Een nieuwe christocentrische theologie

1999-04-16
  • Jaargang 43
  • nummer 8
Prof. A. van de Beek, ’kerkelijk hoogleraar’ te Leiden, publiceerde onlangs (1998) een dogmatische studie onder de titel Jezus Kurios, De christologie als hart van de theologie. Twee jaar eerder verscheen van zijn hand een nòg dikker boek over ’Schepping. De wereld als voorspel voor de eeuwigheid’.

De eenheid van Christus in het geding
Er is een sterk verband tussen die twee theologische studieboeken. Dat sprak mij zeer aan, want zelf ben ik ook van mening dat de christologie veel meer dan thans het geval is, het centrum van de hele theologie moet zijn, ook van de scheppingsleer. In laatstgenoemd boek (dat in Opbouw van 27 dec. 1996 en van jan. 1997 besproken is door Dr B. Wielenga) wordt de schepping theologisch in een christologisch perspectief geplaatst, in overeenstemming met het Nieuwe Testament. Zij het mijns inziens slechts in gedeeltelijke overeenstemming.
Nu kwam er onlangs van Prof. Van de Beek een speciale christologie, waarin ook de schepping weer besproken wordt, zoals verwacht mocht worden.
Beide boeken zijn voor theologisch en kerkhistorisch enigszins geschoolde en geïnteresseerde lezers, uitermate boeiend en meermalen zelfs verrassend.
De schrijver wil zich, en dat is in onze tijd een verademing, blijven bewegen in het geloofsmatige spoor van de orthodoxe theologie, en hij komt ook in zijn christologie ondanks allerlei kritiek, toch altijd weer uit bij de klassieke dogma’s inzake Gods Drieëenheid en het zowel God als mens zijn van Christus. Zijn kritiek betreft vooral de wijze waarop in de geschiedenis van de kerk van meet af, dus reeds in de ontstaanstijd gedurende de vierde en vijfde eeuw, met het geloof van die dogma’s theologisch is omgegaan. 1) Van de Beek bekritiseert vooral, mijns inziens terecht, de theoretisch wel door ons allen veroordeelde, maar nog altijd praktisch al te vaak toegepaste scheiding van de ’twee naturen’ van Christus.2) Hij beklemtoont heel sterk de eenheid van beide naturen, ook weer zonder te kort te willen doen aan de belijdenis van Chalcedon (451) inzake het ’onvermengd’ zijn van beide.

De verhouding van Christus tot de schepping
Er zou heel veel te discussiëren zijn over de inhoud van beide boeken. Dr. J. Hoek, een theoloog uit de Gereformeerde Bond, stelt in zijn uitvoerig, zeer matig kritiserend en in hoofdzaak prijzend artikel in het Ned. Dagblad dd. 14.1.99, slechts een paar kritische vragen, zonder daar dieper op in te gaan. Hij werd in het ND van 8 febr.
fel bestreden in een pittig theologisch artikel van Dr. G.C. Zieleman. In een opinieblad als Opbouw is wellicht meer plaats om wat dieper op althans één der omstreden punten in te gaan.
Daarvoor koos ik het onderwerp van de verhouding van Christus tot de schepping, mede als vervolg op de artikelen die ik hierover schreef in Opbouw van 11.8 - 22.9 1995 (jg.39 nr. 16-19) en ook omdat Dr.Wielenga in zijn slotartikel (jan.1997) terecht opmerkte dat er over dit onderwerp meer gezegd kon worden. Inderdaad, er zijn talrijke boeken of boek-gedeelten en nog veel meer artikelen in vaktijdschriften aan gewijd. Bovendien, dit onderwerp schijnt steeds actueler te worden in de buitenlandse theologie van zowel rooms-katholieken als van protestanten. Uiteraard in verband met de milieuproblematiek. Maar dat laatste is niet mijn speciale punt voor dit artikel. Wel knoop ik er weer een kritische noot aan vast met betrekking tot de vereenzelviging van geloven en (theologisch) beweren, omdat dit voor elk onderwerp in de theologie belangrijk is.

’In de beginne’
Het is fijn dat we in beide genoemde dikke boeken telkens weer zien dat de schrijver zijn uitgangspunt wil nemen in de Heilige Schrift, en niet in wat de geschiedenis van de theologie of bepaalde theologen en confessies hebben geleerd en geformuleerd. Des te meer is het jammer dat de auteur dit wel aangevoelde verschil theoretisch niet helder ziet en dan ook (on)geregeld terugvalt in een vereenzelviging van beide. Dit tot schade van beide. Tot schade van een helder en eenvoudig geloofsgetuigenis en tot schade ook van het wetenschappelijk, niet meditatieve, karakter van de theologie.
Zijn voor-theoretisch belijden is overal vermengd met zijn theologische beweringen, en omgekeerd. Dat stempelt ook zijn taalgebruik. Hij zegt herhaaldelijk ’theologisch’ wanneer hij geloofsmatig bedoelt. Straks geef ik een voorbeeld daarvan.
Van de Beek stelt met betrekking tot het eerste bijbelwoord ’in de beginne’, mijns inziens terecht en met verwijzing onder andere naar Barth, dat ’hier bij het begin het woord ”geschiedenis” wel erg oneigenlijk is’ (Schepping, p. 91). Evenals Barth en vele anderen, zoekt hij naar een betere visie daarop.
Evenzeer als Barth ziet hij dat Gods scheppingswerk zelf (anders dan het bijbelse getuigenis daarover) theologisch niet met een creatuurlijke term getypeerd kan worden als ’historisch’, al is het nog zo ’echt gebeurd’. Dat zou het goddelijk scheppingswerk tot een menselijk werk maken en onder schepselmatige geschiedeniswetten stellen (waaronder historie pas mogelijk is), het zou althans daaraan gemeten worden, onder andere met onze gewone tijdrekening.
Het ’in de beginne’ van Gen.1 kan geen geschiedenisbeschrijving zijn.
Geschiedenis heeft als zodanig geen ’begin’. Genesis 1 verwijst, theologisch gesproken, niet naar ’het begin’, maar naar ’de Oorsprong’ van de geschiedenis.
Geschiedenis is altijd geschiedenis-
van (iets dat al bestaat). ’Beginvan-
alle-geschiedenis’ zou in strijd zijn met het geschiedenis-zijn zelf, waarin altijd iets besloten ligt dat in de tijd vooraf gaat. ’Begin’ (van iets) is een tijdscategorie, verwijst naar iets binnen of van de tijd der geschiedenis. ’Oorsprong’ daarentegen verwijst geloofs matig en metaforisch naar God. Het meest wezenlijke van de geschiedenis ligt primair in de schepping, in haar Goddelijke oorsprong, die boven alle tijd en tijdelijkheid, en daarmee boven alle geschiedenis verheven is. Niet boven de geschiedenis uit-geheven, zodat deze nu los daarvan en op zichzelf bestaat, maar zij blijft daarin ’geworteld’ en afhankelijk. Men zou ook kunnen zeggen: dat is nu het niet voor iedereen zomaar zichtbare geheim van de geschiedenis. Dat geheim is haar volheid, dat wil zeggen haar volheid in Hem in wie zij haar ’bestand’ heeft, dat is in Christus die zelf als ’het begin en het einde’, als ’alpha en omega’, het hele alfabet van de scheppingsrijkdom in de totale geschiedenis, omspant en draagt, zelfs ’in’ zich heeft.

Geschiedenis en historie
Een theologische problematiek ligt dan ook in de relatie tussen Gods eeuwigheid en de creatuurlijke tijd of geschiedenis.
Barth denkt zich daar uit te redden met de paradoxale uitdrukking ’unhistorische Geschichte’. Bekend is ook dat door veel andere theologen de onderscheiding tussen geschiedenis en historie gebruikt wordt of dat velen (mijns inziens terecht) verwijzen naar de vergelijkbare mythologie en daarom spreken van ’oergeschiedenis’.
3) Maar Van de Beek meent uit de problematiek te kunnen komen door te spreken over het onafleidbare van het ’begin’ der wereld, en te zeggen: ’vanwege die onafleidbaarheid is het ”in de beginne” dus een theologische categorie’.
Mijns inziens is dat wel te waarderen als één stap in de goede richting, althans wanneer ik die ’onafleidbaarheid’ mag verstaan als uiting van het wetenschappelijk besef dat oorsprong iets anders is dan begin en ook binnen de geschiedenis niet te plaatsen is. ’Onafleidbaarheid’ is dan hetzelfde als ondefinieerbaarheid.
Maar het doel wordt daarmee toch niet bereikt. Daarvoor is het nodig nog consequenter terug te gaan naar de Schrift.

Geloof is geen theologie
Opvallend is dat hier het inderdaad gelovig verstaan en naspreken van de Schrift door Van de Beek weer genoemd wordt ’een theologische categorie’. Alsof Schrift en schriftgeloof inzake het ’in de beginne’ als zodanig al ’theologie’ zouden zijn, terwijl theologie een menselijke, veel later in de geschiedenis ontstane en thans moderne wetenschap is.
Daarom zou ik willen stellen, dat hier aan de theologische wetenschap nog steeds een veel te grote eer wordt bewezen en de chaotische verwarring in het traditionele christelijk en theologisch spraakgebruik op dit punt alleen maar versterkt wordt.4) Niet met behulp van theologie, of van een geschiedenisfilosofie, maar uitsluitend door het geloof verstaan wij dat God de wereld geschapen heeft. Dat is geen ’theologische categorie’, geen geleerde (aristotelisch geïnspireerde en belaste) wetenschap, zoals bijvoorbeeld de theorie dat God ’de eerste oorzaak’ van alles is, maar niets anders dan geloof. Elk normaal en volwassen mens is daartoe - wat zijn vermogens betreft - in staat, uiteraard bij de genadige heilswerking van Gods Geest. En terecht heeft de reformatorische wijsbegeerte ons duidelijk gemaakt dat geloof en wetenschappelijk denken fundamenteel verschillende vermogens zijn, die ondanks allerlei verbanden, niet in elkaars verlengde liggen, alsof de wetenschappelijke theologie een betere kwaliteit geloof zou zijn, en het geloof een primitieve vorm van theologie.5) Voor theologie-studenten is het daarom m.i. ook nodig dat zij iets leren verstaan van de christelijke geschiedenisfilosofie en kennistheorie van Dooyeweerd. Anders blijven zij theologisch onherroepelijk vastzitten aan de niet meer te vermijden onbewuste vermenging van hun christelijke geloof met de ook onder orthodox-christelijke theologen gangbare on-christelijke of ten onrechte als neutraal beschouwde
geschiedenisfilosofie, taalfilosofie en wetenschapstheorie. 6)

Noten
1. Zelf zou ik nòg kritischer geweest zijn, omdat ik de filosofische termen van de klassieke confessies en discussies uit die eeuwen (zoals ousia, physis, anhypostasis en substantia) minder dan Van de Beek als puur instrumentele filosofische, ’slechts technische’ hulpmiddelen kan zien. Ze brachten en brengen nog steeds in de theologie wat fundamenteels mee van hun heidense werkelijkheidsbeschouwing..
2. Ook in de artikelen van Dr Wielenga, met name in het tweede van jan. 1997 (jg.41,1) wordt zijn hele betoog gebaseerd op het uit elkaar halen van de goddelijke en de menselijke natuur van de persoon ’Christus’. Vóór de geboorte in Bethlehem zou Christus naar zijn menselijke natuur blijkbaar niet bestaan hebben dan alleen in de gedachten van God, hetgeen een bepaalde visie op wat ’menselijke natuur’, en in het algemeen op wat werkelijkheid is, inhoudt. Dat doet niet hij alleen, maar dat is theologische traditie, ondanks het feit dat men beweert vast te houden aan de confessie dat de twee naturen van ’Christus’ ongedeeld en ongescheiden zijn, althans na de incarnatie.
Ook Van de Beek kritiseert, zij het vanuit een ander oriëntatiekader dan ik, deze traditie met zijn sterke nadruk op het één persoon zijn van Christus. Vandaar dat hij vele malen opzettelijk Christus als God (’kurios’?) aanduidt, maar dan ernstig ontspoort als hij meent dat ’God’ ook de oorsprong van de zonde op zich neemt.
3. Sinds twee à drie decennia is via het godsdienstwetenschappelijk onderzoek het uitsluitend negatieve oordeel van orthodoxe zijde over mythen als slechts ’oudwijfse fabelen’ (St.Vert.) herzien en ontdekte men het structurele openbarings-
en/of geloofskarakter van alle ’mythen’, zowel van de heidense als van de bijbelse.
4. Nog zeer onlangs las ik in het Ned.
Dagblad een kort artikeltje van 10 alinea’s over ’Geen heerlijkheid zonder het kruis’. Daarin sprak de schrijver wel minstens negen keer over de ’theologie van het kruis’ terwijl hij het gewone christelijke geloof aangaande het kruis van Christus bedoelde. Hij identificeerde geloof en theologie, waarschijnlijk zonder zich te realiseren welke enorme (on)kerkelijke consequenties van hiërarchie, principieel elitair en autoritair denken hier (nog steeds) uit voortkomen, ondanks eventuele persoonlijke bescheidenheid.
5. Steeds meer dringt in de Duitse theologie dit kritische inzicht door, en zeker in de inleidingen van de dogmatieken en in alle boeken en artikelen over ’Fundamentaltheologie’.
Als slechts één voorbeeld noem ik Joh. Fischer, Glaube als Erkenntnis, München 1989. Het eerste deel van dit boek is getiteld: Erkenntnis des Glaubens und Erkenntnis der Theologie, waarin scherp en soms raak het structuurverschil tussen deze beide wordt geanalyseerd. Hij constateert al in de inleiding dat de theologie veel te weinig met deze problematiek bezig geweest is (pag..11). Hij erkent, en dat is heel belangrijk, dat de visie op deze problemen beheerst wordt door een bepaalde ’Konzeption von Wirklichkeit’ (p.14). Hij ziet dan ook zijn bijdrage (die overigens de mijne niet zou kunnen zijn) over de verhouding tussen geloofskennis en theologische kennis terecht als ’grundlegend’ voor het begrip van de daarmee verwante problemen.
6. Een zeer bevattelijke bijdrage aan de reformatorische discussies over wetenschapstheorie verscheen in 1997 van Prof. W.J. Ouweneel onder de titel Wijs met de wetenschap. Inleiding tot een christelijke wetenschapsleer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief