Mamma, aan mij raken!

1998-12-25
  • Jaargang 42
  • nummer 26
Adoptiekinderen lopen een aanzienlijk risico op gedragsproblemen. Dat is de uitkomst van een onderzoek van de socioloog dr. G.J. Stams naar het gedrag van geadopteerde kinderen.

Ongeveer 10% van de kinderen die in hun eigen gezin opgroeien ontwikkelt ernstige gedragsproblemen. Bij adoptiekinderen ligt dit percentage op 30%. Jongens zijn op dit punt veel kwetsbaarder dan meisjes. Opmerkelijk is dat de problemen zich vaak al ver voor de puberteit openbaren.
Toch is Stams niet alleen pessimistisch. Een warme band tussen de adoptie-ouders en het nog zeer jonge kind kan ervoor zorgen dat kind voorspoedig opgroeit1.

Niet gehecht
Er zijn kinderen die zich van jongs af aan nauwelijks kunnen hechten. Onder hen is ook een groep adoptiekinderen. Onlangs was er op de televisie een geadopteerd meisje te zien dat iedere toenadering leek af te wijzen2. Als ze haar moeder uiteindelijk toch nog een kus geeft, geeft ze haar direct daarna een klap (in de vakliteratuur spreekt men dan van een angstigambivalente hechting: toenadering en afwijzing liggen vlak bij elkaar). Als een kind zich niet gezond kan hechten, heeft dat zeer ernstige gevolgen voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. In het algemeen is men binnen de hulpverlening vrij pessimistisch over de behandelingsmogelijkheden van kinderen met ernstige hechtingsstoornissen. Toch zijn er ook signalen dat met extra investeringen een dreigende ontsporing voorkomen kan worden.
Zo heeft dr. G. de Lange een inhaalstrategie ontwikkeld om alsnog tot hechting te kunnen komen3. Een ander
voorbeeld van zo’n behandeling is te zien op de videoband ’Zie je mij?’

Chris en Minke
Twee kinderen staan centraal in de videoband. Chris kwam uit een Zuid-Amerikaans kindertehuis. Hij heeft als baby geen emotionele band met een opvoeder op kunnen bouwen. De video laat onthutsende foto’s zien hoe kinderen die in het kindertehuis waar Chris opgroeide aan hun lot werden over gelaten. In schrijnend contrast daarmee zien we een stukje gezond gezinsleven, waarbij moeder en baby voortdurend met elkaar in contact staan. Dat alles heeft Chris moeten missen. Toen hij 1§ jaar oud was, kwam hij naar Nederland.
Daarnaast volgt de camera Minke. Zij werd, toen ze bijna 2 jaar oud was, door haar Zuid-Koreaanse moeder afgestaan voor adoptie. Het verschil met Chris is dat er bij Minke wel sprake moet zijn geweest van hechting.
Het gevolg is dat ze zich verstoten en verlaten voelt. „Veel soeps zal ik niet geweest zijn, anders had m’n moeder me niet weggedaan”, zegt Minke tegen de interviewer. Ze mocht er niet zijn....

Druktemaker Chris
Chris ontpopt zich als een druktemaker. Zijn moeder heeft de box klaar gezet, maar hij klimt er de eerste dag al uit. Hij lijkt nauwelijks te beïnvloeden. Zijn ouders noemen dit overlevingsgedrag.
Hij is de hele dag bezig zijn grenzen te verleggen. Moeder beschrijft de drukke perioden, waarin ze Chris nauwelijks kan bereiken, alsof hij in een cocon zit. „Hij staat niets toe, zelfs niet even kroelen.” En toch zegt ze, proberen we hem al 2§ jaar lang op ieder moment van de dag te laten ervaren dat hij er mag zijn. De camera volgt de kleuter op het schoolplein en in de school. Hij komt niet tot samenspel. Als twee kinderen aan de ene kant van een kar trekken, trekt Chris aan de andere kant. Als een ander kind bij hem op het speeltoestel klimt, gaat Chris er snel van af. Andere kinderen worden bang van hem. Chris is niet in staat om aan te voelen dat hij met zijn botsende gedrag anderen pijn doet.

Gemakkelijke Minke
De ouders van Minke vertellen dat hun dochter van jongs af aan een gemakkelijk kind was. Ze paste zich heel gemakkelijk aan. „We hadden geen kind aan haar.” Ergens anders gaan slapen was geen enkel probleem, overal sliep ze in. Overdag kon ze uren lang met haar pop bezig zijn. „Ze was altijd met haar eigen spel bezig.
Ze kon twee uur lang haar pop wassen.” Minke vertelt waarom ze zo gemakkelijk was. Altijd was ze bang om (weer) verlaten te worden. „Straks doen ze me toch weer weg.” Ook vond ze dat ze dankbaar moest zijn, want haar ouders hadden toch het beste met haar voor. Ze voelde zich verantwoordelijk voor het geluk van haar ouders. Onder die ogenschijnlijk gemakkelijke oppervlakte zat dus een enorme emotionele eenzaamheid verborgen. In de puberteit krijgen de sombere gevoelens bij Minke de overhand. Dan wordt er contact gezocht met een hulpverlener. De camera registreert de machteloosheid van de ouders. „Als ze nou maar wat had gezegd, maar ze gaf niets aan. Daardoor konden wij ook niet weten wat er in haar om ging.”

Troost
Het meest schrijnend valt een hechtingsstoornis vaak af te lezen aan het feit dat deze kinderen alles voor zichzelf willen oplossen. Op het eerste gezicht lijken het flinke kinderen, maar het trieste is dat ze de ouders nog niet hebben ontdekt als bron van emotionele steun. Minke wilde haar ouders niet lastig vallen met haar problemen, ze wil alles zelf oplossen. Onthutsend is de scene waarbij Chris zich in bad heel erg pijn doet. Twee minuten lang zit hij zich te verbijten, zonder ook maar een kik te geven.
Kinderen die niet getroost worden (zich niet laten troosten) blijven met veel stress in hun lichaam zitten (zelfs de hartslag is hoger). Het beste recept voor de emotionele groei van een kind is een stevige knuffel. Een regelmatige knuffel vormt de basis voor het zelfvertrouwen van het kind. Helaas staan sommige kinderen hun ouders zulk contact maar moeizaam toe. De ouders van Chris vertellen dat hij nooit pijn aan gaf, en in zijn drukke perioden ook nauwelijks open stond voor lichamelijk contact. Pas de laatste tijd geeft hij pijn aan en staat hij knuffels gemakkelijker toe. Hij komt zelfs af en toe naar zijn ouders toe om getroost te worden. Ze zien het zoeken van troost als een gevolg van de hechting die tijdens de behandeling bezig is te groeien. Deze behandeling is o.a.
gericht op intensief lichamelijk contact.
Dat heeft Chris als baby immers gemist. Hij ging al lopen voordat hij voldoende geknuffeld was. Mede dankzij deze behandeling zet zich een heel belangrijke ontwikkeling in: Chris groeit niet alleen lichamelijk en verstandelijk, maar ook emotioneel. Een gevolg is dat zijn gedrag minder druk wordt en dat hij zich beter kan concentreren. Ook met Minke gaat het beter. Ze heeft psychotherapeutische gesprekken gehad. Ook heeft ze haar ’biologische zus’ ontmoet. Dat contact gaf haar een flinke duw in de goede richting.

Bij mamma
Aangrijpend is de scene aan het eind van de videoband. De ouders van Chris zitten samen met Chris en Marina aan tafel (Marina is een geadopteerd meisje, dat zich goed ontwikkelt). „Mamma, mag ik naast je zitten?” vraagt Chris. Hij schuift ondertussen dicht tegen zijn moeder aan. Maar het is voor hem niet genoeg. Zijn moeder legt uit dat ’we nu nog zitten te eten’. „Straks mag je heel dicht naast me zitten, als we gaan Bijbellezen.” Chris kijkt even, schuift nog iets met zijn stoel en zegt dan: „Ik jou aanraken.” Daarna zegt hij: „Mamma, aan mij raken!” Moeder legt haar arm om Chris heen. Daarna zie je dat hij intens tevreden is: zo zitten we heerlijk dicht bij elkaar! De ouders hebben die drukke Chris jarenlang ieder moment van de dag proberen te laten ervaren dat hij er mag zijn. Het contact wordt nu echt wederzijds. Het is sámen: wij horen bij elkaar.

Naar aanleiding van: Zie je mij? Over hechting in adoptiegezinnen. Videoband en brochure werden uitgegeven door Metropolisfilm, i.s.m. het Riagg Zuid-Holland Noord. De band is te bestellen bij: Metropolisfilm Utrecht, 030-2342130. Duur: 40 minuten. Prijs: ƒ 60,–.
In februari 1999 verschijnt bij Metropolisfilm een nieuwe videoband, als vervolg op ’Zie je mij?’

Noten:
1 Nederlands Dagblad, 26 november 1998
2 In een serie van 5 afleveringen over De Hondsberg, NCRV; september, oktober 1998 3 G. de Lange, Hechtingsstoornissen; Dekker en Van de Vegt, 1991. Zie ook: Opbouw 42/17.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief