... zal een groot licht zien

1998-12-25
  • Jaargang 42
  • nummer 26
Ze hadden geen grote verwachtingen meer, de ’herders op den velde’. Rondom een smeulend vuurtje wreven ze hun handen en wachtten slechts nog op de morgen, op weer een dag van dwalen over weidegronden in de altijd maar durende strijd om te overleven. Het was een nacht als alle nachten, donker, koud en stil.

Het is stil geworden in en rond Sarajevo. Geen geratel meer van machinegeweren. Geen klappen van mortieren. Geen lichtspoor meer van munitie, dat met alle geweld, maar tevergeefs in het zwart van de nacht probeert te verdringen.
Het is stil geworden in en rond de stad. Het is stil geworden in mij. Wachten kan ik nog slechts. Wachten als wachters wachten op de morgen.

Verlossing
En dan gaat de hemel open. Er klinkt een stem die een wonderbare taal spreekt, veelbelovende woorden van heil. Een boodschap, boodschap van God.
Er klinkt een lied, dat diep in mij sluimerende verwachtingen weer tot leven wekt. Een lied ’van alzo hoge, van alzo veer’. ’Eer aan God in de hoge en vrede op aarde voor mensen die Hem lief zijn.’ Het is God, die de stilte doorbreekt.
De stilte van de nacht. De stilte van de stad. De stilte in mij. Het is God, die de hemel openscheurt en zijn licht doet stralen in de nacht. Die de morgenster doet rijzen. Onmiskenbaar God in majesteitelijke heerlijkheid. En in mij laait het smeulend vuurtje van de hoop op tot een felle, uitslaande brand. Eindelijk. Het zingt in mij ’God lof! Nu is gekomen Gods aangename tijd: de Koning onzer dromen, de heer der heerlijkheid treedt in onze wereld binnen om hier te overwinnen de duivel en zijn macht’. (Gez. 121) Hier is Hij, de Verlosser, de Redder.

Mensenkind
’Dit zal voor u het teken zijn: u zult een kind vinden dat in doeken gewikkeld is en in een voerderbak ligt.’ Een kind het teken. Eenvoudig mensenkind. Een kind in doeken gehuld en liggend in een trog.

Zonder enige goddelijke glans, zonder praal en pracht. Aan dit kind, een eenvoudig mensenkind verbindt God de vervulling van al die grote verwachtingen van heil, van vrede. Aan een mens, die er is voor zijn naasten, die bereid is in dienst aan die naasten tot het uiterste te gaan. De Heiland, de Redder komt als een mensenkind. God zelf komt als mensenkind. Dat is onmiskenbaar God.

En waar ik mensen graag had willen wijzen op God in al zijn heerlijkheid en pracht, wijst God in al zijn heerlijkheid mij terug. Zie om je heen, daar is het licht. In deze nacht gaat de hemel open, open van opzij. In deze nacht valt het Licht van boven van opzij mijn leven binnen. God laat zich vinden, waar ik Hem niet had gezocht; naast mij.

Een kind is voor u het teken. Teken van Heil. Teken van hoop. Een mensenkind.

Licht van opzij
Ik denk terug aan het ontroerende verhaal van de directrice van dat weesheis in Bosnië. Al enkele jaren had ze geen salaris meer ontvangen. Alles ging op aan de oorlog. Ze moest en kon leven van wat vrienden en familie met haar wilden delen. Zo kon ze haar werk blijven doen: het opvangen van een groeiende groep (oorlogs)wezen. Ik denk met warme gevoelens terug aan de hartelijkheid en de gastvrijheid die mensen elkaar betoonden en hoe in een kring van moslims, rooms-katholieke Kroaten en orthodoxe Serviërs werd gelachen, gedronken, gegeten en gefeest. Vaak kwam het licht van opzij.
Zo zijn de herders op weg gegaan, op zoek naar een kind. Ze hebben het gevonden: een eenvoudig mensenkind, uit nood in een stal geboren. In dat kind vonden ze weer het licht dat even tevoren hen vanuit de hemel nog had omstraald. Het grote Licht, licht van boven dat van opzij het leven binnenvalt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief