Over het blijvende en tijdelijke in de Bijbelse voorschriften
1999-05-14
Twee weken geleden schreef ik iets over de wijze waarop onze vaderen met de wetgeving van het Oude Testament omgingen.- Jaargang 43
- nummer 10
Zij maakten onderscheid tussen de zedenwet, i.c. de tien geboden, de ceremoniële wetten en de burgerlijke wetten. In de tien geboden vonden zij het blijvende, eeuwige en algemene, in de ceremoniële wetten het in Christus vervulde en in de burgerlijke wetten het tijdelijke, het voor Israël bestemde. Op de betekenis van dit onderscheid wil ik dit artikel nog eens terugkomen, omdat ik aan de hand daarvan mijn eigen positiebepaling goed kan verhelderen en verdedigen.
Goed gezelschap
Allereerst blijkt uit dit onderscheid, dat onze vaderen óók voor de vraag stonden welke bijbelse voorschriften van blijvende en welke van voorbijgaande betekenis waren. Wat preciezer gezegd: zij stonden voor de vraag wat ín de bijbelse voorschriften het tijdelijke en wat het blijvende was. Mannen als Thomas van Aquino (in dit opzicht representant van de oud-kerkelijke traditie), Calvijn en Polyander 1) kenden dus de moeite van het rechtstreekse beroep op de Schrift. Ik constateer dan ook, dat ik me met mijn zoektocht naar het blijvende en het tijdelijke in de bijbelse voorschriften in goed gezelschap bevind. Mij verwijten, dat ik de moeite van het Schriftberoep overdrijf, zelfs problematiseer, vind ik daarom niet erg billijk. Achter de bezinning op het Schriftberoep zit geen hang naar problematiseren, maar juist een zeer ernstig nemen van de hele Schrift.
Ten tweede blijkt uit dit onderscheid, dat ook de vaderen probeerden de moeilijkheden van het Schriftberoep te overwinnen door bij de voorschriften een leesregel te leveren, een bepaalde hermeneutiek te hanteren.
Het opmerkelijke is, dat zij daarbij onderscheid maakten tussen de inhoud en de vorm. Calvijn stelt, dat het beginsel (de ’ratio’) van alle wetten ’de eeuwige regel der liefde’ moet zijn, ook als de vorm (de ’forma’) per volk varieert.2) Dat doet hij in een discussie met degenen die menen dat de wetten van Mozes onverkort gehandhaafd moeten blijven. Calvijn vindt deze opvatting onjuist en dwaas.
Alleen de zedenwet is voorgeschreven aan alle volkeren en voor alle tijden. In de burgerlijke wetten echter zit niet alleen iets van de liefde, die door Gods eeuwige wet geboden wordt, maar ook iets dat van dat gebod der liefde onderscheiden is. Calvijn onderscheidt tussen het concrete voorschrift en het beginsel dat daaraan ten grondslag ligt, te weten de zedenwet.
’Alle wetten, die naar die regel (t.w. die van de zedenwet, jmm) gemaakt, op dat doel gericht en door die grens afgebakend zijn, bieden geen reden dat wij ze zouden afkeuren, ook al verschillen zij van de Joodse wet of van elkander.’ 3) Met deze oude kerkelijke traditie in gedachten wil ik nu iets opmerken over de kritiek die mijn boekje heeft gekregen.
Toch Calvijns?
Allereerst heb ik dan een vraag voor prof. dr. W. van ’t Spijker, bij wie ik me nu weer even de student voel, die, ontevreden met het antwoord van de hoogleraar, eigenwijs blijft doorvragen, zich daarbij natuurlijk bewegend op glad ijs. Hij schrijft dat Calvijn geen onderscheid maakte tussen materieel en formeel gezag van de Schrift. Nogmaals, dit zijn mijn termen niet, maar, als ik Calvijn goed begrepen heb, maakt hij wel degelijk onderscheid tussen vorm en inhoud, tussen het concrete, door tijd, plaats en cultuur bepaalde voorschrift en het daaraan ten grondslag liggende, eeuwige beginsel. Ik wil maar zeggen, gesteld dat de termen ’formeel’ en ’materieel’ van toepassing zouden zijn op mijn boekje, dan ben ik eigenlijk best goed Calvijns bezig geweest ....
Ten tweede zou ik iets willen opmerken over de kritiek van zowel ds. H. J. Boiten als ds. G. van Keulen. Beiden benadrukken -ds. Boiten hamert er zelfs op- dat vervulling van de wet geen afschaffing van de wet betekent.
Waarom zij dit -ook door mij geheel onderschreven adagium (verg. Mat. 5:17vv)- als kritiek op mijn boekje naar voren brengen, is mij eigenlijk compleet een raadsel. Uit alles blijkt -zie ook mijn behandeling van het zwagerhuwelijk in het vorige artikel- dat alle bijbelse voorschriften in mijn opzet volop blijven meedoen in de ethische bezinning. Ook in dit opzicht onderscheidt mijn methode zich niet van die der vaderen. Het overoude onderscheid tussen de zedenwet en de burgerlijke wetten deed de nauwgezette studie van de burgerlijke wetten niet teniet, ook al werden ze volstrekt niet rechtstreeks in praktijk gebracht. Hoewel bijvoorbeeld Calvijn over de burgerlijke wetten schreef dat die niet afgeschaft kùnnen worden, omdat ze alleen aan Israël, maar nooit aan ons gegeven zijn 4) (!!, op zulke krasse uitspraken kan niemand mij betrappen), weerhield dit hem er niet van, om deze wetten zeer nauwkeurig uit te leggen en te beluisteren, zij het als aanhangsel bij de tien geboden en daaraan geheel dienstbaar gemaakt!
5)
Waarom de grondwoorden?
Een derde opmerking betreft de door mij gevolgde methode. Ik kan me voorstellen, dat iemand zich, na lezing van het bovenstaande, afvraagt: waarom eigenlijk heb je niet -net als de vaderen- ’gewoon’ de tien geboden als uitgangspunt voor de ethiek genomen?
Waarom die -voor sommigendiscutabele keuze voor grondwoorden als ’gerechtigheid’ en ’liefde’? Wek je dan niet de indruk de geboden uit te spelen tegen de grondwoorden? Nu, dat laatste is niet mijn bedoeling geweest. De wetgeving en de grondwoorden zijn zeer nauw op elkaar betrokken. De grondwoorden zijn de ziel van de geboden en de geboden geven body, lichaam aan de grondwoorden.
Een opzet van de ethiek vanuit de tien geboden, zeker indien die plaatsvindt op basis van de uitlegkundige principes van Calvijn, is volstrekt legitiem. Toch heb ik er om een aantal redenen zelf niet voor gekozen, en niet alleen, omdat er al verschillende voortreffelijke boeken en boekjes over de tien geboden in de handel zijn.
Bij die grondwoorden ben ik uitgekomen, omdat mijn boekje ook een stukje apologetiek van de christelijke levensstijl wil zijn. De vraag van deze tijd is niet alleen, ’Welke kant stuurt de HERE ons op?’, maar ook ’Waarom stuurt Hij ons die kant op?’ Jongerenen ouderen- vragen naar de zin van de geboden, omdat in onze verwarrende en steeds veranderende samenleving bepaalde vanzelfsprekendheden zijn weggevallen. De grondwoorden bieden dan een prachtplaatje van Gods bedoeling met het leven. Zij lokken ons tot een nieuwe wereld, waar gerechtigheid woont.
Juist omdat gerechtigheid en liefde het merg en de pit, het fundament en het zuurdesem van de wet zijn, zijn ze zo geschikt om ons te helpen Gods weg te blijven gaan door alle wisselingen van het leven heen.
Daarbij komt, áls bijbelse voorschriften je in verwarring brengen of verzet oproepen -en feitelijk is dat zowel bij jongeren als ouderen wel eens het geval- kunnen woorden als ’gerechtigheid’ en ’liefde’ de weg tot het verstaan van een voorschrift openen. Ze leren je terug te vragen, en dat mag ook, naar de zin van het voorschrift voor toen en daar, en van daaruit kun je gaan naar het hier en nu. Zeg maar, dat de grondwoorden opvoeden tot volwassenheid. Zij geven richting aan de eigen verantwoordelijkheid die we van de HERE hebben gekregen. En dat is keihard nodig, omdat de Bijbel niets, maar dan ook niets heeft van een ethisch handboek.
Dan ben ik bij de grondwoorden uitgekomen, omdat die zich werkelijk aan me opdringen als ik de Bijbel lees. In dit opzicht kan ik me niet helemaal herkennen in drs. H. de Jong, die de grondwoorden juist verscholen tussen andere woorden ziet instaan. Misschien lijk ik wel op iemand die voor het eerst weet wat fluitenkruid is en in april en mei vervolgens overal fluitenkruid ziet bloeien, want eerlijk gezegd, ik kom die grondwoorden overal tegen, vooral ook op zulke cruciale momenten. Sla ik het spreukenboek open -misschien meer nog dan de wetgeving hét bijbelboek dat ons kan helpen bij de inrichting van het levenen begin ik de eerste verzen te lezen, die lange opsomming van de doestelling van de wijzen; welke woorden duiden dan het ethisch gehalte van de spreukenwijsheid aan? Ja hoor, ’gerechtigheid, recht en rechtschapenheid’ (zie ook Spr. 2:9). Micha 8:6 is overbekend, Rom. 14 vers 17 wat minder, maar, juist binnen die context, zo veelzeggend. Om enkele andere momenten te noemen: de zaligsprekingen, Mat. 23:23, Joh. 15:9-13, Gal. 5:22, Ef. 4:1vv, Fil. 2:1-11, Kol. 3:12vv, enz. enz. Het bijzondere is, dat deze grondwoorden ook zo diep verankerd zijn in de Godsopenbaring zelf (verg. bijv. Ex. 34:6,7). In licht van Zijn openbaring krijgen zij hun eigen bijzondere profiel. Het zijn geen bleke termen, laten zich absoluut niet voor ieders karretje laten spannen, zijn ook geen ’voor-elk-wat-wils-woorden’, maar woorden die je overduidelijk een bepaalde richting opduwen.
De keuze voor de grondwoorden laat zich ook rechtvaardigen vanwege het vrij algemeen erkende feit, dat de voorvaderlijke drieslag ’zedelijk, ceremonieel en burgerlijk’ als hulplijntje zijn gebreken heeft. Te vlot is vroeger wel gezegd, dat de burgerlijke wetten zijn afgeschaft. Een benadering vanuit de grondwoorden geeft een sterkere prikkel om op de voorschriften te blijven kloppen, totdat de deur naar het verstaan opengaat. Daarbij komt, dat de genoemde drieslag wel bruikbaar is als leesregel van het Oude Testament, maar niet van het Nieuwe. Terwijl de problemen bij de rechtstreekse toepassing van de nieuwtestamentische voorschriften net zo groot zijn als bij die van het Oude Testament.
Subjectief en individualistisch?
Zo blijf ik -ondanks de kritiek- staande houden, dat een opzet van de ethiek vanuit de grondwoorden bijna onontkoombaar is, en in bijbels licht ook heel goed te verantwoorden.
Ds. Van Keulen echter vreest dat mijn opzet vanuit de grondwoorden leidt tot ’subjectieve, individualistische keuzes.
Typisch naar de geest van de tijd ...
Flexibele en trendgevoelige christenen.
Maar nog steeds op de weg die de HERE ons wijst?’ Nu, met een zekere flexibiliteit is m.i. niets mis, maar als subjectivisme en individualisme het gevolg zijn, dan zijn de grondwoorden gewoon niet goed begrepen. Gerechtigheid is juist een woord, dat mensen samenbindt, verantwoordelijk maakt voor elkaar, de gemeenschap bouwt. Gerechtigheid verhoogt een volk! En liefde, verstaan als de in Christus geopenbaarde liefde, is een heel kritisch woord. Het betrapt me op mijn egoïsme, m’n gemakzucht, m’n hardvochtigheid, m’n ijdelheid en trots. Het betrapt ons op alles waardoor we de verhouding met God en de verhouding tot elkaar stuk maken. Het snijdt in m’n vlees en druist tegen m’n primitieve gevoelens en primaire reacties in. De grondwoorden hebben dus ook een profetischkritische inbreng bij de inrichting van het leven. Misschien dat ik daarvan één overtuigend -naar ik hoop althansvoorbeeld kan geven.
Over echtscheiding en trouw
Wij leven in een samenleving waarin echtscheiding -hetzij door het ontbinden van een samenwoonrelatie, hetzij door het ontbinden van een huwelijkschering en inslag is. Symptomatisch van een samenleving in ontbinding ...
De filosofie achter dit hoge aantal echtscheidingen lijkt van een dwingende logica te zijn. Stel, een man en vrouw hebben elkaar vol goede moed het jawoord gegeven, maar blijken op een gegeven moment volstrekt uit elkaar gegroeid te zijn. Ze meendenooit- prima bij elkaar te passen, maar doen op een gegeven moment niet anders dan elkaar het leven zuur maken. Als de verhoudingen zo verziekt zijn, waarom zou je dan nog bij elkaar blijven? ’Als je huwelijk een hel in het klein is, waarom zou je dan niet op zoek gaan naar een stukje hemel met een ander?’ Een argumentatie waarvan een redelijk mens zou kunnen zeggen: ’Daar zit wel wat in.’ Maar, kan deze gedachtegang ooit geaccepteerd worden in het licht van de grondwoorden? ’Volstrekt niet!’, zou Paulus nu zeggen. De grondwoorden immers krijgen hun profiel gaande de geschiedenis van de omgang tussen God en zijn volk, en aan de voet van het kruis? Ze vertellen van de relatie tussen God en ons. Een relatie die wij, mensen, keer op keer lieten doodbloeden. Een relatie waarin de HERE door ons dikwijls zeer zwaar gekwetst en diep teleurgesteld werd.
En toch bleef Hij ons trouw. TROUW!
Trouw tot in de dood. Trouw tot in de dood van zijn Zoon ... Opeens zie je wat het woord ’trouw’ inhoudt. En dat het zoveel betekent, omdat het uit de diepste diepten van Gods hart wegkomt.
Je beseft: daarom en uiteindelijk daarom alleen gebiedt Hij ’Gij zult niet echtbreken.’ Je stuit in het woord trouw op een grondwoord, dat een onvoorstelbare weerstand biedt tegen de dwingende logica van de tijdgeest. ’Trouw’ verzet zich tegen elke vrijblijvendheid en alle vormen van gemakzucht in relaties.
Heeft een jongen of meisje ook maar iets van deze trouw geproefd, dan geven zij hij het versieren op, en het ’zomaar’ eens met elkaar naar bed gaan en het ’Eerst eens kijken of wij echt wel bij elkaar passen’. Over elke totaalrelatie komt zowel iets van het heerlijke wasem van Gods trouw in Christus te hangen, als iets van de laatste ernst. Beide neem je mee, je verkering, je huwelijk in. Rechtvaardigen blijven daarom -ook in tijden dat hun huwelijk zwaar op de proef worden gesteld- zoeken naar mogelijkheden om elkaar vast te houden. Biddend hopen ze, dat God hun verziekte relatie geneest, hun verbroken verhouding vernieuwt. Daaraan werken ze ook naar vermogen.
Dit is heel kort gesteld, uit pastoraal oogpunt te kort gesteld. Ik geef alleen de richting aan die ons op dit zeer aangelegen punt door de grondwoorden gewezen wordt. Wie zijn uitgangspunt neemt in de grondwoorden, neemt zijn uitgangspunt niet in de tijdgeest, niet in het individualisme, maar in ’het eeuwige evangelie’ (Openb.
14:6), de openbaring van God in Christus. Die openbaring is niet ’naar het vlees’ en daarom alle tijden door weerbarstig. Tegelijk, concentreren we ons op die openbaring, dan leren we in een veranderende samenleving ook te onderscheiden waarop het zowel binnen de bijbelse voorschriften, als hier en nu aankomt. En lukt het onshopelijk- om principieel én flexibel te zijn. Is dit soms wat prof. Van ’t Spijker bedoelde, toen hij zei: ’Het is een kwestie van Woord en Geest?’
Noten
1. Deze namen zijn in zoverre willekeurig, dat het werk van deze gezaghebbende vaderen mij ter beschikking staat. Thomas van Aquino, Summe der Theologie Bd.2: Die sittliche Weltordnung, Hrsg. Von Joseph Bernhart, Stuttgart 19853, pg. 425-510(=Summa Theol. I II 90-108); Johannes Calvijn, Harmonie van de laatste vier boeken van Mozes (vert. J. van der Heuvel), deel 1- 4, Goudriaan/Kampen 1984vv.
I.h.b. deel 1, pg. 5-8, verder doorlopend.
Idem, Institutie, m.n. IV 20, 14-16. Johannes Polyander, Synopsis purioris theologiae, Leiden 18816, pg.155-161
2. Institutie IV 20, 15
3. Institutie IV 20, 16 (vert. Sizoo)
4. Institutie IV 20, 16
5. Zie de hierboven genoemde Harmonie, Deel 1, pg. 360-Deel 3, pg. 75