Rondom de evangelieprediking
1999-04-16
Discussie- Jaargang 43
- nummer 8
Je kunt wanneer het over de geschiedenis van de prediking in de Gereformeerde Kerken gaat althans twee lijnen ontdekken, die je zou kunnen typeren met: naar binnen en naar boven. In de tweede helft van de vorige eeuw was er een soort prediking, die sterk gericht was op de arme zondaar, niet in de zin van een beklagenswaardig mens, maar doelend op de figuur, die met lege handen staat.
De preektrant van de vaders van de Afscheiding en van enkele geslachten daarna vertoont het volgende beeld: De tekst werd verdeeld in bepaalde onderdelen waarover een bepaalde verhandeling werd gegeven. Daaraan kon men heel wat dogmatiek vastknopen.
Deze geloofswaarheden hadden vaak niet veel te maken met de strekking en de bedoeling van de tekst.
Tenslotte werd de toepassing gegeven.
De toepassing van de preek bestond meestal in een inkering tot zichzelf met de oproep tot onderzoek of ieder zich de weldaden, die in zo’n tekst tot uitdrukking kwamen, had eigen gemaakt. De inhoud van dit soort preken vertoont het steeds weer terugkerende motief, dat onze vroomheid middelpunt en doel is van het godsdienstige leven. Deze piëtistische trek laat zich in bepaalde sectoren van de gereformeerde gezindte nog sterk gevoelen. Het op zichzelf juiste begrip van de verdieping van het geloof is hier zo overbelicht, dat de rijkdom van Gods openbaring in andere facetten in de schemer blijft. De zekerheid van het heil wordt verlegd van het Woord naar de mens. M.B. van ’t Veer heeft in de oorlogsjaren een aantal preken verzameld uit de jaren dertig. Hij wilde zo aantonen hoe het christologische karakter van die preken eruit zag. In die preken waarin niet de arme zondaar, maar de rijke Christus in het middelpunt stond, onderscheidde Van ’t Veer enkele nuances. Eén daarvan is de zgn. exemplarische preek. Personen en daden van een persoon zijn exempelen (voorbeelden) voor ons vandaag. Hanna’s gebed om een kind wordt ten voorbeeld gesteld voor ons allen om met onze smart te komen bij het kruis. En de verhoring van haar gebed dient als bewijs voor de kinderen van God, dat bidden werkelijk helpt. Jona’s vlucht is een voorbeeld van onze vlucht bij God weg, zodat Jona één van ons is.
Belangrijk
Vooral B. Holwerda heeft zich met bovengenoemd onderwerp beziggehouden.
Hij heeft één en ander als volgt onder woorden gebracht: ,,’Exemplum’ (exemplarisch komt van het woord exemplum = voorbeeld, O.M.) heeft, gezien ook zijn etymologie, de betekenis van: één uit vele gelijksoortige dingen, een exemplaar uit een collectie soortgelijke artikelen.
En daarom meende ik, dat ’exemplarisch’ een goede term was te aanduiding van die methode, die de ene heilsgeschiedenis oplost in vele zelfstandige geschiedenissen, (.....), maar die daarbij de heilshistorische factoren, de eenheid en de voortgang van Gods verlossingswerk, negeert.’’ C.
Veenhof heeft alleen in het kader van de behandeling van het thema: christo-centrische prediking enige aandacht van deze materie besteed. Maar K. Schilder is wel de vader van de zgn. heilshistorische prediking genoemd. Hij propageerde een heilshistorische benadering van de Schrift.
Er zit in de heilsgeschiedenis voortgang en vooruitgang. Dat dient in de prediking nauwkeurig te worden aangewezen.
De discussie over dit onderwerp is niet voortgezet, omdat bijna alle voorstanders van een heilshistorische prediking met de Vrijmaking meegingen. C. Trimp heeft een serieuze poging gedaan om het onvoltooide gesprek te hervatten, maar of het voldoende effect heeft gehad in vrijgemaakte kring waag ik te betwijfelen.
Definitieve keus?
In de eerste plaats moeten wij verdisconteren, dat Holwerda zich bewust geweest is, dat het hanteren van de termen: exemplarisch en heilshistorisch aanleiding zou kunnen geven tot misverstanden. Vanwege zijn vroegtijdig sterven heeft hij één en ander niet kunnen uitbouwen. En H.J. Schilder heeft al in 1950 geconstateerd, dat men de tegenstelling ’exemplarisch tegenover heilshistorisch’ soms gemakkelijk in het geweer bracht om een bepaald soort prediking als verdacht te typeren.
Hij merkt in dat verband op: ,,Want ieder beseft, dat ’exempel’ en ’heilshistorie’ geen tegenstellingen zijn: de Schrift wijst immers zelf ook wel ’voorbeelden’ aan in de geschiedenis, denk aan Jacobus, die spreekt van de kracht van het gebed en daarbij wijst op Elia’s gebed om regen’’. Wij ontlenen het bovenstaande aan de belangwekkende bijdrage van C.J. de Ruijter in het boek: ’Vrijmaking-Wederkeer’.
Deze Kamper hoogleraar in de ambtelijke vakken memoreert de brede waardering voor de blijvende winst, die de heilshistorische methode betekend heeft. Maar hij vermeldt tevens, dat met name C. Trimp bij het geheel kritische kanttekeningen heeft geplaatst. Trimp vroeg aandacht voor de mens in de prediking en voor de omgang tussen God en zijn volk.
Daarbij komt dan het werk van de Heilige Geest ter spraken. En die dingen bleven sterk onderbelicht bij de toepassing van de heilshistorische methode. De opzet van de preek was zodoende vaak te schematisch. Maar wie intens geluisterd heeft naar de prediking van C. Veenhof heeft kunnen constateren, dat hij in dit opzicht zijn tijd ver vooruit was. Want bij alle heilshistorische tendensen, die men in zijn prediking signaleerde, gaf hij volle aandacht aan de positie van de mens in zijn verhouding tot God en tot de medemens. Zo wordt de menselijke subjectiviteit in de prediking gehonoreerd. Zo ontvangt de geloofservaring haar wettige plaats in het geheel van de evangelieverkondiging.
Want ze komt dan ter sprake binnen het kader van het belovende spreken van God. Wij kiezen dus definitief voor een heilshistorische prediking, maar wel met inbreng van verschillende exemplarische elementen.
Het gaat b.v. over Abraham op de weg naar Christus, wiens dag hij naar het eigen woord van de Heiland heeft gezien terwijl hij zich daarover verblijd heeft. Maar wij mogen tegelijkertijd nooit veronachtzamen, dat het dan wel Abraham was in de context van zijn tijd en leefomstandigheden, de vader der gelovigen in wiens voetstappen wij hebben te wandelen. We hebben in de geschiedenis van de Godsopenbaring te doen met de Christus. Hij kwam overeenkomstig Gods belofte, die reeds vanaf het paradijs gold, in deze wereld. Hij verrichtte zijn messiaanse arbeid onder de mensen en Hij is bezig weer te komen naar deze aarde.
Dat zal moeten doorklinken in de prediking.
Want een preek zonder Christus is geen preek! Maar waar de Christus voluit verkondigd wordt, wil God de gemeente zegenen met zijn genade en vrede.
Enige literatuur
D. Deddens en M. te Velde: ’Vrijmaking en Wederkeer’ – Barneveld – 1994.
van Genderen-Veenhof e.a.: ’Zicht op Calvijn’ – Amsterdam – 1965. B. Holwerda: ’Begonnen hebbende van Mozes..’ – Terneuzen – 1953.
Dr. K. Runia: ’Het hoge Woord in de lage landen’ – Kampen – 1985.
Prof. H.J. Schilder: ’Richteren en Ruth: Een vacature vervuld’ – Kampen – 1982.
Dr. R. Schippers e.a.: ’Van den Dienst des Woords’ – Goes – 1944.
Dr. C. Trimp: ’Heilsgeschiedenis en Prediking’ – Kampen – 1986.
Dr. C. Trimp: ’Klank en Weerklank’ – Barneveld – 1989.