Wanneer uw kinderen later vragen....

1998-10-30
  • Jaargang 42
  • nummer 22
In Jozua 4 : 6 lezen we: “Wanneer uw kinderen later vragen: wat hebben deze stenen voor u te betekenen?’’

Kinderen stellen vragen. We moeten ons zorgen maken als kinderen ons geen vragen stellen. Dat kunnen kritische vragen zijn. Pubers maken al pratend en vragend hun keuzen. Soms zetten ze hun ouders daarbij min of meer voor het blok.

Gaat het dan verkeerd....?
Een moeder vertelde dat ze iedere morgen, voordat ze naar haar werk gaat, uit de Bijbel leest. “En als je dat nu niet doet, gaat het dan verkeerd?’’ vraagt haar 14-jarige dochter. Je zou er als moeder geprikkeld op kunnen reageren. Het lijkt uittesten, misschien zelfs een beetje pesten. De moeder antwoordde: “Omdat ik dat nodig heb.’’ Daarmee liet ze aan haar puberende dochter zien dat ze steun ontleent aan het geloof. En dat was nu waarschijnlijk precies wat die dochter op dat moment wilde weten. “Vertel me nu maar eens: wat heb jij nou aan dat geloof?’’

Leeftijdsfasen
In iedere leeftijdsfase stellen kinderen weer andere vragen aan opvoeders. De peuter zal vragen als hij met zijn vader langs die stenen loopt: “Wat is dat?’’ Het kind is de leeftijd van de basisschool wil graag feiten weten. Als het niet echt gebeurd is, is het niet interessant.
“Waarom staan die stenen daar?’’ De vader zal dan een stuk uit de geschiedenis van het volk Israël vertellen.
De puber wil graag van zijn ouders weten wat het geloof voor hen persoonlijk te betekenen heeft. “Zeg mij nu eens, wat hebben deze stenen voor u te betekenen?’’ Op dat moment zal de vader moeten uitleggen wat hem zelf beweegt. Waarom leest u uit de bijbel? Niet omdat dat moet. Voor dat antwoord zijn de meeste opgroeiende jongeren allergisch. Ik lees uit de bijbel omdat..... En laat dan maar eens iets zien van je persoonlijke geloof.....


In de kerk zien ze het gewoon niet....
Ik neem het de kerk echt niet kwalijk, hoor. Er zijn ontzettend veel problemen en zo’n dominee heeft het hartstikke druk. De kerk moet alle generaties te vriend houden en dat is ook moeilijk. Dan worden de jongeren vaak het meest verwaarloosd. ’’Die zijn nou eenmaal rebels’’ zegt men dan. ’’Dat is een fase en dat gaat wel weer over’’. Maar dat is lang niet altijd waar. Ik ken lui bij mij in de kerk, die zijn zo afgeknapt op alles. Als die straks op kamers zitten zijn ze echt weg. Maar de mensen in de kerk zien dat gewoon niet. Zolang die lui op de jeugdvereniging zitten en naar de catechisatie gaan, denkt iedereen dat het wel goed zit. Nou, vergeet het maar. Als ik het alleen met de kerk had moeten doen, was ik nu vast geen christen geweest. Om tot een persoonlijk geloof te komen, dat heb ik ergens anders geleerd....

Aldus Lodewijk in: De gevonden Vader (Kampen, 1996).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief