Gods tent op de dag van de Koning

1999-04-30
  • Jaargang 43
  • nummer 9
Als ik op Koninginnedag in parkjes en plantsoenen, mensen weer hun tent zie uitstoffen, denk ik zoals elk jaar: Wat vinden ze nu zo leuk aan een tent? Zelf ben ik niet zo’n kampeerder (o, dat had u al begrepen?), maar het feit dat je zo makkelijk contact maakt met andere mensen is, denk ik, belangrijk. Thuis woon je al jaren in dezelfde straat en kent nog steeds geen mens. Op de camping (heb ik begrepen), drink je al de eerste avond een pilsje met een onbekende of leen je z’n zeil omdat ’t stortregent.
Zo gezellig! Dat contact bedoel ik... Maar om nu altíjd in een tent te wonen, nee.

De tént van Gòd?
Zo’n 2000 jaar geleden hoorde een zekere Johannes zeggen: ’Kijk, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen...’ Die tent heeft met nog langer geleden te maken. De Israëlieten woonden vroeger in tenten en moesten voor God een heel mooie tent maken. Die heette de tabernakel. Later in de geschiedenis mocht koning Salomo een tempel maken, een heel mooi huis. Nog weer later bouwde koning Herodes een nog weer mooier huis.
Een luxe bungalow met alles d’r op en d’r an, om maar even in campingtermen te blijven.
Aan het eind van het Nieuwe Testament zijn we weer terug bij het begin van het Oude. ’Gods tent bij de mensen’ betekent (las ik ergens): de dichtste nabijheid, de volste gemeenschap en het innigste verkeer tussen God en mensen. En die fantastische samenleving zal niet slechts 2 of 3 weken duren. Gód wil wel altijd in een tent wonen, bij ons!

Concreet
Stel je dat nu even heel concreet voor.
Gods tent in jouw tuintje ook. Elke dag kan ik even bij Hem aanlopen, Hem wat vragen. ’Hoe is het met U?’ Glimlachend zal Hij antwoorden: ’Met Mij is het altijd goed! En met jou toch ook?’ Ja, dat is waar ook, geen tranen, geen geklaag, geen dood zal er meer zijn.
Misschien is dat te menselijk gedacht, gedroomd. Maar zo concreet was het toch ook in het begin? Adam en Eva hoorden God ’wandelen in de avondkoelte’ (Genesis 3 vs 8). Hij zocht hen op om te praten, fijn contact te hebben met elkaar. Abraham werd ’Gods vriend’ genoemd (Jacobus 2 vs 23).
Hij dronk een glaasje melk met God en at een hapje met hem (Genesis 18). God sprak met Mozes zoals iemand ’spreekt met een vriend’ (Exodus 33 vs 11).
Johannes hoort ’t van God zelf. ’Een luide stem van de troon’ staat er. En zijn woorden zijn ’geloofwaardig en waar’. Zegt God ook zelf. Het is zeker en vast dat God eens zijn tent bij ons zal opslaan. Om voor altijd van elkaar te genieten. Gaaf zal dat zijn! Echte sjaloom.

Een kapot- en losgescheurde tabernakel
Hoe is het mogelijk dat Gods tent hier een vaste staanplaats krijgt voor een eeuwigdurend hoogseizoen? Antwoord: Dankzij een andere Tent.
Dezelfde Johannes schrijft in zijn Evangelie dat Gods Zoon mens geworden is en als God/mens ’onder ons heeft getabernakeld’ (1 vs 14).
God heeft al eens zijn tent onder ons opgezet, namelijk in de Here Jezus.
God boog zich over ons, mensen, neer en kwam ons heel nabij. Ons vlees en bloed trok Hij aan en woonde zo onder ons.
Overigens heel kort maar, een jaar of dertig. Toen werd de tabernakel van Bethlehem kapotgescheurd. Een scherpe gesel haalde legde zijn rug open en een doornenkroon zijn hoofd.
Doodsangst liet hem bloed zweten.
Ja, en vooral lósgescheurd. Los, gescheiden van God. In de drie pikdonkere uren op Golgotha was Jezus helemaal alleen. Zonder mensen.
Goed, dat overleef je nog wel. Maar zonder God ben je dood. Dat wás Jezus dus.
Alleen, na 3 dagen kwam Hij levend uit het graf. Hij was meer dan de tabernakel, dan de tempel (Johannes 2 vs 18 e.v.). Wat tabernakel en tempel wilden aankondigen, vervulde Hij.
Namelijk dat wij ’volk-van-God’ kunnen zijn en de Here ’God-van-zijn-volk’.
De dichtste nabijheid, de volste gemeenschap en het innigste verkeer tussen God en mens, tussen God en jou, en mij, is dus mogelijk dankzij die Tent. Kapotgeslagen en helemaal alleen gelaten.

God bereikt zijn eerste doel
In de loop van de wereldgeschiedenis verscheen God herhaaldelijk. Aan Abraham en Mozes. Toen officiëler: in de tabernakels, de tempels. Die verschijningen hadden hun hoogtepunt in de Here Jezus, de Immanu-el, de metons-
God. Nu wil Hij in mensen wonen, tempels van zijn heilige Geest (1 Corinthe 6 vs 19): prachtig!
Straks komt God bij ons wónen. Voor altijd. Dat was ook zijn eerste doel in den beginne. Dat blijft ook zijn doel.
En dat bereikt Hij ook.
Bijbelse dromen zijn geen bedrog! Ik droomde en zag een kapot- en losgescheurd tentzeil, dat op Paaszondag weer hersteld werd als de tempel in nieuwe glorie. En ik zag een andere tent, Gods tent, uit de hemel neerdalen in mijn tuin, in mijn stad in Nederland, in Europa, ja, de hele wereld omvatte die tent, aarde en hémel zelfs...
In die tuin van het nieuwe Jeruzalem, mooi als de hof van Eden, kan mijn opa weer zien, is het lichaam van mijn dochter schoon van kanker en kan m’n vriendje weer goed nadenken. Ja, en het mooiste is dat ’God alles zal zijn in allen’. Kán het dichterbij, voller, inniger? Het lijden van vandaag valt echt in het niet bij Gods heerlijkheid (Romeinen 8 vs 18 e.v.). Zien we. Dan.

Kamperen op de dag van de Koning
’Ja, Here Jezus, kom maar vlug!’ Misschien heb ik dan wel ’voor niets’ examen gedaan op school en tellen de repetities van gisteren niet meer mee... Maar ja, we kunnen dan wel genieten onder de luifel van Gods tent op de eeuwige dag van de Koning.
Dat is iets om naar uit te kijken. En om naar uit te bidden. Voor kampeerders en niet-kampeerders

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief