Een vlieger die niet opgaat

1998-12-25
  • Jaargang 42
  • nummer 26
Het laatste boek van Maarten ’t Hart heet: De Vlieger. En onder die titel staat op de omslag: roman.
Is dit nou literatuur?

Al lange tijd staat voor mij vast dat veel werk van Maarten ’t Hart te hoog wordt aangeslagen. Ook dit laatste boek reken ik niet tot de literatuur. Van vernieuwing is geen sprake, de schrijver herhaalt zichzelf. Het boek laat zich tamelijk vlot lezen, maar als je het uit hebt, ben je er niet wijzer door geworden. Wat vooral ontbreekt, is overtuigingskracht. Door de overdrijving en vertekening van de werkelijkheid ondermijnt de schrijver zelf zijn geloofwaardigheid. Humor is een wezenlijk element in de stijl van Maarten ’t Hart. Maar zijn humor is weinig subtiel, eerder studentikoos, oppervlakkig en soms grof. Wie meer boeken van hem gelezen heeft, zal zeggen: ’Oude kost’. De verhaaltechniek is niet sterk. Het vertellen wordt te veel vertraagd, o.a. door uiteenzettingen over een theologisch vraagstuk. De ’roman’ is in feite een verzameling verhalen; de vlieger fungeert zo’n beetje als bindende factor. Een echt thema, een hoofdmotief dat het hele boek draagt, is er niet, of het zou moeten zijn: de afkeer van het geloof en de kerk. Echte diepgang ontbreekt daarbij. Kortom: noch de vorm, noch de inhoud maakt het boek tot iets bijzonder.

Waarheid, fantasie of leugen?
Toch wil ik iets dieper op het boek ingaan. Wat me ergert, is de manier waarop het geloof en de kerk bespottelijk worden gemaakt. Maarten ’t Hart is niet de enige schrijver die uit een christelijk milieu komt en het doet voorkomen alsof hij de werkelijkheid van dat milieu beschrijft. Die suggestie kan worden versterkt door wat buiten het boek om tot ons komt via bij voorbeeld interviews en andere publikaties.
Maar herhaaldelijk blijkt dat die werkelijkheid verwrongen wordt, omgebogen in een richting die de schrijver het beste past. Sommigen zeggen: „Dat is het recht van een schrijver, dat hoort nu eenmaal bij literatuur.” Maar een schrijver blijft altijd verantwoordelijk! Dat geldt als hij zijn wrok en frustraties van zich afschrijft, dat geldt vooral als hij dat doet ten koste van anderen. Maarten ’t Hart heeft niet de echte werkelijkheid beschreven. Op zijn hoogst is het een werkelijkheid zoals hij die heeft ervaren, zijn werkelijkheid.
Hij zou zich daarvan bewust moeten zijn. Maar hij vertekent de werkelijkheid en daardoor beschadigt hij mensen.
In de tweede plaats overdrijft hij zo erg dat hij daardoor zichzelf ongeloofwaardig maakt.

Enkele voorbeelden
De kerkenraad stelt voor een predikant te beroepen, maar de man heeft één nadeel: hij draagt de scheiding van zijn haar in het midden. Dat geeft veel stampei: „Het is geen gezicht! Bij zo’n man kom ik niet in de kerk.” En zo wordt een serieuze zaak een bespottelijk gedoe. Dan is er de keuze van psalmen die bij verschillende gelegenheden gezongen worden. Ze houden daarmee geen enkel verband en dienen alleen om de spot ermee te drijven. Maarten ’t Hart is slordig en dat doet al evenzeer afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal. Op blz. 110 is hij vergeten wat hij op blz. 84 heeft verteld. De beschrijving van de manier waarop het Avondmaal wordt gevierd, is kwaadaardig. Iets dat veel kerkgangers tot diep in hun hart ontroert, wordt belachelijk gemaakt. Wat het eens zo over Joden of Moslims te schrijven! En Maarten ’t Hart die alles zo goed weet, had toch nooit moeten citeren: „Het brood dat wij breken, is een gemeenschap met het lichaam van Christus”.
Een ander detail dat de geloofwaardigheid ondermijnt: Als zijn vader werkelijk de bijbel zo goed kende, had hij niet de fout gemaakt die op blz. 15 staat. Benhadad heeft geen zelfmoord gepleegd, nadat hem was verteld dat hij koning zou worden. Hij was al koning! En hij doodde niet zichzelf, maar werd vermoord door zijn opvolger, Aram. De tekening van zijn vader is trouwens toch al niet erg overtuigend. Neem nou de manier waarop hij reageert, als mensen klachten hebben over het „onderhoud van het kerkhof: „...en dan schuur ik met m’n splinternieuwe schuurmachine alle letters van een grafsteen af. Het is fantastisch, zo’n machine. Even wat power en je kan helemaal niets meer lezen. Dat zal ze leren, al die rijke stinkerds die over vogelpoep klagen...” En dan die ruwe, harde taal: „...nog een beetje staart aan de vlieger en jij wat harder hollen en hij gaat omhoog als het gebed van een vroom weduwvrouwtje”.

In de ban
Tenslotte het verhaal dat de meeste aandacht krijgt. Dat gaat over Gezinus. Hij wordt ’afgesneden’, omdat hij er een afwijkende leer op na houdt. In een kerkdienst wordt het formulier voorgelezen dat daarbij hoort. Gezinus zit zelf ook in de kerk, maar hij mag de rest van de dienst niet meer bijwonen; hij moet de kerk verlaten! Dat laatste gaat in tegen alles wat maar gereformeerd mag zijn; het is volstrekt ongeloofwaardig. Maar buitenstaanders schudden hun hoofd en spreken schande van zo’n kerk.
Het komt dus hierop neer: Ik vind dit een slecht boek. Er zou nog veel meer over te zeggen zijn, maar het heeft nu wel genoeg aandacht gekregen.

Uitgever: Arbeiderspers, Amsterdam. Omvang: 227 blz. Prijs ƒ 34,90.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief