Het beroep op de Schrift in de ethiek

1999-04-30
  • Jaargang 43
  • nummer 9
Onlangs las ik een artikel over het gebruik van de Schrift in ethische aangelegenheden. De gereformeerde auteur schreef daarin onder andere, ”dat we in de Bijbel geen pasklare antwoorden op alle nieuwe vragen krijgen” en ”dat God zoveel geeft als nodig is, maar dat we zelf de rest moeten uitknobbelen”; ”dat de Bijbel geen boek is met teksten die men zonder te letten op de totale samenhang klakkeloos kan toepassen”, ”dat veel uit de wet van Mozes achterhaald is” en ”dat niet alles in de Bijbel onmiddellijk duidelijk is, als het gaat om praktische zaken”, zodat we ”in christelijke mondigheid vaak moeten worstelen om te verstaan wat de ’wil’ van de HERE is”.

Deze zinnen zouden stuk voor stuk zo uit ’Je weg vinden’ kunnen zijn weggelopen.
Het geval echter wil, dat ze afkomstig zijn uit dat de vorige keer genoemde artikel van ds. H.J. Boiten, waarin hij mij zwaar verwijt de eenheid, volkomenheid en duidelijkheid van de Schrift tekort te doen ...

Problemen
Uit zinnen als die van ds. Boiten blijkt, dat de eenheid, volkomenheid en duidelijkheid van de Schrift – hoe overtuigd je die ook belijdt – niet probleemloos evident zijn ... Niet dat het ons onduidelijk is wat de HERE van ons vraagt: Wij moeten Hem liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.
En: ”Heilig zult u zijn, want Ik, de HERE uw God ben heilig”. En: ”Hij heeft U bekend gemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: recht te doen en getrouwheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”.
En toch, bij het concrete gebruik van de Schrift in ethische aangelegenheden rijzen wel degelijk verschillende soorten problemen.
1. Komend vanuit het heden tot de Schrift, valt het vaak niet mee in de Bijbel directe antwoorden te vinden op de vragen waarvoor we (nu) staan. Mogen we gebruik maken van voorbehoedmiddelen, en doen aan gezinsplanning?
Wat mag nu wel en niet op zondag?
Mogen we gebruik maken van moderne technieken als IVF en KID om kinderen te krijgen? Hoe moeten we de emancipatie beoordelen? Mensen die naar de maatstaf van Job 31 als rechtvaardige willen leven, blijken dan opeens verschillende keuzes te maken, zich voor hun keuze op verschillende schriftgegevens te beroepen.
2. Komend vanuit de Schrift naar het heden rijzen niet minder grote problemen.
Zelfs waag ik de volgende stelling: hoe concreter en uitgewerkter een bijbels voorschrift is, des te moeilijker is de rechtstreekse toepassing in het heden. Dat lijkt nogal vreemd, maar het is de realiteit. Hoe concreter een voorschrift, des te meer ’theologie’ er nodig is om uit te leggen waarom een bepaald voorschrift niet meer in praktijk wordt gebracht. Laat me daarvan een voorbeeld geven.

Van zedelijke, ceremoniële en burgerlijke wetten
In de wet van Mozes vinden we het leviraatshuwelijk voorgeschreven. Is een getrouwde man overleden, zonder dat hij een zoon heeft nagelaten, dan dient zijn broer met zijn vrouw te trouwen om voor hem, de overledene, nageslacht te verwekken (Deut. 25:5- 10). Dit voorschrift is volstrekt helder van inhoud en zou dus moeiteloos direct in praktijk gebracht kunnen worden.
Toch is het in de christelijke kerk nooit overgenomen. De toepassing van dit voorschrift werd door veranderde opvattingen uitgesloten geacht, ja, zelfs verworpen. Dat geldt voor talloze andere voorschriften uit de wet van Mozes. Alleen, die voorschriften staan toch in Gods Woord en hoe verantwoord je dan dat je ze niet toepast?
Onze vaderen hebben dat verantwoord met behulp van de volgende constructie.
Zij onderscheidden binnen de wet, de vijf boeken van Mozes tussen de zedenwet (dat zijn de tien geboden), de ceremoniële wetten (dat zijn alle voorschriften betreffende Israëls eredienst) en de burgerlijke wetten (dat zijn de voorschriften die het leven in de Israëlitische samenleving ordenden). Van de zedenwet zeiden zij, dat die Gods eeuwige wil voor alle plaatsen, alle mensen en alle tijden bevat. Van de ceremoniële wetten, dat deze behoorden tot de schaduwachtige eredienst van het Oude Testament en van de burgerlijke wetten (zoals die van het zwagerhuwelijk), dat die op andere samenlevingen niet van toepassing waren, tenzij het voorgeschrevene in overeenstemming was met de algemene zedenwet, i.c. de tien geboden. Je zou deze constructie een bepaalde hermeneutiek, een theologische leeswijzer voor het gebruik van de wetten van Mozes kunnen noemen.
Nu zit er in deze theologische constructie een boel Schriftkennis en menselijke wijsheid verwerkt. Inderdaad nemen de Tien Geboden een zeer bijzondere plaats in de wetgeving van het Oude Testament in en behouden zij die bijzondere plaats in het Nieuwe Testament.
Voor de omgang met de ceremoniële wetten beroept men zich terecht op o.a. Hand. 10; Hand. 15; Col. 2:17 en de Hebreeënbrief. Vraag je echter naar de motivatie om met één pennenstreek de rechtstreekse toepassing van de burgerlijke wetten en voorschriften facultatief te stellen, dan is die uiteindelijk niet anders dan dat de sociaal-culturele verschillen tussen de oude Israëlitische samenleving en de andere samenlevingen te groot zijn om rechtstreekse toepassing te verplichten.
’s Lands wijs, ’s lands eer, zo stelden onze gereformeerde(!) vaderen.

Over jonge weduwen
Zo ontwikkelden onze vaderen een leeswijzer bij de voorschriften van het Oude Testament. Het opmerkelijke echter is, dat zij voor de toepassing van voorschriften uit het Nieuwe Testament geen leeswijzer ontwikkeld hebben.
Misschien, omdat dit vraagstuk van het rechtstreekse gebruik van de Schrift in de ethiek zich bij de lezing van het Nieuwe Testament niet zo massief opdringt als bij lezing van het Oude.
Toch is die afstand in principe niet minder groot dan tot de oudtestamentische voorschriften. Ook daarvan een concreet voorbeeld.

Paulus is in 1 Tim. 5 zeer concreet in zijn voorschriften voor de weduwen. De weduwen waren zusters die een officiële functie in de gemeente vervulden.
In 1 Tim. 5:11-15 echter stelt en beargumenteert Paulus, dat jonge weduwen van deze functie uitgesloten dienen te worden: ”Ik wil daarom, dat jonge weduwen huwen, kinderen krijgen, haar huis bestieren, en niet door lasterpraat aan de tegenpartij vat op zich geven”. Een zeer concreet voorschrift, heel helder geformuleerd en gemotiveerd.
Het kost dus geen enkele moeite om het in praktijk te brengen, zou je denken. En toch, gesteld dat een jonge zuster weduwe wordt, wie dringt er dan nog met apostolisch gezag bij haar op aan te hertrouwen?
We laten het wel uit ons hoofd. En waarom? Tja, krijg daar maar eens de vinger achter. Toch niet alleen omdat jonge weduwen -gelukkig!- in onze samenleving (!, voor sommige Afrikaanse landen zou dat wel eens anders kunnen liggen, om niet te spreken van de onbestorven weduwen) niet meer in zulke grote getale voorkomen als in de oudheid. Ook niet alleen, omdat wij daardoor met het fenomeen ’jonge weduwe’ veel minder ervaring hebben opgedaan, zodat we oordelen als die van Paulus zondermeer voor onze rekening durven te nemen.
Vooral, denk ik, omdat wij in onze samenleving niet meer in de positie zitten om in zijn algemeenheid tegen mensen die alleen door het leven gaan te zeggen: ”Jullie moet trouwen”. Zeg maar dat sociaal-culturele basis voor toepassing van dit voorschrift ontbreekt.
Tussen haakjes, 1 Tim. 5:14 bepaalt bij nog een vraag, die kan rijzen in verband met het Schriftberoep. Er bestaat namelijk een opmerkelijke discrepantie tussen dit voorschrift en Paulus raadgevingen in 1 Cor. 7. Daar lezen we: ”Tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: Het is goed voor hen, indien zij blijven zoals ik”. (:8) Paulus heeft een fase gehad in zijn leven, dat hij -met het oog op de naderende komst van de Heremeende, dat iedereen het er het beste aan deed om zich geheel te wijden aan de zaak van God. In 1 Tim. 5 is Paulus in een andere fase. Door de ervaring geleerd, staat hij er nu op dat jonge weduwen trouwen. Ik noem dit even, om aan te geven, dat het dikwijls niet meevalt om alle schriftgegevens in één sluitend plaatje onder te brengen. Ook dat is één van de vragen waarvoor het beroep op de Schrift ons plaatst.

Eigen positie
Het is hier, dat ik iets over mijn eigen positiebepaling wil zeggen. Die kan als een nog in embryonale vorm gepresenteerd alternatief voor onder andere die genoemde drieslag gelden, toepasbaar, niet alleen bij de lezing van het Oude, maar ook bij de lezing van het Nieuwe Testament. Misschien is mijn boekje zelfs een op de vragen van deze tijd afgestemde poging om de eenheid, duidelijkheid, volkomenheid en genoegzaamheid van de Schrift vast te houden.
Het voorstel is heel eenvoudig, maar – naar ik geloof – van een werkelijk bijbels gehalte. Het uitgangspunt voor de inrichting van het leven is de HERE Zelf, zoals wij Hem kennen uit Zijn Woord en zoals Hij Zich geopenbaard heeft in Zijn Zoon Jezus Christus.
Laten we wandelen met Hem. Hij immers is in alles wat Hij doet rechtvaardig en barmhartig, genadig en vol liefde, trouw en betrouwbaar. Deze woorden stempelen zijn Wezen, deze woorden stempelen daarom ook de wetten, regels en voorschriften van de Bijbel. Het zijn woorden die zich heel concreet uitwerken in de tijd, zij het niet in elke tijd en in elke situatie op gelijke wijze! Toch vormen al die verschillende, elkaar een enkele keer uitsluitende of voor ons niet-toepasbare wetten een eenheid. Een eenheid die in de ene God en HERE besloten ligt, op het allerdiepste niveau dus. En daarom, omdat we in deze – soms sterk cultuurbepaalde – regels en voorschriften de HERE ontmoeten, wordt ons ook duidelijk wat liefde en trouw, recht en gerechtigheid is. En omdat we daarin de HERE hebben leren kennen in zijn woorden en daden is de Heilige Schrift een volkomen en genoegzaam middel om ook nu nog de weg door het leven te vinden.
Het mooie van deze opzet vind ik, dat geen enkel bijbels voorschrift ooit achterhaald kan zijn, ook als het – evident – niet rechtstreeks toepasbaar is.
Omdat elk voorschrift, hoe klein ook, van Gods gerechtigheid getuigt, worden we steeds weer geprikkeld te zoeken naar een antwoord op de vraag welke bijdrage ook dit schriftwoord voor de inrichting van ons leven betekenen kan. En wie weet kunnen voorschriften, die jarenlang, mogelijk eeuwenlang, braak hebben gelegen, opeens een ongedachte actualiteit krijgen, althans, ons op een idee brengen.

Over leviraatshuwelijk, IVF en KID
Ik denk bijvoorbeeld aan de voorschriften rond het leviraatshuwelijk. Hoe je het ook wendt of keert, dat blijft voor ons iets vreemds houden. Toch, ga je op zoek naar de gerechtigheid en liefde in dit gebod, dan zitten er heel mooie kanten aan. Ook nu nog ervaren wij het als heel smartelijk wanneer iemand kinderloos is. En nog verdrietiger wordt dat, wanneer iemand pas getrouwd is en vervolgens kinderloos sterft. Dat is bitter. In het oude Israël werd die bitterheid nog sterker beleefd dan tegenwoordig.
Immers, in je nageslacht leefde je zelf voort. Je naam bleef dan in stand. En daarom vroeg men zich heel gericht af: Wat kunnen wij aan dit heel smartelijke doen? Kunnen we de pijn van dit kinderloze sterven verlichten?
Zo kwam men op het leviraatshuwelijk.
Men wilde de naam van de overledene laten voortleven in het door zijn broer verwekte kind. Balsem op de wonde. Dat de weduwe hieraan mee wilde werken sprak voor zich. Zij immers had haar man lief? En van de broer werd verwacht, dat hij uit menslievendheid bereid was dit offer te brengen.
Was hij dat niet, dan had hij geen hart in zijn lijf en werd hij zelfs getekend als een vent van niets. Nu, andere tijden, andere zeden. Wij beleven het als inhumaan om mensen te pressen tot het krijgen van kinderen.
En in Christus is deze dwangmatige omgang met de voortplanting ook niet zo noodzakelijk. Immers, zo wordt het verder in het Oude Testament gezegd, juist tegen degenen die niet meer in staat waren nageslacht te verwekken: Ik geef jullie een naam beter dan zonen en dochters! Ik geef hun in Christus een eeuwige naam! (Jes. 56:5) Dat is de balsem die God op de wonde legt.
En toch, de moeite van de kinderloosheid kan tegenwoordig nog net zo diep gaan als in Israëls oude dagen. Zo groot zijn, dat kinderloze echtparen – ook binnen de kerk – van moderne mogelijkheden als in-vitro-fertilisatie en door kunstmatige inseminatie met behulp van donorzaad gebruik gaan maken om toch kinderen te krijgen. Het zat in de mens van toen, het zit in de mens van nu, want wezenlijk blijven mensen gelijk. En dan kan ik me voorstellen, dat je als gemeenschap op grond van wat je leest in bijv. Deut. 25 zegt: ”Willen jullie zoeken naar wegen om toch kinderen te krijgen, bijvoorbeeld met gebruik van IVF of KID, wij veroordelen dat niet. Weet wel, dat er risico’s aan vastzitten – niet voor niets heeft het leviraatshuwelijk niet zo heel lang standgehouden – overweeg of je besluit een wijs besluit is, maar gelet op de plek die het in de Bijbel had, willen we jullie er niet van weerhouden deze weg te gaan.” Zo kunnen oude – en op het eerste gezicht volstrekt achterhaalde woorden – je gedachten toch op een concreet spoor zetten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief