkaard uit het Evangelie. Die bergen graan waren tenminste reëel. Wij hebben, om bij dit voorbeeld te blijven, voornamelijk loze biotechnologie-beloften. Die geen weerwoord bieden aan de sterk toegenomen bedreiging van onze voedselgewassen door ziekten en plagen. Intussen worden de wereldvoedsel-voorraden kleiner gehouden dan ooit – om ’economische’ redenen. Tezamen dus een scenario voor mondiale hongersnood. De omgeving van de rijke kon na zijn dood tenminste nog van zijn graanvoorraden profiteren. Maar loze beloften zijn niet te eten.

Zelfgenoegzaamheid is geen noodlot
Doemdenken? Welnee, want zelfgenoegzaamheid is geen noodlot! Maatschappelijk niet – en voor christenen al helemaal niet. Maar we zijn intussen wel flink in de fuik gezwommen.
De overheid bijvoorbeeld steunt een biotechnologie die bezig is ons grootschalig in de problemen te helpen. Er is geen aandacht voor de vele mogelijkheden van zorg en voorzorg die God ons in Zijn schepping aanbiedt.
Wijzelf echter horen graag dat er in technische zin niets aan onze materiële overvloed in de weg staat. Om zeker te stellen dat wij er ook echt gebruik van zullen kunnen maken zijn we druk in de weer met hypotheken, verzekeringen en beleggingen. Vergeleken met de graanschuren van de rijkaard uit het Evangelie zijn dat zeepbellen. Straks blijkt ook nog dat er geen graan is om op te slaan. Stevenen wij soms af op een dubbel oordeel: eerst een oordeel dóor en tenslotte een oordeel óm onze werken?

We zijn niet meer in staat om door de ’feiten’ heen te zien. We hebben ervoor gekozen om onze maatschappij tot de best denkbare uit te roepen. Zo niet in woorden, dan toch wel in onze daden. Sommigen van ons hebben een complete ’leer van de eindtijd’, maar gezamenlijk kunnen we ons eigenlijk niet vóórstellen wat de Heer in ’technische’ zin nog zou kunnen verbeteren. Het is deze afwezigheid van de kern van ons geloof die feilloos door onze kinderen wordt opgepikt. Het licht dat vanuit de toekomst naar ons en onze kinderen toekomt is er door gedoofd.

Geen vuur ontsteken
Enerzijds betekent dit dat voor ons alles met een grauwsluier is bedekt, als bij iemand beheerst door een depressie. Wij hebben gekozen voor de spullen en het genot en moeten nu vaststellen – wat al duizenden jaren bekend is – dat die keus de vreugde wegneemt. Toch klampen we ons aan die spullen en dat genot vast, als een dronkenman aan zijn fles. Anderzijds kan onze hopeloosheid – want dat is het – bij de ander geen vuur ontsteken. We zijn het gebed ’kom Heer Jezus, kom met haast’ gewoon kwijt. Dus waarom zou de wereld geloven? Door de week spannen wij ons voor dezelfde dingen in als de wereld – hoogstens wat netter.
Maar door ons doen en spreken komt geen licht vanuit de toekomst van de Heer naar onze naaste.

Onze Heer heeft beloofd dat de ’poorten der hel’ onze gemeenten niet zullen overweldigen. Maar ingeval van doorgaande zelfgenoegzaamheid doet Hij subiet het licht uit (Laodicea). Wat we in de kerkverlating meemaken is niet het gevolg van een ’overval van Paars’, maar van doodgewone dommige wereldsheid (Openbaring 2 vers 17). Eenmaal daarvan genezen (op het aanbod van onze Heer in vers 18) kan en zal ons leven weer een overtuigend strijd-toneel worden van hemel en hel, doorstraald door het licht van Vredevorst en Vrederijk.

Joost Visser is scheikundige en lid van de Nederlands Gereformeerde kerk van Houten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief