De pastor – ambt, roeping en beroep

1998-12-25
  • Jaargang 42
  • nummer 26
In het vorige nummer schreef ik over de verzwaring van de taak van de predikant. In dat kader ging ik met name in op de identiteit van de pastor. In dit tweede en laatste artikel wil ik wat nader ingaan op de verschillende aspecten van het pastoraat, die in de titel zijn weergegeven met ambt, roeping en beroep.

Persoon en ambt
Als één van de oorzaken van de belasting van het predikantschap is in het vorige artikel genoemd de vermindering van de waarde van het ambt in de ogen van de goegemeente. Vroeger werd in veel gevallen de waarde van de persoon van de predikant bepaald door het ambt, dat hij bekleedde. Vandaag lijkt de persoon van de predikant veelal door zijn persoonlijke kwaliteiten de waarde van het ambt te moeten bepalen. Anders gezegd: vroeger droeg het ambt de persoon, nu draagt de persoon het ambt. Vroeger ontleende de ambtsdrager zijn gezag aan het feit van zijn aanstelling en aan de gezaghebbende positie van de kerk, die hij vertegenwoordigde. Maar dit min of meer vanzelfsprekende gezag is verloren gegaan.
Het is de vraag of we daar rouwig om moeten zijn. Hoewel het verleidelijk kan lijken om je kwetsbare persoon schuil te laten gaan binnen het stevige harnas van het ambt, kan dit harnas als het erop aan komt wel eens een verhindering zijn om je goed te bewegen. Hoe zwaarder het ambt wordt geladen, des temeer komt de persoon als drager van het ambt onder druk te staan. Tegenwoordig echter draagt het ambt niet meer de persoon, maar van de persoon wordt in het algemeen verwacht, dat hij het ambt bevestigt. Het is een ontwikkeling, die zich ook meer en meer bij gezagsdragers in de samenleving rondom de kerk heeft voorgedaan.
Voor de pastor betekent dit, dat de geloofwaardigheid van zijn boodschap – en dat is toch de boodschap van het evangelie – voor een belangrijk deel ’afhankelijk’ is geworden van zijn persoon. Is dit door de pastor op te brengen?

Het ’tegenover’ van het ambt
Nu is het ambt niet alleen maar een instelling waar we naar kijken met puur menselijke ogen en vanuit menselijke perspectieven. Rondom de bevestiging van ambtsdragers wordt in onze kerken nog altijd onderwezen, dat zij in de gemeente optreden met het gezag van hun Zender, van Wie wij geloven dat Hij hen als zijn gevolmachtigden aanstelt. In die hoedanigheid hebben zij een positie tegenover de gemeente en treden zij hun broeders en zusters tegemoet in de naam van hun Heer. Maar in de gereformeerde ambtsopvatting betekent dat niet per definitie dat de gemeente hierdoor aan de ambtsdragers is uitgeleverd. Want ook de gemeente heeft een onmiddellijke verantwoordelijkheid tegenover haar Heer. Ambtsdragers en gemeente hebben elk een eigen relatie met Christus, dragen elk een eigen verantwoordelijkheid en kunnen daar elkaar ook wederzijds op aanspreken. De nieuwtestamentische gemeente is mondig. Al neemt dat het ’tegenover’ van het ambt niet weg. Het besef van de opdracht van Christuswege en de verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit is onmisbaar voor de pastor. In alle kwetsbaarheid moet hij namens Christus anderen durven voorgaan op de weg van het heil. Hij is een voorganger – niet voor niets is dat ook één van de aanduidingen van de pastor. In alle kwetsbaarheid – alle válse autoriteit dient afgelegd.

Spanningen
Predikanten staan bloot aan de verleiding óf het ambt te laten domineren ten koste van hun persoon, óf de persoon te accentueren ten koste van hun ambt.
Ik denk dat het laatste onder invloed van de hedendaagse mentaliteit meer voorkomt dan het eerste.
Om te beginnen met het eerste: soms voelen predikanten zich verplicht dingen te zeggen, waar ze als persoon niet achter staan. Men meent het tegenover de gemeente niet te kunnen maken eigen persoonlijke ideeën te verwoorden, die men ambtelijk meent te moeten afwijzen. Ik denk, dat dit typisch een probleem is voor een gemeenschap, waarin men nogal massief eenduidig denkt.
In een veel meer pluralistische gemeenschap zal het voor de pastor juist eerder een probleem zijn een weg te moeten zoeken tussen allerlei tegengestelde meningen en standpunten in. Vraagt zijn ambt dan een besliste keuze daarin of juist dat hij zijn uiterste best doet boven de partijen te blijven staan? Er zijn ook pastores, die grote moeite hebben met het feit, dat ze door hun ambt anders zouden zijn. Vooral onder jonge, pas beginnende predikanten komt dit voor. De overgang van de studieperiode, waarin men een grote vrijblijvendheid kende, naar de praktijk en de daarbij passende verantwoordelijkheden kan voor beginnelingen als een behoorlijke schok worden ervaren. Men voelt zich in een rol gedrongen, die men niet ambieert. En men doet soms krampachtig z’n best te blijven, die men was.

M.i. terecht zegt Van der Leest in zijn al eerder geciteerde boek, dat de pastor toch bereid zal moeten zijn z’n ’anderszijn’ als ambtsdrager te aanvaarden. Hij is van Christuswege geroepen tot leiding geven en tot voorbeeld zijn1). Hij is geroepen tegenover de gemeente te staan en haar richting te wijzen. ”De pastor moet de leidinggevende rol op zich durven nemen. Wanneer de pastor die rol tracht te omzeilen, doet hij tekort aan zijn taak in kerk en gemeente. Hij mag leider zijn en hij moet leider zijn”2).
De herderstaak geeft predikanten onvermijdelijk een plaats in de voorhoede.
Daar moeten ze niet voor weg willen lopen. Door hun ambt zijn ze met gezag bekleed. Dat gezag moeten ze ook durven laten gelden. Ook al is dat gezag verbonden met het Woord, dat hij brengt, en niet met de ambtsdrager als persoon. Maar in de tweede plaats zal het besef, dat men niet alleen tegenover, maar ook ín de gemeente staat de pastor aansporen tot bescheidenheid. Hij is immers geen bemiddelaar van het heil. Het enige Hoofd van de gemeente is Christus zelf. De pastor staat in wezen op één lijn met alle andere gemeenteleden. Hij moet net zo hard leven van Gods genade. Van een concurrentiepositie t.o.v. het ambt aller gelovigen is beslist geen sprake.

Gelijk of ongelijk?
Van der Leest besteedt in dit verband nog speciaal aandacht aan wat hij zelf noemt ”de onnozel-lijkende vraag hoe predikanten zich het beste kunnen kleden en hoe zij zichzelf het beste kunnen laten aanspreken”3). Hij laat het terecht na op dit punt een voorschrift te willen geven. Maar hij signaleert wel, dat de keuze voor formele kleding en het zich laten aanspreken met ’u’ kán samenhangen met een overdreven ambtsopvatting. Terwijl de keuze voor een informele kleedwijze en aanspreekvorm een uiting kán zijn van een krampachtig zich afzetten tegen het ambtelijke.
Ik denk dat enerzijds de eigen persoonlijkheid van de pastor, anderzijds de mentaliteit van de gemeente die hij dient bepalend zullen moeten zijn voor de keuzes die hier gemaakt worden. Toch wil ik hier nog een kanttekening bij maken. Het krampachtige verzet van predikanten tegen hun ’anders-zijn’ kan kwalijke gevolgen hebben. We worden er tot in eigen kring toe mee geconfronteerd dat predikanten dusdanig de afstand tot gemeenteleden uit het oog verliezen, dat het tot absoluut ongeoorloofde consequenties leidt. Ik doel hier met name op situaties van seksueel misbruik van gemeenteleden.
Eén van de oorzaken van dergelijke ontsporingen kan zijn, dat de pastor bewust zijn ’anders-zijn’ in de praktijk heeft willen ontkennen. In een boek dat handelt over seksueel misbruik door pastores4) bekent een dader: ”Ik wilde een moderne pastor zijn die niet boven de mensen staat. Maar dat kan juist verdoezelend werken hoe belangrijk ik als dominee voor mensen kan zijn. Bij m’n voornaam laten noemen suggereert gelijkheid, maar er blijft asymmetrie (cursivering door mij – JCS). Nu weet ik beter hoe griezelig belangrijk ik voor mensen kan zijn.” Behalve dat het ambt een rol speelt in het ’anders-zijn’ van de pastor is hier ook zijn professionaliteit in geding (waarover hieronder meer). In het eerste artikel heb ik proberen duidelijk te maken waarin de pastor zich onderscheidt van de therapeut en hulpverlener.
Maar in dit verband wil ik de overeenkomst onderstrepen. Omdat gemeenteleden in veel gevallen met een hulpvraag bij de pastor komen, mag hij nooit ofte nimmer de distantie die daarbij noodzakelijk is uit het oog verliezen. Juist omdat de pastorale relatie echter in zoveel opzichten anders is dan een therapeutische relatie, waardoor die distantie niet gemakkelijk te bewaren is, moet de pastor extra rekening houden ”met het risico van grensvervagende handelingen als alcoholgebruik, langdurige bezoeken, tutoyeren enz.”5)

Roeping en beroep
Over professionaliteit gesproken – is het predikantschap een beroep, een vak of een ambacht of is het een roeping? Of is het beide? Daarover nog het volgende.
Het is van groot belang, dat een predikant zich geroepen weet. Zeker wanneer hij het moeilijk krijgt, zal een pastor het nauwelijks vol kunnen houden als hij niet op zijn roeping kan terugvallen. Geroepen te zijn betekent, dat de pastor de vaste overtuiging kent, dat God hem dit werk heeft opgedragen.
Dat geeft hem ook het besef, dat hij een taak verricht die met Gods zaak te maken heeft. Hij is niet met zijn eigen zaak bezig. Hij doet het niet om geld6), sympathie of een goede naam, maar om God en mensen te dienen met het evangelie van Gods liefde en genade. Wie uit dit roepingsbesef leeft en werkt, mag dan aan God overlaten wat Hij met zijn Woord doet.

De vraag is dan wel, wat die roeping precies inhoudt. Het begrip roeping speelt in de geschiedenis van het predikantschap een grote rol. In de gereformeerde traditie werd van oudsher onderscheiden tussen inwendige en uitwendige roeping. De laatste, het daadwerkelijk beroepen worden door een gemeente, werd gezien als een bevestiging van de eerste. En onder die eerste, de inwendige roeping werd dan verstaan het hartelijke verlangen om predikant te worden, gepaard aan de zekerheid dat dit ook Gods verlangen was. Met name door iemand als W. à Brakel, één van de ’groten’ uit de tijd van de Nadere Reformatie is hierover het een en ander geschreven wat nog steeds actueel is. Heel nuchter merkt Brakel op, dat de inwendige roeping niets te maken heeft met een stem uit de hemel. Onwillekeurig gaan immers de gedachten uit naar roepingen waar de Schrift over spreekt, zoals b.v. de roeping van Jesaja, die tot hem kwam in een visioen (Jes. 6,1vv). Maar Brakel vindt dat beslist niet het kenmerk van een roeping. Want er zijn andere zaken, waardoor iemand van zijn inwendige roeping overtuigd kan raken. Allereerst moet de betreffende persoon weten, wat het ambt inhoudt en welke verantwoordelijkheid het met zich meebrengt, nl. om mensen tot God te leiden en God bij de mensen te brengen.
Daarnaast moet er besef van eigen capaciteiten zijn. Hij moet dus zelfkennis hebben, weten wat zijn gaven en wat zijn beperkingen zijn. Vervolgens moet hij een vroom mens zijn. Hij zal niet alleen verstandelijk kennis moeten hebben van de heilige waarheden, maar hij zal daar ook uit eigen bevinding over moeten kunnen spreken. Want de gemeente van Christus is er bij gebaat, dat de pastor de rijkdom van de Schrift zo aan haar doorgeeft, dat de ervaring van het hart en van het dagelijks leven daarin volop meekomt. Verder zal de toekomstige pastor een grote betrokkenheid bij en een bijzondere liefde voor Christus en de kerk moeten kennen. Als er moeilijke ervaringen komen, die tot innerlijke verwijdering zullen kunnen leiden, zal die betrokkenheid en liefde hem kracht moeten geven om het vol te houden. Ook behoort bij de inwendige roeping de bereidheid om zichzelf te verloochenen. Dat je niet, zoals al eerder gezegd, uit bent op eigen eer en voordeel.
Tenslotte zal hij erg veel zin in het werk moeten hebben. Iemand moet geen pastor worden als bezig zijn met de Schrift, de theologie, de prediking en het werk in de gemeente en ten diepste de omgang met God niet zijn lust en zijn leven is. Het werk moet iets van een hobby hebben. Heel nuchter is Brakels opmerking, dat een student geen predikant moet worden, omdat hij nu eenmaal zover met z’n studie is gevorderd, dat hij het gevoel heeft er nu niet meer mee te kunnen ophouden.

Beoordeling van de roeping
De opvatting van Brakel maakt het ook mogelijk, dat de roeping zich niet aan enige beoordeling onttrekt door de bewering, dat ze rechtstreeks van God uitgaat. Ergens las ik de omschrijving van roeping als ”een gelovige interpretatie van het proces, waardoor iemand zijn levensorganisatie en zijn beroep kiest; namelijk een proces waarover hij bereid is zich te verantwoorden. Daarmee komt het roepingsbegrip ook open te liggen voor psychologisch onderzoek, immers de God waarin wij geloven concurreert niet.” Je kunt je overigens afvragen of in plaats van het begrip inwendige roeping te gebruiken voor het predikantschap niet beter gesproken kan worden over de leiding van God in iemands leven, waardoor iemand op de roeping door een gemeente wordt voorbereid langs de weg van groeiend verlangen, ontdekking van zijn gaven en ontwikkeling ervan in de opleiding. De term roeping kan dan bewaard blijven voor het beroep, dat op een bepaald moment door een gemeente op iemand wordt uitgebracht.

Pastor van professie
De vraag is nu in hoeverre het spreken over een roeping van de pastor verenigbaar is met het spreken over zijn beroep. Bij roeping lijken met name de geestelijke aspecten van het werk van de pastor naar voren te komen. Terwijl bij het beroep dan meer oog zou zijn voor bepaalde bekwaamheden en deskundigheden, waarover hij moet beschikken om zijn ambt uit te oefenen en waarvoor hij dan ook een opleiding kan ontvangen. We lopen hier op tegen de legitieme vraag of iemand wel tot een ambt kan worden opgeleid.
Maar hebben we hier niet te maken met een ogenschijnlijke spanning? Hebben de geestelijke aspecten van het ambtswerk niet een natuurlijke basis in de bekwaamheden en vaardigheden, die de (aanstaande) pastor evengoed van Godswege heeft meegekregen?
Als we het zo zien is er alle ruimte voor een opleiding, waarin de aanstaande pastor met zijn gaven en vermogens wordt gevormd tot een persoon, die bekwaam en geschikt is om het ambt, waartoe hij zal worden geroepen, uit te oefenen. Zijn ambt wordt dan zijn professie. Waarbij professie een diepere betekenis heeft in die zin, dat dit woord behalve naar een bepaalde beroepsgroep ook verwijst naar het afleggen van een gelofte, waarmee men zich tot iets verbindt. Ik denk b.v. aan de beroepsgroep van de artsen, die zich ook door een gelofte verplichten jegens de samenleving. Professioneel heeft hier te maken met een zekere vakkundigheid, maar evenzeer met een (toe)wijding aan een gemeenschappelijk belang. In die zin is er ongetwijfeld te spreken over het beroep van predikant, gewijd aan de belangen van het Koninkrijk van God. En met zijn beroep is de pastor in zekere zin een ’deskundige’. Waarbij moet worden aangetekend, dat die ’deskundigheid’ als het goed is alles te maken heeft met een doorleefde kennis.
De pastor moet zelf bevindelijk kennis hebben aan wat hij weet. Ik verwijs hierbij nog eens naar wat ik in het vorige artikel schreef over de spiritualiteit van de pastor.
Wat is dan precies de ’deskundigheid’ van de pastor? Enerzijds dat hij gezaghebbend vertolker is van het Woord van God en anderen in prediking, catechese en pastoraat doet verstaan waarop het in dat Woord aankomt in de actualiteit van het heden. Anderzijds dat hij anderen tot verandering (bekering) oproept en daarbij leiding geeft.
Tegelijk moet ook hier onmiddellijk weer worden gezegd, dat we ons bewust moeten zijn van het bestaan van grenzen aan de ’deskundigheid’ van de pastor. Want de pastor blijft onder alles ook volop de broeder, die op één lijn staat met zijn gemeenteleden. Bovendien blijken er juist in het pastoraat volop mogelijkheden te zijn om samen te werken met vrijwilligers. Het is zelfs zo, dat het pastoraat om een dergelijke samenwerking vraagt, om zo binnen de gemeente een algemeen proces van verstaan en verandering op gang te brengen. Professionalisering van het beroep van predikant wordt ronduit bedenkelijk wanneer de predikant zich profileert als een Schriftgeleerde, die eigenlijk als enige in staat is de boodschap van de bijbel te verstaan, of als de hulpverlener die bij uitstek geschikt is voor crisispastoraat, of als de opbouwwerker die als een manager ’zijn’ gemeente ’runt’. Juist in het beroep van de predikant moet het besef levend blijven, dat alles wat we doen niet maakbaar is.


Noten
1 C. v.d. Leest, De stress de baas? Over weerbaarheid en werkdruk bij predikanten, Barneveld, 1997, blz. 82.
2 Geciteerd door v.d. Leest, a.w., blz. 82.
3 a.w., blz. 87.
4 Gideon van Dam & Marjo Eitjes, ’Een pastor moet je toch kunnen vertrouwen!, Over seksueel misbruik door pastores, Zoetermeer, 1994, blz. 55v.
5 a.w., blz. 99.
6 Het is van wezenlijk belang het traktement van een predikant dan ook niet te zien als een betaling voor door hem bewezen diensten. De predikant wordt niet beloond voor zijn ambtelijk werk, maar hij wordt door een financiële tegemoetkoming in staat gesteld om zich volledig aan deze taak te wijden. Het lijkt mij van grote betekenis als dit in het oog wordt gehouden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief