In de donkere toren van Olmütz

1998-12-25
  • Jaargang 42
  • nummer 26
Twaalf weken leefde pastoor Sprett op water en brood in de donkeren gevangentoren. In die tijd wist hij een gedicht naar buiten te smokkelen. Over zijn eigen omstandigheden geen woord. Twaalf coupletten lang bezingt hij de betrouwbaarheid van Gods beloften. „God kan niet liegen”, houdt hij zijn parochianen voor, „het geloof kijkt niet naar de omstandigheden, maar naar Jezus Christus”. Een kennismaking met de reformator van Pommeren, de dichter van gezang 344.

Preek tegen celibaat
Een held was Paul Sprett misschien niet, een geleerde was hij wel. Ad den Besten1 beschrijft zijn theologiestudie als ’diepgaand en veelomvattend’. Hij werd priester: eerst in Dinkelsbühl, daarna in Würzburg. Hij komt in aanraking met de opvattingen van Maarten Luther en in 1519 sluit hij zich aan bij de Reformatie: in het geheim. Als hij een vrouw in huis neemt, begint men hem te verdenken en in 1522 moet hij Würzburg verlaten. Hij duikt op in Oostenrijk, waar hij een jaar lang rondzwerft in pastoorshabijt.
Sprett is een zwerver omwille van het evangelie geworden: niet het ’straatnieuws’ maar het ’blijde nieuws’ wil hij kwijt. Men treft hem aan in de Weense Dom, waar een monnik een vurig pleidooi houdt voor het celibaat. Sprett dient hem ter plekke van repliek met een goed-evangelische tegenrede over het huwelijk. „Het is de eerste en de laatste maal geweest, dat er in de Weense Dom evangelisch werd gepreekt”, schrijft Ad den Besten. Het komt hem op excommunicatie te staan.

Hervormer van binnenuit
Speratus (want met de naam Sprett kan geen theoloog door het leven) reist verder naar Moravië. Al is hij net als Luther in de ban gedaan, hij keert de (katholieke) kerk niet de rug toe. Hij wil haar van binnenuit hervormen en gaat op zoek naar een nieuwe pastoorsplaats.
In Moravië weet niemand iets van zijn excommunicatie af. Als hij hoort dat men in Iglau grote problemen heeft met de plaatselijke pastoor, stapt Speratus naar de raad van de stad en biedt zich aan als diens mogelijke opvolger. Zijn aanbod wordt dankbaar aanvaard en hij wordt tot pastoor van Iglau benoemd. De nieuwe pastoor heeft niet verteld dat hij hervormingsgezind is. Hij gaat zeer voorzichtig te werk.
In het begin houdt hij zich angstvallig aan de voorgeschreven ceremoniën van de kerk, maar door middel van zijn preken brengt hij zijn parochianen onder invloed van zijn reformatorische inzichten: hij voedt zijn gemeente op tot het ’nieuwe’, bijbelse geloof. Natuurlijk blijft dat niet onopgemerkt.
De bisschop van Olmütz krijgt er de lucht van en dringt er bij de Iglause stadsraad op aan de ketterse pastoor te ontslaan. Als de raad weigert, dreigt de bisschop het ketternest te zullen uitroken. Sprett neemt de vlucht, maar hij vlucht de verkeerde kant op en loopt het leger van de bisschop recht in de armen. Dat betekent de redding van de stad, maar niet van de pastoor, die in de donkere gevangentoren van Olmütz op een rantsoen van water en brood wordt gezet.

Water en brood
Water en brood: het lijkt symbolisch voor datgene waarmee de tot dan tot wat stiekeme reformator zich in de donkere toren bezighoudt. Iemand schijnt hem een lied van Luther in handen te hebben gespeeld. Het is het lied Nun freut euch lieben Christen gmein, dat ik eerder in Opbouw besprak in m’n artikelen over De Wittenbergse nachtegaal.2 In het Liedboek vindt u een onovertroffen en onovertrefbare vertaling ervan van de hand van Ad den Besten (gezang 402: Verheugt u, christenen, tesaam!). In dit lied beschreef Luther zijn bange worsteling met de vraag: „Hoe krijg ik een genadig God?” Zijn ’goede werken’ hielpen hem geen fluit, zijn ’vrije wil’ bleek een farce: hoe meer hij zich boven zichzelf probeerde uit te werken, hoe dieper hij in het moeras wegzonk.
God kreeg medelijden en vroeg zijn Zoon om de arme Luther van zijn zonden af te helpen en de dood voor hem te wurgen. De Zoon gehoorzaamt, doet in het verborgen zijn verlossingswerk en zegt dan tegen Luther: „Houd je aan Mij, nú zal het je gelukken!” Christus en Luther zijn vanaf dat moment onlosmakelijk aan elkaar verbonden. En voor ’Luther’ mag iedere christen zijn eigen naam invullen.

Speratus, die vier jaar daarvóór met de leer van Luther in aanraking was gekomen en zo het evangelie had herontdekt, is diep onder de indruk van dit gedicht. Het gaat hier natuurlijk om veel meer dan de persoonlijke ervaringen van Maarten Luther; iedere gelovige mag het zich door Christus laten zeggen: „Ich geb mich selber ganz für dich,/da will ich für dich ringen; / denn ich bin dein, und du bist mein, / und wo ich bleib, da sollst du sein, / uns soll der Feind nicht scheiden.” Water en brood, ja – maar wie van dit water drinkt, krijgt nooit meer dorst, en wie van dit brood eet, lijdt nooit meer honger.

Troostlied voor zijn gemeente
Speratus gaat zelf aan het dichten en duidelijk horen we de echo op Luthers lied.
Maar Speratus dicht niet in de ik-vorm: hij heeft zijn parochianen op het oog en schrijft een leerdicht. Hij blijft de geestelijke opvoeder, de leraar: hij wil zijn gemeente troosten, nu ze zonder herder is achtergebleven, en tegelijk wil hij het evangelie nog eens heel duidelijk voor haar néérzetten. Wie weet wat voor wolf de bisschop op hen afstuurt! Of misschien krijgen ze een brave pastoor die hen terugbrengt in de veilige schoot van moedertje de kerk. Speratus geeft meteen in het eerste couplet het evangelie in een notendop:

Es ist das Heil uns kommen her
von Gnad und lauter Güte;
die Werk die helfen nimmermehr,
sie mögen nicht behüten.
Der Glaub sieht Jesum Christum an,
der hat gnug für uns all getan,
er ist der Mittler worden.

In de tweede en derde strofe opent hij de Schrift bij Romeinen 8:3: „Wat de wet niet kon, omdat ze machteloos stond door ons van God vervreemde bestaan, dat deed God. Hij heeft zijn Zoon in datzelfde zondige bestaan gestuurd als een offer voor de zonde, en daarmee de zonde juist binnen dit bestaan zelf veroordeeld” (vert. Groot Nieuws). Ad den Besten vergelijkt in het Compendium dit lied van Speratus met Luthers lied (gez. 402): „Het heeft niet het persoonlijke karakter en daardoor ook niet de innerlijke gloed van Luthers lied, – met andere woorden: het maakt een veel leerstelliger indruk”, schrijft hij. „Dat is dan ook de reden, waarom ik besloot, géén min of meer getrouwe vertaling van alle veertien strofen te maken, maar een vrije weergave van Speratus’ thematiek in veel gecomprimeerder vorm.” Volgende keer zullen we bekijken in hoeverre die ’vrije weergave’ aan het oorspronkelijke lied recht doet. Nu vast zet ik een vraagteken bij het stigma ’leerstellig’. Ook ik houd niet van catechismusachtige liederen die bestaan uit een opsomming van geloofswaarheden, maar die in poëtisch opzicht geen samenhang vertonen. Het zijn liederen waarin de persoonlijke betrokkenheid van de dichter moet blijken uit de neergeschreven gedachten, maar niet uit de gekozen bewoordingen, – kortweg: veel cliché, weinig gloed. Maar mijn ervaring is dat, wanneer men het etiket ’leerstellig’ begint op te plakken, er iets anders aan de hand is. Dan is het niet zozeer de léérstelligheid als wel de stelligheid die de hedendaagse criticus irriteert.

Geloofstelligheid
Wat opvalt bij het doorlezen (en dóórzingen) van Speratus’ veertien strofen, is de grote gelóófs-stelligheid die uit het lied spreekt. De kern van het lied vinden we in de vierde strofe, waar Speratus schrijft over de juiste houding die de christen moet aannemen:

Nicht mehr denn: ’Lieber Herre mein,
dein Tod wird mir das Leben sein,
du hast für mich bezahlet."

Speratus dicht zijn lied niet in de studeerkamer, maar in een donkere kerker, met een hart vol zorg om zijn gemeente en de geur van de brandstapel al in zijn neus!
En toch twijfelt hij – herder die van zijn schapen is beroofd, brandhout dat al naast het vuur ligt – niet aan zijn heerlijke bestemming. Waarom niet? Waar haalt Paul Sprett, ver van huis, in een donkere toren, zijn zekerheid vandaan? Het antwoord geeft hij zelf in de vijfde strofe:

Daran ich keinen Zweifel trag,
dein Wort kann nicht betrügen.
Nun sagst du dass kein Mensch verzag
– das wirdt du nimmer lügen –:
„Wer glaubt an mich und wird getauft,
demselben ist der Himmle erkauft,
dass er nicht werd verloren.”

Ik vertaal het letterlijk: „Daaraan twijfel ik niet, want uw woord kan niet bedriegen. Nu zegt Gij, opdat geen mens zou versagen – en dat zult Gij nooit liegen! –: ’Wie in Mij gelooft en gedoopt wordt, aan hem is de hemel verkocht, zodat hij niet verloren gaat’.”

Depressieve christenen
Sprett putte zijn zekerheid uit het woord van God. De leer van de Schrift verwijdde in de donkere toren van Olmütz zijn horizon tot in het oneindige. En zijn parochianen troost hij met: „Zie niet op uzelf, zie op Christus!”"
Dat doet me denken aan de jonge nederlands-gereformeerde vrouw van wie ik onlangs hoorde. Ze was onkerkelijk opgevoed en heeft zich pas zes jaar geleden bij onze kerk gevoegd. Een paar jaar nadat ze zich had laten dopen, raakte ze in een depressie. Ze zag alles zwart, ze leefde in een donkere toren. Telkens wanneer de Here een van haar gebeden verhoord had, gebeurde er iets wat daarmee in tegenspraak leek te zijn en steeds kwam ze tot de conclusie: „Het was dus niet echt.” Alleen de negatieve dingen waren écht, en alles wat positief was, ging ze als ònecht beschouwen.
Tòt ze begreep dat dat een geweldige truc van de duivel was! Toen ze een boek van Watchman Nee in handen kreeg (Het normale christelijke leven), realiseerde ze zich dat er maar één ding in haar leven zeker en ècht was, namelijk: „Ik ben in Christus!” Op dat moment verdween het donkere uit haar leven. Ze is nog vaak gestressed, maar niet meer depressief: wat de duivel haar wil aanpraten, ontmaskert ze met Gods woord in de hand als leugen. Haar verhaal lijkt een beetje op dat van een andere depressieve christen, jaren geleden, die ook meende dat alleen het negatieve ècht was en al het andere zelfbedrog. Hij bad niet meer en las bijna nooit meer uit de Bijbel. Maar op een gegeven moment begon hij intensief in de profeten te lezen, met name in Jesaja, waar al het donkere en negatieve door beloften van heil en heerlijkheid wordt achtervolgd. Op een avond bad hji: „Heer, ik geloof U op uw woord, al voel ik er niets van.” In de twintig jaar die er op volgden, heeft hij vele, vele malen zijn hand op dat woord gelegd en steeds weer opnieuw dat woord betrouwbaar bevonden in zijn leven. Daarom zingt hij ook zo graag uit dat woord.

Goede werken
Maar u wilt weten hoe het met Paul Sprett afliep: kwam hij op de brandstapel of werd hij de bekende ’reformator van Pommeren’? Dat onthul ik de volgende keer, wanneer ik het vervolg van zijn lied bespreek, met name hoe Sprett aankeek tegen ’goede werken’, tegen het doen van concrete gerechtigheid. U treft het artikel aan onder de kop: Uit de donkere toren van Olmütz (gez. 519). Gezang 519? Ja, gezang 519.


Noten
1. Alle citaten zijn afkomstig uit het Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, sinds kort weer verkrijgbaar bij de Prof.dr. G. van der Leeuwstichting te Amsterdam.

2. De Wittenbergse nachtegaal/Een kerk vol nachtegalen, Opbouw, oktober en november 1991 (drie artikelen).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief